← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:1448

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/358602 / JU RK 24-1638 Datum uitspraak: 13 januari 2025 Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , advocaat mr. B . Wernik, kantoorhoudende te Haarlem, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 11 oktober 2024, ontvangen op 4 november
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 januari
  4. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen. 1.
  5. De rechtbank heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met een van de kinderrechters uit de meervoudige kamer. 2De feiten 2.
  6. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
  7. [de minderjarige] verblijft bij [locatie] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . 2.
  8. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [plaats] van 20 maart 2012 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is vervolgens definitief uitgesproken en steeds verlengd, voor het laatst tot 20 januari
  9. 2.
  10. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 8 januari 2020 is de machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is daarna telkens verlengd, voor het laatst tot 20 januari
  11. 3Het verzoek 3.
  12. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van één jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] verblijft nu bijna twee jaar op een perspectiefbiedende plek van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is gespecialiseerd in hulp aan kinderen met ingewikkelde gedragsproblemen en sluit goed aan bij wat [de minderjarige] nodig heeft. [de minderjarige] is gehecht aan de groepsleiding en hij kan goed met zijn groepsgenoten overweg. Het ging lange tijd goed met [de minderjarige] , maar sinds kort loopt [de minderjarige] weer weg en doet hij suïcidale uitspraken zoals ‘ik wil dood’. Deze innerlijke onrust heeft te maken met veel factoren, zoals het zich eenzaam voelen, de nieuwe samenstelling van en weinig vast personeel op de groep, het missen van ouders/familie en veranderingen door de zomervakantie. Het is positief dat [de minderjarige] zelf een bijbaantje bij de [supermarkt] heeft geregeld. Ook doet hij het goed op school. Er is een vaste omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn ouders, maar deze regeling wordt - vanwege persoonlijke omstandigheden - niet altijd nagekomen. Zo heeft de moeder niet altijd iemand beschikbaar die [de minderjarige] kan halen en terugbrengen en kampt de vader met gezondheidsproblemen, waardoor hij [de minderjarige] niet thuis kan ontvangen. [de minderjarige] mist zijn ouders, en het logeren bij hen, erg. Hij heeft wekelijks telefonisch contact met zijn ouders, en belt hen ook vaak naast de vaste belafspraken. De ouders hebben beperkt contact met elkaar, maar zij communiceren en overleggen waar nodig, zoals laatst bij de incidenten. In november 2023 is systeemtherapie gestart. Dit komt moeizaam van de grond omdat de vader aangeeft dat hij geen hulpvraag heeft en geen hulp nodig heeft. De moeder heeft wel hulpvragen. Zo wil zij een goede band met [de minderjarige] krijgen en leren hoe zij met zijn gedrag om kan gaan. De moeder wil graag meewerken, maar het lukt haar niet om naar de therapie toe te gaan. Online therapie werkt niet, omdat [de minderjarige] niet online wil praten. De moeder heeft aangegeven dat het voor haar voor nu voldoende is dat zij elke week telefonisch contact met [de minderjarige] heeft omdat zij de bezoeken thuis lastig en moeilijk vindt. [de minderjarige] laat thuis lastig gedrag zien zoals provoceren, intimideren, manipuleren en bedreigen. Ook zoekt hij de grenzen op en is hij verbaal en fysiek agressief naar zijn moeder en halfbroertje. De moeder en zijn halfbroertje voelen zich onveilig als [de minderjarige] een woedeaanval heeft of als zij zien dat de spanning bij [de minderjarige] oploopt. [de minderjarige] heeft zijn halfbroertje geknepen, zijn hoofd onder water gehouden en lelijke dingen tegen hem gezegd. [de minderjarige] heeft weinig inlevingsvermogen waardoor situaties heel snel uit de hand kunnen lopen. De moeder kan niet met dit gedrag omgaan waardoor er hevige ruzie’s ontstaan en zij [de minderjarige] niet aankan. [de minderjarige] staat – na gesprekken met de groepsleiding – open om voor zijn spanning en boosheid Psycho Motorische Therapie (PMT) te volgen. Hij is voor deze therapie aangemeld, maar het is nog onbekend wanneer hij kan starten. [de minderjarige] heeft in het voorjaar 2024 besloten dat hij, vanwege een meningsverschil, geen contact meer met zijn tante [tante] wil, met wie hij daarvoor een heel goed contact had. Tot op heden wil [de minderjarige] dit contact niet herstellen. De GI vindt dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd moeten worden omdat zijn ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is en er sprake is van veel zorgen. Zo laat [de minderjarige] onvoorspelbaar gedrag zien en doet hij suïcidale uitspraken. Ook kan [de minderjarige] heel bedreigend en intimiderend overkomen omdat hij uitdagend gedrag laat zien en de grenzen opzoekt. Tot slot loopt [de minderjarige] weg, zonder zich bewust te zijn van de gevaren en risico’s. De GI acht het in het belang van [de minderjarige] dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar worden verlengd. De GI wil de komende periode aan de volgende doelen werken: - het (verder opzetten en) monitoren van een goede omgangsregeling met de vader en de moeder; - het inzetten van passende hulpverlening voor [de minderjarige] om het gedrag tussen hem en zijn moeder en halfbroertje te veranderen. 3.
  13. Op de zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat [locatie] een perspectiefbiedende plek voor [de minderjarige] is waar hij zal gaan opgroeien. Hoewel er op de vorige zitting nog gesproken werd over het afschalen naar de gemeente, is in de afgelopen maanden gebleken dat er nog niet naar het vrijwillig kader kan worden afgeschaald. Zo heeft [de minderjarige] suïcidale gedachtes gehad en is hij erg wisselvallig in zijn dagelijks functioneren. Ook is hij weggelopen en is soms sprake geweest van fysieke agressie, waarbij medewerkers hem moesten fixeren om hem rustig te krijgen. Het klopt dat er – mede door wisselingen in het personeel - sprake is geweest van veel onrust op de groep, maar de verwachting is dat dit beter zal worden nu de ‘onrustveroorzaker’ is uitgeplaatst. De jeugdbeschermer spreekt [de minderjarige] eens in de drie maanden en de medewerkers van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ook regelmatig, als zij van hen een bericht krijgt of als ze door de moeder gebeld wordt. De GI staat ervoor open om te onderzoeken of een andere plek, wellicht dichterbij de woonplaats van de moeder, beter voor [de minderjarige] is, maar wijst erop dat [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] daar niet een dergelijke locatie heeft. De GI heeft nog niet bekeken of een locatie van een andere zorgaanbieder tot de mogelijkheden behoort. Tot slot heeft de GI aangegeven dat [de minderjarige] nog steeds op de wachtlijst voor PMT staat. 4De standpunten Het standpunt van de moeder 4.
  14. Door en namens de moeder is op de zitting aangegeven dat zij het met de verzochte verlenging van de maatregelen eens is, maar wel grote zorgen heeft over de huidige verblijfplek van [de minderjarige] . Volgens de moeder is dit niet de goede plek voor [de minderjarige] . Zij wil daarom een overplaatsing, en dan het liefst dichter bij haar in de buurt. De moeder wordt drie tot vier keer per week door [locatie] gebeld en heeft het idee dat de jeugdbeschermer lang niet alles weet. Zij vindt het belangrijk dat [de minderjarige] in een gezinssituatie zal opgroeien, maar weet ook dat zij hem thuis (fysiek) niet aan kan. Het standpunt van de vader 4.
  15. De vader heeft bij de GI aangegeven dat hij het met de verzoeken eens is. 5De mening van [de minderjarige] 5.
  16. heeft bij de GI aangegeven dat ‘het prima is’. 6De beoordeling De ondertoezichtstelling 6.
  17. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken blijkt dat de concrete ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , zoals omschreven in de beschikking van 15 januari 2024, nog steeds onverminderd aanwezig is. [de minderjarige] heeft een belast verleden, waarin hij een instabiele thuissituatie bij de ouders had en getuige is geweest van forse ruzies tussen hen. Daarnaast is hij gediagnosticeerd met een reactieve hechtingsstoornis, een licht verstandelijke beperking, ADHD, PTSS en het XYY syndroom. Dit alles maakt dat hij nog meer dan een gemiddeld kind een voorspelbare, duidelijk gestructureerde opvoedsituatie moet hebben. Ook heeft hij gespecialiseerde opvoeders nodig die kunnen aansluiten bij zijn problematiek. Gebleken is dat de ouders [de minderjarige] vanwege hun eigen problemen en leefomstandigheden niet de opvoeding en aandacht (hebben) kunnen bieden die hij nodig heeft. Hoewel het een jaar geleden nog de intentie van de GI was om de begeleiding van het gezin aan de gemeente over te dragen (waarna de hulp in het vrijwillig kader zou worden voortgezet), is de afgelopen periode gebleken dat de betrokkenheid en regie van de GI nog steeds nodig is. Zo laat [de minderjarige] erg onvoorspelbaar en complex gedrag zien, zoekt hij bij de moeder thuis de grenzen op en doet hij suïcidale uitspraken. Ook is op de zitting gebleken dat onduidelijk is of [locatie] nog wel de juiste plek voor [de minderjarige] is, gelet op de zorgen die de moeder daarover heeft geuit en de toename van de onrust van [de minderjarige] . Van de GI wordt, mede gelet op de toenemende zorgen, verwacht de rol als regiehouder de komende tijd actiever te vervullen, bijvoorbeeld door op eigen initiatief regelmatig contact met [locatie] op te nemen voor informatie over hoe het met [de minderjarige] gaat. 6.
  18. Uit de stukken blijkt verder dat de GI van mening is dat de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Er wordt ook (al enige tijd) niet meer toegewerkt naar terugplaatsing bij (één van) de ouders. De Raad heeft in haar onderzoek naar gezagsbeëindiging (in juli 2023) evenwel geconcludeerd dat het gezag van de ouders in stand kan blijven, omdat er geen aanwijzingen zijn dat het schadelijk is voor [de minderjarige] als het gezag van de ouders in stand gehouden wordt. Hoewel de verwachting dus niet meer gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen, acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] dat de maatregel wordt verlengd. 6.
  19. Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek acht de rechtbank de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling passend. De machtiging tot uithuisplaatsing 6.
  20. Tevens ligt ter beoordeling aan de rechtbank voor het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. Zoals hiervoor reeds overwogen, wordt niet meer toegewerkt naar terugplaatsing bij (één van) de ouders. Ook is gebleken dat een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). [de minderjarige] heeft door zijn complexe problematiek speciale zorg en aandacht nodig die zijn ouders hem niet kunnen bieden. Alle betrokkenen zijn het er ook over eens dat [de minderjarige] niet thuis zal opgroeien en ook de rechtbank onderschrijft dit perspectief. [de minderjarige] verblijft op dit moment bij [locatie] ( [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ). Dit leek een perspectiefbiedende woonplek voor hem te zijn. Tijdens de zitting is evenwel, gelet op hetgeen door de moeder en de GI naar voren is gebracht, gebleken dat er twijfels zijn over de vraag of [locatie] nog wel de juiste plek voor [de minderjarige] is en hem kan bieden wat hij nodig heeft. De rechtbank acht het van belang dat dit in de komende periode door de GI wordt onderzocht - waarbij van de GI ook wordt verwacht om de plaatsing van [de minderjarige] bij andere zorgaanbieders (dichter in de buurt bij de moeder) in overweging te nemen - en zal daarom de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] toewijzen voor de duur van zes maanden (tot 20 juli 2025). Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot een nader te bepalen zitting van de enkelvoudige kamer begin juli
  21. De GI zal daarbij worden verzocht de rechtbank uiterlijk twee weken voor die nader te bepalen zitting schriftelijk te informeren over de actuele stand van zaken en de uitkomst van het onderzoek naar de passende woonplek voor [de minderjarige] . Tot slot zal de GI worden verzocht aan te geven of het verzoek voor het overige wordt gehandhaafd. 7De beslissing De rechtbank: 7.
  22. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 20 januari 2026; 7.
  23. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 juli 2025; 7.
  24. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 7.
  25. houdt de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting van de enkelvoudige kamer, gelegen begin juli 2025, tegen welke zitting de GI, de moeder en haar advocaat, de vader en [de minderjarige] moeten worden opgeroepen; 7.
  26. bepaalt dat de GI de rechtbank uiterlijk twee weken voor die nader te bepalen zitting schriftelijk zal informeren over de actuele stand van zaken, de uitkomst van het onderzoek naar de passende woonplek voor [de minderjarige] en daarbij zal aangeven of het verzoek voor het overige wordt gehandhaafd; Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2025 door mr. G.D. de Jong, mr. J. van Beek en mr. M.H. Simons, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. T.E.J. Bruinen als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari
  27. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.