← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:1477

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/359366 / JU RK 24-1760 (verlenging machtiging gesloten jeugdhulp) en zaaknummer C/15/359360 / JU RK 24-158 (verlenging ondertoezichtstelling) Datum uitspraak: 23 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] , advocaat mr. J.A. van der Lem, kantoorhoudende te Alkmaar. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in op een bij de rechtbank bekend adres. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 27 november 2024; - de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 11 januari 2025, ontvangen op 20 januari 2025; 1.
  2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari 2025 bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , locatie [locatie] , te [plaats] . Daarbij waren aanwezig: [de minderjarige] met zijn advocaat; [begeleider] en stagiaire [stagiaire] , begeleiders van [de minderjarige] bij [locatie] ; [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI; [gedragswetenschapper] , gedragswetenschapper bij [locatie] ; de vader en de moeder hebben op verzoek van [de minderjarige] , na afloop van de zitting, buiten aanwezigheid van [de minderjarige] en zijn advocaat, met de kinderrechter en de overige aanwezigen gesproken. 1.
  3. [de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting, in het bijzijn van zijn advocaat, apart een gesprek gevoerd met de kinderrechter. 2De feiten 2.
  4. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
  5. De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 november 2023 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Vervolgens is [de minderjarige] bij beschikking van 25 januari 2024 definitief onder toezicht gesteld tot 25 januari
  6. 2.
  7. [de minderjarige] is van 24 november 2023 tot 24 juli 2024bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , locatie [locatie] (verder te noemen [locatie] ) gesloten geplaatst geweest. Vervolgens is op 29 juli 2024 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een open voorziening, te weten [open voorziening] , verleend tot uiterlijk 29 augustus
  8. Bij beschikking van 26 september 2024 heeft de kinderrechter een opnieuw verzochte (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van vier weken afgegeven. De beslissing op het overige deel van het hernieuwde verzoek tot gesloten plaatsing is aangehouden tot de zitting van 3 oktober
  9. Op 3 oktober 2024 heeft de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 24 november
  10. Bij beschikking van 7 november 2024 is deze machtiging in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp vervolgens verlengd tot 25 januari
  11. 2.
  12. [de minderjarige] verblijft op dit moment op basis van laatstgenoemde machtiging bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , locatie [locatie] , in [plaats] . 3Het verzoek 3.
  13. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de GI de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing van [de minderjarige] nogmaals te verlengen, dit voor de duur van negen maanden. Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de GI het volgende naar voren gebracht. Ten aanzien van de ondertoezichtstelling 3.
  14. In de afgelopen periode van de ondertoezichtstelling is er gewerkt aan de gestelde doelen waaronder het vergroten van het inzicht van [de minderjarige] in zijn eigen problematiek en middelengebruik, en het opbouwen van pro-sociale contacten. Daarnaast was een doel dat [de minderjarige] opgroeit in een veilige, voorspelbare en gestructureerde opvoedsituatie en dat [de minderjarige] en de ouders op een constructieve manier met elkaar kunnen communiceren. Helaas zijn de doelen niet bereikt en blijft er sprake van een ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] op verschillende leefgebieden. [de minderjarige] heeft tijdens zijn eerste plaatsing bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] [locatie] het traject bij Wij zijn Broer gevolgd. Dit traject is na een aanvankelijk goed verloop, eerder gestopt, omdat [de minderjarige] geen openheid gaf tijdens de therapiesessies. Na dit traject heeft [de minderjarige] geen nieuwe hulpverlening gekregen, omdat hij hier niet voor openstond. Tijdens het verblijf van [de minderjarige] bij [locatie] is er gesproken over een diagnostisch onderzoek van [de minderjarige] . [de minderjarige] gaf echter aan hier niet aan mee te werken, ook niet nadat er meerdere gesprekken hadden plaatsgevonden en aan [de minderjarige] was uitgelegd dat dit ervoor zou kunnen zorgen dat er specifiekere hulp zou kunnen worden ingezet. Uiteindelijk is er voor gekozen om een verklarende analyse te maken, zonder [de minderjarige] , omdat hij hier niet aan wilde meewerken, maar de bij [de minderjarige] betrokken hulpverlening hier wel het nut van inzag. [de minderjarige] ontvangt inmiddels ambulante hulpverlening vanuit de organisatie “ [ambulante hulpverlening] ”. [de minderjarige] gaat wekelijks naar deze gesprekken, wat de GI positief vindt, maar ook daar lijkt [de minderjarige] geen openheid te geven over wat hem bezighoudt en wat hem mogelijk zou kunnen helpen. 3.
  15. Vanaf het moment dat [de minderjarige] bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] [locatie] geplaatst is, is er getracht aan het contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders te werken. [de minderjarige] houdt dit contact echter af, hij wil ook niet dat de ouders bij zittingen zijn. De ouders hebben hulpverlening in de thuissituatie om vanaf hun kant [de minderjarige] te blijven benaderen op een manier die passend is en hen hierin te ondersteunen. Dit betreft hulpverlening vanuit [ambulante hulpverlener] als ambulante hulpverlener en vanuit de gezinscoach van [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] [locatie] . De GI heeft de hulp van het RET (Regionaal Expertise Team) ingeschakeld om mee te denken, aangezien er al veel aangeboden en geprobeerd is, maar [de minderjarige] blijft aangeven hier niet voor open te staan. De GI is van mening dat er gekeken moet worden naar iemand die er voor [de minderjarige] kan zijn en waar hij een klik mee heeft, maar is wel bang dat dit vanuit een hulpverleningsorganisatie moeilijk wordt vanwege het gebrek aan vertrouwen vanuit [de minderjarige] . Naast het RET is de GI ook bezig met een mogelijke aanmelding bij het CCE (Centrum voor Consultatie en Expertise) en wacht af wat het advies van het RET daarvoor is. Ten aanzien van de machtiging gesloten jeugdhulp 3.
  16. De GI is van mening dat de gesloten machtiging verlengd dient te worden, omdat er feitelijk niks veranderd is sinds de afgifte van de gesloten machtiging. Er heeft in het begin van de plaatsing een incident plaatsgevonden waardoor [de minderjarige] een week voor een time-out in [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] heeft verbleven. Dit omdat hij tijdens het incident op de groep dingen heeft vernield en personeel heeft bedreigd. Doordat [de minderjarige] zich niet openstelt voor de hulpverlening is er weinig zicht op wat hem bezighoudt en is er niet genoeg progressie om [de minderjarige] weer terug te plaatsen naar een open groep. De vorige keer is [de minderjarige] vanuit [locatie] naar een open groep door geplaatst op basis van vertrouwen met een plan voor dagbesteding en hulpverlening. Dit leek toen het meest passend voor [de minderjarige] . De GI en de hulpverlening zien nu een open plaatsing (nog) niet als een passend vervolg, omdat [de minderjarige] niet openstaat voor verandering en niet inziet wat de gevolgen zijn van zijn daden. De GI is van mening dat [de minderjarige] op het moment dat hij in een open setting komt opnieuw een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving is, omdat er geen zicht is op met wie hij contact heeft en wat maakt dat [de minderjarige] zich de vorige keer heeft onttrokken. 3.
  17. De GI heeft op de zitting -samengevat- het volgende toegevoegd. De vaste jeugdbeschermer heeft vorige week een gesprek gehad met [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft hierin aangegeven dat hij graag naar een open groep wil. Naar aanleiding van dit gesprek hebben de GI, [de minderjarige] en zijn begeleider gezamenlijk een plan opgesteld om te onderzoeken welke stappen nodig zijn om plaatsing in een open groep mogelijk te maken. Hoewel de GI positief staat tegenover het uitgangspunt van [de minderjarige] , blijven er vooralsnog zorgen bestaan over zijn veiligheid. Het is daarom noodzakelijk te onderzoeken hoe deze veiligheid kan worden geborgd. De GI is van mening dat een plaatsing op een open groep op dit moment te vroeg komt. De GI vindt het knap van [de minderjarige] dat hij heeft nagedacht over een plan en ziet hierin aanknopingspunten om vanuit de geslotenheid van [locatie] te gaan toewerken naar verblijf op een open groep. Wanneer het plan zorgvuldig is uitgewerkt en er goede afspraken zijn en duidelijk wordt op welke manier [de minderjarige] aan zijn doelen gaat werken, ziet de GI wel mogelijkheden voor een gesloten plaatsing van kortere duur dan de nu verzochte negen maanden 4De standpunten standpunt van [de minderjarige] 4.
  18. [de minderjarige] heeft bij de kinderrechter aangegeven dat het na zijn time-out bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] beter met hem gaat. Hij maakt gebruik van de extra begeleiding op de groep en met name met zijn begeleider [begeleider] heeft hij een goede band. [de minderjarige] had veel steun aan de 1-op-1 begeleiding die hij kreeg. Dit is sinds kort gestopt maar [de minderjarige] wil graag dat dit weer wordt opgestart. [de minderjarige] denkt eraan om [begeleider] te vragen of hij zijn [begeleider] wil zijn. Vanuit de 1-op1- begeleiding is onder meer de oplossing gevonden om, als het [de minderjarige] allemaal te veel is en hij voelt dat hij boos wordt, een stukje te gaan rijden in de auto en naar muziek te luisteren. Hier wordt hij rustig van. [de minderjarige] heeft verder aangegeven het saai te vinden op school, omdat de stof niet aansluit bij wat hij graag wil leren. Hij werkt graag met zijn handen en zou een BBL-opleiding in de bouw willen volgen. [de minderjarige] heeft samen met [begeleider] een plan opgesteld om vanuit [locatie] , eventueel met een tussenstap bij de [groep] , door te stromen naar [open groep] in [plaats] . [de minderjarige] begrijpt dat hij nu niet meteen naar een open groep kan maar verwacht dat een gesloten machtiging voor de duur van 6 maanden voldoende is. [de minderjarige] is op verlof geweest naar zijn opa. Dit vond hij heel fijn. Hij zou graag naar zijn opa willen. 4.
  19. De advocaat van [de minderjarige] heeft naar voren gebracht dat de doelen van de ondertoezichtstelling veelal betrekking hebben op de relatie tussen [de minderjarige] en zijn ouders. [de minderjarige] kan zich niet vinden in deze doelen en de GI zou samen met [de minderjarige] in gesprek moeten gaan om deze doelen te heroverwegen. Het toekomstplan wat [de minderjarige] heeft opgesteld geeft antwoord op de doelen die gesteld zouden moeten worden en over het perspectief van [de minderjarige] . In aansluiting bij [de minderjarige] verzoekt de advocaat de machtiging voor een beperkte duur toe te wijzen, bij voorkeur voor drie maanden. Ook de advocaat van [de minderjarige] benadrukt het belang van [de minderjarige] bij het voortduren van de 1-op-1 begeleiding voor [de minderjarige] . standpunt van de gedragswetenschapper van [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] 4.
  20. De gedragsdeskundige van [locatie] heeft bevestigd dat de 1-op-1 begeleiding van [de minderjarige] op de groep gestopt is. Nu zij hoort dat [de minderjarige] aangeeft hier nog steeds behoefte aan te hebben en ook [begeleider] het belang hiervan voor [de minderjarige] bevestigd, zal zij bespreken of dit weer kan worden opgestart. [de minderjarige] krijgt overigens nog wel begeleiding tijdens de onderwijsblokken. De gedragsdeskundige is blij dat [de minderjarige] iemand in gedachten heeft als [begeleider] . In beginsel is het mogelijk dat de [begeleider] een groepsleider betreft. De gedragswetenschapper staat niet achter een machtiging voor een gesloten plaatsing van negen maanden, omdat zij het vertrouwen heeft dat [de minderjarige] eerder, binnen een aantal maanden, naar een open groep kan gaan. standpunt van begeleider [begeleider] 4.
  21. Door [begeleider] is naar voren gebracht dat het beter gaat met [de minderjarige] sinds hij terug is uit [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] . Hij maakt gebruik van de extra begeleiding op de groep en heeft hier zichtbaar baat bij. Vooral wanneer hij in tweestrijd verkeerd over hoe hij moet reageren in bepaalde situaties zoekt [de minderjarige] [begeleider] op ter ondersteuning. [de minderjarige] is op de toekomst gericht en wil uiteindelijk graag naar [open groep] in [plaats] . Dit is een kleinschalige woonvoorziening [de minderjarige] kan daar 1-op-1 een traject volgen om terug te keren in de maatschappij. [de minderjarige] wil de regio [regio] graag achter zich laten. Samen met [begeleider] heeft [de minderjarige] een plan opgesteld om dit doel te bereiken. [begeleider] heeft verder naar voren gebracht dat hij ervoor open staat om de [begeleider] voor [de minderjarige] te worden. Ook als [de minderjarige] naar [open groep] in [plaats] gaat kan [begeleider] bij [de minderjarige] betrokken blijven. standpunt van de ouders 4.
  22. De ouders hebben bij de kinderrechter aangegeven dat zij het op zichzelf eens zijn met de verzoeken van de GI maar dat zij vinden dat er aandacht dient te worden besteed aan wat [de minderjarige] nodig heeft. De ouders hopen dat [de minderjarige] de motivatie kan vinden om het plan dat hij heeft opgesteld na te komen en dat uiteindelijk de stap naar een open groep kan maken. Daarnaast hopen de ouders dat de begeleider van [de minderjarige] betrokken kan blijven. 5De beoordeling Ten aanzien van de ondertoezichtstelling 5.
  23. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. 5.
  24. [de minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn het uitblijven van acceptatie van hulpverlening door [de minderjarige] en het gebrek aan inzicht in zijn eigen handelen. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat het de afgelopen weken beter gaat met [de minderjarige] bij [locatie] . Positief is dat hij samen met zijn 1-op-1 begeleider een plan heeft opgesteld. Het lijkt erop dat [de minderjarige] zich voorzichtig iets meer open gaat stellen voor de hulpverleners om hem heen. De positieve ontwikkeling van [de minderjarige] is echter nog pril en de doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling moest worden gewerkt zijn nog niet behaald. De kinderrechter begrijpt de weerstand van [de minderjarige] maar acht het toch van belang dat hij in contact treedt met de hulpverlening en afspraken maakt over de gestelde doelen voor de ondertoezichtstelling, in het bijzonder het verwerken van dingen die zich in het verleden hebben afgespeeld. De kinderrechter hoopt dat [begeleider] , de begeleider van [de minderjarige] , bij hem betrokken kan blijven. Het lijkt erop dat [de minderjarige] in hem iemand heeft gevonden die hij vertrouwt en dit zijn gevoel van veiligheid vergroot. Het praten met een vertrouwenspersoon kan mogelijk een begin zijn voor [de minderjarige] om de vervelende gebeurtenissen in zijn leven te verwerken. Duidelijk is dat [de minderjarige] op dit moment niet openstaat voor contact herstel met zijn ouders. De kinderrechter begrijpt dat dit verdrietig is voor de ouders maar is met de raadsman van [de minderjarige] van oordeel dat het goed zou zijn als de GI de komende periode met [de minderjarige] in gesprek gaat over de doelen van de ondertoezichtstelling en samen met hem bespreekt aan welke doelen gewerkt kan worden en welke doelen haalbaar zijn. Wellicht kan [de minderjarige] zich hierbij mede laten ondersteunen door [begeleider] . 5.
  25. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met twaalf maanden. Ten aanzien van de machtiging gesloten jeugdhulp 5.
  26. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 5.
  27. De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting van oordeel dat een machtiging gesloten jeugdhulp voor [de minderjarige] op dit moment nog noodzakelijk is. De kinderrechter zal de machtiging wel afgeven voor een kortere duur dan is verzocht. Op de zitting is gebleken dat het beter gaat met [de minderjarige] en dat hij goede stappen heeft gezet. Het plan dat [de minderjarige] samen met zijn begeleider heeft opgesteld, lijkt een realistisch plan. Met de GI en de gedragswetenschapper van [locatie] acht de kinderrechter het is van belang dat, in samenwerking met [de minderjarige] er goede afspraken gemaakt worden om toe te werken naar een open vervolgplek en dat [de minderjarige] ter voorbereiding hierop, vanuit de geslotenheid van [locatie] geleidelijk en op verantwoorde wijze leert omgaan met meer vrijheden. Hierbij zou ook gekeken kunnen worden naar verloven van [de minderjarige] met of naar zijn opa. 5.
  28. Gelet op het voorgaande verleent de kinderrechter de machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van vier maanden, te weten tot 25 mei 2025, en houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting eind april
  29. In 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  30. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 25 januari 2026; 6.
  31. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  32. verleent een machtiging om [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 25 mei 2025; 6.
  33. houdt de beslissing op het verzoek van de GI ten aanzien van het meer verzochte aan tot een zitting op een nader te bepalen datum en tijdstip in april 2025, verzoekt te GI uiterlijk 1 week voor de volgende zitting aan de rechtbank te laten weten of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd en de rechtbank informatie te verstrekken over de recente situatie; 6.
  34. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025, in aanwezigheid van M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 7 februari
  35. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.