← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:14911

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11270404 \ CV EXPL 24-5890 Uitspraakdatum: 17 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1], wonende te [plaats 1]

  1. [eiser 2]wonende te [plaats 2]
  2. [eiser 3]wonende te [plaats 3]
  3. [eiser 4]
  4. [eiser 5] beiden wonende te [plaats 4] eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim) tegen de vennootschap naar buitenlands recht Royal Air Maroc gevestigd te Casablanca, Marokko gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke) De zaak in het kort De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een langdurig vertraagde vlucht. De vervoerder voert onder meer aan dat hij een van de passagiers al gecompenseerd heeft. Het betoog van de vervoerder slaagt niet en de vorderingen van de passagiers worden toegewezen. 1Het procesverloop 1.
  5. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek;- de akte eisers. 1.
  6. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  7. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 31 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Nador, Marokko, met vlucht AT1681 (hierna: de vlucht). 2.
  8. De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming. 2.
  9. De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.
  10. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
  11. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraging van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 300,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de nakosten. 3.
  12. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon. 3.
  13. De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil. 4De beoordeling 4.
  14. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
  15. De vervoerder betwist dat de passagiers Aviclaim (geldig) hebben gemachtigd om hen in deze procedure te vertegenwoordigen. Hij voert aan dat de handtekeningen op de overgelegde volmachten afwijken van de handtekeningen in de paspoorten van de passagiers. 4.
  16. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De kantonrechter oordeelt dat de passagiers met het overleggen van de boekingsbescheiden en de kopieën van hun paspoorten en omdat de vervoerder niet heeft betwist dat zij een bevestigde boeking hadden voor de vlucht, voldoende concreet hebben gesteld en onderbouwd dat zij Aviclaim hebben gemachtigd om namens hen te procederen. Omdat zij deze documenten al bij dagvaarding hebben overgelegd, gaat de kantonrechter voorbij aan het verzoek van de vervoerder om nog te mogen reageren op de producties die de passagiers bij conclusie van repliek hebben overgelegd om deze stelling nader te onderbouwen. 4.
  17. De vervoerder stelt daarnaast dat de vordering van passagier sub 5 moet worden afgewezen, dan wel dat zij niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat zij al eerder een procedure heeft gevoerd waarbij zij compensatie heeft gevorderd voor de vertraging van de vlucht in kwestie. Weliswaar heeft zij in die zaak aan haar vordering ten grondslag gelegd dat een vlucht op 28 juli 2022 is geannuleerd, maar na die annulering is zij omgeboekt naar de vlucht in kwestie. Daarmee zijn beide vluchten onderdeel van dezelfde reis. 4.
  18. De passagiers erkennen dit maar voeren aan dat passagier sub 5 twee keer recht heeft op compensatie; een keer voor de annulering van de vlucht van 28 juli 2022 – waarvoor de andere procedure is opgestart – en een keer voor de langdurige vertraging van de vlucht in kwestie. 4.
  19. Het betoog van passagiers slaagt. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat een passagier die al compensatie heeft verkregen voor een geannuleerde vlucht, maar wordt omgeboekt op een alternatieve vlucht, die vervolgens langdurig vertraagd wordt uitgevoerd, nogmaals aanspraak kan maken op compensatie. In de eerdere procedure legde passagier sub 5 aan haar vordering tot compensatie ten grondslag dat de vlucht van 28 juli 2022 was geannuleerd. In deze procedure baseren de passagiers hun vorderingen op de stelling dat de vlucht in kwestie langdurig vertraagd is uitgevoerd. Daarom kan passagier sub 5 in beginsel nogmaals aanspraak maken op compensatie. De enkele omstandigheid dat in de dagvaarding van die andere procedure ook stond vermeld dat passagier sub 5 door de annulering van de vlucht van 28 juli 2022 meer dan drie uur later op de eindbestemming is aangekomen, maakt dit niet anders. 4.
  20. Voor zover de vervoerder subsidiair heeft aangevoerd dat de passagiers niet aan hun stelplicht zouden hebben voldaan, overweegt de kantonrechter dat de passagiers in de dagvaarding het vluchtnummer en de datum van de vlucht in kwestie hebben genoemd. Daarnaast hebben zij gesteld dat de vlucht met 4 uur en 11 minuten vertraging is uitgevoerd. Daarmee hebben de passagiers aan de stelplicht voldaan. De vervoerder heeft de gestelde vertragingsduur onvoldoende gemotiveerd betwist. De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek van de vervoerder om nog te mogen reageren op de producties die de passagiers bij conclusie van repliek hebben overgelegd om deze stelling nader te onderbouwen omdat zij bij dagvaarding aan hun stelplicht hebben voldaan en een eventuele reactie van de vervoerder op deze producties dat niet anders maakt. De gevorderde hoofdsom zal als anderszins onbetwist worden toegewezen. 4.
  21. De passagiers hebben wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf de datum van de annulering van de vlucht. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. Dat is de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. De werkwijze en proceshouding van de passagiers – waar hierna op in zal worden gegaan – doen hier niet aan af. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de vlucht. 4.
  22. Ten slotte stelt de vervoerder dat hij rauwelijks is gedagvaard. Hij voert aan dat de onderhavige procedure onnodig aanhangig is gemaakt omdat de passagiers een procedure hadden kunnen voorkomen door de vordering op de juiste wijze in te dienen (via zijn website). De gemachtigde van de passagiers heeft op 19 augustus en 14 november 2022 en op 9 februari 2023 aanmaningen namens de passagiers verstuurd naar een e-mailadres van de vervoerder. Hierop is een automatisch antwoord verstuurd dat verwijst naar de website van de vervoerder. De passagiers hebben hun vordering volgens de vervoerder niet via deze website ingediend. 4.
  23. De kantonrechter overweegt dat het indienen van een buitengerechtelijk verzoek tot compensatie in beginsel vormvrij is. De vervoerder heeft erkend dat de aanmaningen hem per e-mail hebben bereikt. De omstandigheid dat de passagiers de vordering niet (ook) via de website van de vervoerder hebben ingediend, maakt dit niet anders. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake. 4.
  24. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. 4.
  25. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij hebben niet gesteld dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden. 4.
  26. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  27. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 31 juli 2022, en over € 300,00 vanaf 26 juli 2024, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen; 5.
  28. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 408,00; vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis; 5.
  29. veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis; 5.
  30. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  31. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Artikel 7 van de Verordening. In die procedure is al vonnis gewezen: Rb. Noord-Holland 12 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:
  32. HvJEU 12 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:
  33. Rb. Noord-Holland 12 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:
  34. Artikel 6:83 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.