← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:14920

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9148249 \ CV EXPL 21-2510 Uitspraakdatum: 17 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1], wonende te [plaats 1]

  1. [eiser 2]
  2. [eiser 3] beiden wonende te [plaats 2]
  3. [eiser 4]
  4. [eiser 5] beiden wonende te [plaats 3]
  5. [eiser 6]wonende te [plaats 4]
  6. [eiser 7]wonende te [plaats 5]
  7. [eiser 8]
  8. [eiser 9] beiden wonende te [plaats 4]
  9. [eiser 10]
  10. [eiser 11] beiden wonende te [plaats 6] eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.) tegen de buitenlandse vennootschap: FZE Free Zone Establishment (Verenigde Arabische Emiraten) Emirates gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.) De zaak in het kort De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een vertraagde vlucht. Hierdoor hebben zij hun aansluitende vlucht gemist, waardoor zij langdurig vertraagd op hun bestemmingen zijn aangekomen. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding en vertraging bij het ijsvrij maken (‘de-icing’) van het vliegtuig. Het verweer van de vervoerder slaagt en de vorderingen van de passagiers worden afgewezen. 1Het procesverloop 1.
  11. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.
  12. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  13. De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. 2.
  14. Op grond van de vervoersovereenkomst moest de vervoerder passagiers sub 1, sub 2, sub 3, sub 4, sub 5, sub 10 en sub 11 op 30 en 31 januari 2019 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, naar Denpasar, Indonesië, met vluchtcombinatie EK150 en EK
  15. 2.
  16. Op grond van de vervoersovereenkomst moest de vervoerder passagiers sub 6, sub 7, sub 8 en sub 9 op 30 en 31 januari 2019 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, naar Yangon, Myanmar, met vluchtcombinatie EK150 en EK
  17. 2.
  18. De vervoerder heeft vlucht EK150 van Amsterdam naar Dubai (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn allen met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemmingen. 2.
  19. De passagiers hebben daarom compensatie van de ticketprijzen van de vervoerder gevorderd. 2.
  20. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
  21. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 6.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 853,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
  22. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon. 3.
  23. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. 4De beoordeling 4.
  24. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
  25. Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. 4.
  26. Volgens de vervoerder was de vertrekvertraging van de vlucht voor de duur van 41 minuten het gevolg van een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Vervolgens is de vlucht nader vertraagd omdat het toestel in de rij moest aansluiten om ijsvrij gemaakt te worden. Uiteindelijk is de vlucht met 44 minuten vertraging uitgevoerd. Daardoor hebben de passagiers de aansluitende vluchten gemist. 4.
  27. De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de vervoerder ter onderbouwing van zijn stellingen over de latere opgelegde vertrektijd alleen interne documenten heeft overgelegd. Daarnaast betwisten zij dat het ijsvrij maken van het toestel een buitengewone omstandigheid betreft. Zij voeren aan dat dit inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij die in januari op Amsterdam vliegt. 4.
  28. Over de bewijskracht van het vluchtrapport overweegt de kantonrechter dat het enkele feit dat dit een intern document betreft, niet betekent dat hieraan een lage(re) mate van bewijskracht toekomt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de vertrekvertraging van de vlucht voor de duur van 41 minuten het gevolg was van een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Als de luchtverkeersleiding een toestel een latere vertrektijd oplegt, kan dit niet toch eerder vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij kan daar ook geen invloed op uitoefenen. Daarom was dit gedeelte van de vertraging van de vlucht het gevolg van buitengewone omstandigheden. 4.
  29. Daarnaast kunnen zowel het wachten op de-icing als de de-icingprocedure zelf een buitengewone omstandigheid vormen, mits dat voldoende wordt onderbouwd. Het is daarbij aan de betrokken luchtvaartmaatschappij om omstandigheden aan te voeren waarom het ijsvrij maken van het toestel in het betreffende geval niet inherent was aan de normale uitvoering van de bedrijfsactiviteit van deze luchtvaartmaatschappij en dat zij daarop ook geen daadwerkelijke invloed kon uitoefenen. Dat geldt ook voor eventuele congestie op de luchthaven of problematiek bij de grondafhandelaar in de uitvoering daarvan. 4.
  30. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder in dit geval voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat de omstandigheden waren aan te merken als buitengewoon. Met name heeft hij voldoende toegelicht dat de weersomstandigheden niet waren voorspeld en dat weersomstandigheden waarin toestellen ijsvrij gemaakt moeten worden, niet vaak voorkomen op de luchthaven van Amsterdam. Ook heeft de vervoerder voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat hij hierbij afhankelijk was van de grondafhandelaar. Naar het oordeel van de kantonrechter kon er in dit geval niet van hem worden verwacht – zoals de passagiers betogen – dat hij al met een dergelijke vertraging rekening hield in de planning van de vlucht. Als onbetwist staat vast dat de passagiers door deze omstandigheden de aansluitende vlucht hebben gemist. Al met al was de langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming daarmee het gevolg van buitengewone omstandigheden. 4.
  31. Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging vanwege de buitengewone omstandigheden te voorkomen of te beperken. Hij voert aan dat het sneller uitvoeren van de de-icingprocedure niet mogelijk was vanwege de rijen voor de faciliteiten van de luchthaven. Wel heeft hij de passagiers nadat duidelijk werd dat zij de aansluitende vlucht zouden missen omgeboekt op de snelste alternatieve vlucht naar de eindbestemming. 4.
  32. De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat passagiers sub 1, sub 2, sub 3, sub 4, sub 5, sub 6, sub 7, sub 8 en sub 9 met een vertraging van meer dan een dag op de eindbestemming zijn aangekomen. Voor alle passagiers waren er eerdere vluchten beschikbaar, aldus de passagiers. 4.
  33. De kantonrechter overweegt dat het in beginsel geen redelijke maatregel is als passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht een dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag op de eindbestemming aankomen, tenzij de vervoerder aantoont dat er geen andere mogelijkheid was voor een alternatieve vlucht die minder laat aankwam, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht een onaanvaardbaar offer betekende. 4.
  34. Vast staat dat passagiers sub 1, sub 2, sub 3, sub 4, sub 5, sub 6, sub 7, sub 8 en sub 9 met een vertraging van meer dan een dag op de eindbestemming zijn aangekomen, zodat de aangeboden alternatieve vlucht in beginsel geen redelijke maatregel was. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder echter voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat dit de eerste mogelijkheid was. Weliswaar hebben de passagiers een overzicht van alternatieve vluchten overgelegd, maar de vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat deze vluchten allemaal vertrokken vanaf Amsterdam. De vertraging heeft zich pas voorgedaan toen alle passagiers al in het toestel zaten en de deuren al waren gesloten. Bij het boarden en het sluiten van de deuren was het nog niet bekend dat de passagiers de aansluitende vluchten zouden missen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in een dergelijk geval niet van de vervoerder verwacht worden dat hij de passagiers in kwestie alsnog uit laat stappen en proactief omboekt naar een alternatief, hetgeen, zoals de vervoerder ook aanvoert, tot nog meer vertraging van de vlucht in kwestie zou leiden. Voor de passagiers sub 10 en sub 11 hebben de passagiers in het geheel niet aangevoerd dat er eerdere opties beschikbaar waren. 4.
  35. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van de vervoerder kon worden verwacht. Daarmee heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken. De vorderingen van de passagiers zullen worden afgewezen. 4.
  36. De passagiers zullen in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van dit vonnis. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  37. wijst de vordering af; 5.
  38. veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 678,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder, en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 135,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van dit vonnis. 5.
  39. verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:
  40. HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.