← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:1558

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/357463 / JU RK 24-1457 Datum uitspraak: 31 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 4] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , advocaat mr. A. Fakiri, kantoorhoudende te Den Haag, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] , advocaat mr. R. Croes-Bleijendaal, kantoorhoudende te Heerhugowaard. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 31 oktober 2024; het bericht van de GI over de actuele stand van zaken met bijlagen van 16 januari 2025, ingekomen op 22 januari 2025; de aanvullende productie ingediend namens de moeder, ingekomen op 27 januari
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 januari
  4. Daarbij waren aanwezig: - de vader bijgestaan door mr. A. Hayaty (waarnemend voor mr. A. Fakiri); - de moeder bijgestaan door mr. Y. Bruin (waarnemend voor mr. R. Croes-Blijendaal) en haar mentor [mentor] ; - [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI. 1.
  5. Tevens waren op de zitting aanwezig [tolk] , tolk Aghaans voor de vader, en [tolk] , tolk Afghaans voor de moeder. 1.
  6. De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben van de gelegenheid om hun mening kenbaar te maken geen gebruik gemaakt. 2De feiten 2.
  7. De moeder heeft de Afghaanse nationaliteit en de nationaliteit van de vader is onbekend. De nationaliteit van de kinderen is ook onbekend. 2.
  8. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. 2.
  9. De kinderen hebben van 29 maart 2021 tot 29 maart 2024 onder toezicht gestaan van de GI. 2.
  10. Bij beschikking van 23 mei 2024 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de kinderen (opnieuw) onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling duurt thans nog voort tot 23 mei
  11. 2.
  12. Op 21 juni 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 19 oktober
  13. Het verzoek van de GI om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen stond gepland voor behandeling bij de rechtbank op 17 oktober
  14. Wegens onvoorziene omstandigheden heeft de zitting niet plaatsgevonden en is de machtiging ambtshalve verlengd tot 2 november
  15. 2.
  16. Bij beschikking van 31 oktober 2024 is de machtiging om [de minderjarige 1] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 2 februari
  17. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot onderhavige zitting. 2.
  18. Op basis van voornoemde machtiging verblijven de kinderen bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] (hierna: [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ). 3Het verzoek 3.
  19. De GI heeft verzocht het resterende deel van de verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] toe te wijzen, te weten tot het einde van de ondertoezichtstelling. Ter zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd in die zin dat de GI verzoekt de verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toe te wijzen voor de duur van vier weken en de beslissing over het resterende deel van de machtiging uithuisplaatsing aan te houden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  20. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI schriftelijk het volgende naar voren gebracht. De vier kinderen zijn met spoed uit huis geplaatst, nadat [de minderjarige 1] op 20 juni 2024 fysiek is mishandeld door de vader. De vader heeft vanwege de verdenking van kindermishandeling tot oktober vorig jaar in voorlopige hechtenis gezeten. De kinderen verblijven sinds die tijd bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . In de afgelopen periode heeft er omgang plaatsgevonden tussen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] en de ouders. Deze is, op twee keer na, begeleid geweest door jeugdbeschermers van de GI. De bezoeken vonden voorheen plaats op het kantoor van de GI. In december is de locatie van de omgang gewijzigd, omdat er wordt toegewerkt naar thuisplaatsing. De afgelopen twee omgangsmomenten hebben zonder begeleiding bij de ouders thuis plaatsgevonden. Vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is een positieve terugkoppeling ontvangen. De kinderen geven aan dat zij genieten van de tijd met hun ouders en dat zij graag weer thuis willen wonen. De ouders vinden het plaatsvinden van de omgang in de thuissituatie prettiger dan op het kantoor van de GI. 3.
  21. [de minderjarige 1] laat nog steeds veel boosheid en verdriet zien en voelt zich bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] gevangen. In december 2024 heeft er een onderzoek naar eergerelateerd geweld plaatsgevonden. [de minderjarige 1] heeft samen met haar begeleidster, een vaktherapeut van Praktijk [Praktijk] , een drietal gesprekken gevoerd met een onderzoeker van politie [regio] . [de minderjarige 1] deelde mee dat zij regelmatig werd geslagen door haar vader. Dit was om verschillende redenen, maar de laatste tijd vooral als zij in contact was met jongens of er vermoedens waren hieromtrent. [de minderjarige 1] wil zich als tiener vrij kunnen voelen en zich richten op haar toekomst. Ze vindt het belangrijk dat zij haar eigen keuzes kan maken op het gebied van partners en relaties. De ouders gaan akkoord met de wensen van [de minderjarige 1] . Volgens hen is er geen sprake van het uithuwelijken van [de minderjarige 1] . De conclusie van het onderzoek is dat er geen sprake is van eerwraak. Er wordt geconcludeerd dat er binnen het gezin sprake is een traditionele opvoeding, waarbij de zoons duidelijk een andere status genieten dan de dochters. Tevens wordt “verkeerd” gedrag met geweld gecorrigeerd. Het advies van de onderzoeker is dat de hulpverlening het gezin goed bij moet staan in de opvoeding van de kinderen. 3.
  22. Tot voor kort werden alle vier de kinderen apart begeleid door Praktijk [Praktijk] . Zij zijn gestopt omdat Praktijk [Praktijk] niet is ingekocht binnen het samenwerkingsverband van waaruit de zorg wordt gefinancierd. De GI is aan het onderzoeken of de hulpverlening vanuit Praktijk [Praktijk] alsnog verlengd kan worden. De moeder ontvangt persoonlijke begeleiding vanuit SIG middels een WLZ-indicatie. De moeder is aangemeld bij de Hartekampgroep voor een intensief traject met diagnostiek en behandeling, onder andere gericht op emotieregulatie. De vader is nog in afwachting van de strafzitting en heeft geen hulpverlening. De GI is van mening dat er eerst opvoedondersteuning ingezet moet worden voordat (de jongste drie) kinderen bij de vader teruggeplaatst kunnen worden. De GI concludeert dat de bedreiging voor de veiligheid van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] deels is afgenomen. Echter, er is nog geen passende begeleiding bij beide ouders om de kinderen op een voor hen veilige manier naar huis te laten gaan. Wanneer [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] terug naar huis zouden gaan, is een veiligheidsplan waar alle partijen zich aan houden noodzakelijk. 3.
  23. Op de zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd en als volgt verder toegelicht. Er is in de laatste weken door de GI hard gewerkt om de thuisplaatsing van de kinderen op korte termijn te realiseren. De GI heeft contact gezocht met verschillende partijen om te onderzoeken welke partij de hulpverlening, die de GI nodig acht, bij de ouders kan inzetten. Youthcare heeft onlangs aangegeven de hulpverlening bij de ouders te kunnen gaan starten. Er wordt ingezet op 12 uur per week ambulante opvoedondersteuning bij de moeder en 12 uur per week ambulante opvoedondersteuning bij de vader. Omdat de hulpverlening eerder kan starten dan verwacht heeft de GI besloten het verzoek te wijzigen in die zin dat de verlenging uithuisplaatsing voor de duur van vier weken wordt verzocht, onder aanhouding van het resterende deel. Dit stelt de GI in staat een veiligheidsplan op te stellen en de hulpverlening bij de ouders op te starten. Daarnaast heeft de GI naar voren gebracht dat [de minderjarige 1] inmiddels feitelijk bij de moeder verblijft. Ze is weggegaan bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en heeft aangegeven dat wanneer ze terug moet, ze zal weglopen. De GI is van mening dat de thuissituatie van de moeder nog niet veilig genoeg is, maar heeft ook de angst het zicht op [de minderjarige 1] kwijt te raken, wanneer ze verplicht wordt om terug te gaan naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Ook [de minderjarige 3] is buiten de afspraken om thuis geweest, omdat hij ziek was, maar zodra hij beter was, is hij wel teruggebracht naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Voor de kinderen gaat er mogelijk hulp worden ingezet van Inzowijs, die de hulpverlening die vanuit Praktijk [Praktijk] werd geboden, kan voortzetten. 4De standpunten het standpunt van de vader 4.
  24. Door en namens de vader is op de zitting aangegeven dat hij het niet eens is met het verzoek van de GI. Er is al een paar keer toegezegd dat er een veiligheidsplan zou worden opgesteld, zodat de kinderen naar huis kunnen komen. Het moment van thuiskomst wordt echter steeds vooruitgeschoven en de vader heeft er geen vertrouwen in dat het dit keer wel binnen vier weken gaat lukken om een veiligheidsplan op te stellen. De vader verzoekt de kinderrechter het verzoek van de GI af te wijzen, zodat er druk staat op de thuisplaatsing van de kinderen. De vader heeft verder naar voren gebracht dat twee van de drie kinderen ziek zijn en daardoor meer zorg nodig hebben en dat die zorg thuis het beste kan worden geboden. het standpunt van de moeder 4.
  25. Door en namens de moeder is op de zitting in eerste instantie aangegeven dat zij het eens is met het gewijzigde verzoek van de GI en dat zij mee wil werken aan de opvoedondersteuning. De moeder heeft vervolgens aangegeven het met het standpunt van de vader eens te zijn en te willen dat het verzoek van de GI wordt afgewezen. De moeder wil ook graag dat de kinderen direct naar huis komen. Nog vier weken wachten vindt de moeder te lang. De situatie zorgt voor veel onrust bij de kinderen, die niet weten waar ze aan toe zijn en die graag naar huis willen. De moeder heeft verder aangegeven dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij haar zal zijn. [de minderjarige 1] is blij dat ze nu al bij de moeder is en het gaat goed met haar. Ze is wel angstig als er iemand aanbelt, omdat ze bang is dat ze terug moet naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . 5De beoordeling bevoegdheid 5.
  26. Door de omstandigheid dat de moeder de Afghaanse nationaliteit heeft en de nationaliteit van de kinderen en de vader onbekend is, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het onderhavige verzoek. Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 7 Brussel II-ter rechtsmacht toe en kan de rechter een oordeel geven over dit verzoek. 5.
  27. Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is in deze zaken. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing op onderhavig verzoek. verlenging machtiging uithuisplaatsing 5.
  28. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. 5.
  29. De GI heeft het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing ter zitting gewijzigd in die zin dat de machtiging voor een kortere duur wordt verzocht, omdat de GI werkt aan een spoedige thuisplaatsing van de kinderen. De GI heeft aangegeven dat het noodzakelijk is dat de hulpverlening bij de ouders in de thuissituatie wordt opgestart en dat er in overleg met de ouders en hulpverlening een veiligheidsplan komt, alvorens de thuisplaatsing wordt gerealiseerd. De GI heeft daarnaast aangegeven dat het haalbaar is het veiligheidsplan binnen vier weken op te stellen, nu de hulpverleningsorganisatie Youthcare heeft toegezegd de begeleiding bij de ouders thuis te kunnen uitvoeren. De kinderrechter stelt vast dat de uithuisplaatsing van de kinderen het gevolg is geweest van ernstige onveiligheid in de thuissituatie. In het belang van de veiligheid van de kinderen acht de kinderrechter het, met de GI, noodzakelijk dat er eerst hulpverlening wordt opgestart in de thuissituatie en er een veiligheidsplan wordt opgesteld, voordat de kinderen kunnen terugkeren naar huis. Dat de GI hiervoor heeft moeten wachten op de beschikbaarheid van een geschikte partij die deze hulpverlening kan bieden, leidt er niet toe dat de vereisten voor een veilige thuisplaatsing dienen te worden losgelaten. Gezien de eerdere en nog steeds bestaande zorgen is het een grote stap om de kinderen weer naar huis te laten gaan en het is bijzonder belangrijk dat het voor de ouders duidelijk is wat de veiligheidsafspraken zijn en op naleving daarvan kan worden toegezien. 5.
  30. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] dan ook voor de duur van vier weken, te weten tot 2 maart 2025, zodat de GI in samenwerking met de ouders en de hulpverlening van Youthcare een veiligheidsplan kan opstellen. De beslissing over het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden tot de pro forma datum van 19 februari
  31. 5.
  32. De rechtbank verzoekt de GI om uiterlijk 19 februari 2025 informatie te verstrekken over de recente stand van zaken en hierbij tevens aan te geven of het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing wordt gehandhaafd. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  33. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van - [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , - [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , - [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , - [de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 maart 2025; 6.
  34. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  35. houdt de beslissing ten aanzien van het meer verzochte aan; 6.
  36. draagt de GI op om uiterlijk op 19 februari 2025 informatie te verstrekken over de recente stand van zaken en hierbij tevens aan te geven of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd. Deze beschikking is gegeven door mr. C. Maat, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 14 februari
  37. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.