← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:15600

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11256758 \ CV EXPL 24-5613 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1],wonende te [plaats 1]

  1. [eiser 2]wonende te [plaats 2]
  2. [eiser 3]wonende te [plaats 3]
  3. [eiser 4]wonende te [plaats 4]
  4. [eiser 5]wonende te [plaats 5] eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: O. Rostovceva (Yource B.V.) tegen de vennootschap naar buitenlands recht Egypt Airlines Company gevestigd te Caïro, Egypte gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke) De zaak in het kort De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een technisch mankement en een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Het betoog van de vervoerder slaagt niet en de vorderingen van de passagiers worden (grotendeels) toegewezen. 1Het procesverloop 1.
  5. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  6. De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. 2.
  7. Op grond van de vervoersovereenkomst moest de vervoerder passagier sub 1 op 19 april 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Caïro, Egypte, met vlucht MS758 (hierna: de vlucht). 2.
  8. Op grond van de vervoersovereenkomst moest de vervoerder passagiers sub 2 en sub 3 op 19 april 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Caïro, Egypte, naar Dubai, Verenigde Arabische Emiraten. 2.
  9. Op grond van de vervoersovereenkomst moest de vervoerder passagier sub 4 op 19 april 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Caïro, Egypte, naar Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten. 2.
  10. Op grond van de vervoersovereenkomst moest de vervoerder passagier sub 4 op 19 april 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Caïro, Egypte, naar Tabuk, Saoedi-Arabië. 2.
  11. De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. Alle passagiers behalve passagier sub 1 hebben hun aansluitende vlucht gemist en zijn omgeboekt naar alternatieve vluchten naar de eindbestemmingen. De passagiers zijn allen met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemmingen aangekomen. 2.
  12. De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.
  13. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
  14. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 490,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten. 3.
  15. Daarnaast verzoeken de passagiers om afgifte van een certificaat. 3.
  16. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon. Op de grondslag van het resterende gedeelte van de hoofdsom wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil. 3.
  17. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. 4De beoordeling 4.
  18. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of hij bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. De passagiers hebben de vervoerder gedagvaard op een adres in Amsterdam en hebben op de dagvaarding vermeld dat de vervoerder daar gevestigd is. Dit betekent dat de kantonrechter in beginsel niet bevoegd is en de zaak door moet verwijzen naar de rechtbank Amsterdam. De passagiers hebben niet toegelicht op welke grondslag zij de bevoegdheid van de kantonrechter baseren. De kantonrechter wijst de passagiers erop dat dit in eventuele vervolgzaken kan leiden tot doorverwijzing van de zaak. 4.
  19. In dit geval heeft de vervoerder echter op zijn processtukken vermeld dat hij is gevestigd in Caïro, Egypte, hetgeen de kantonrechter ook aannemelijker acht. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in zaken over verbintenissen uit overeenkomst als de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in Nederland is uitgevoerd. Bij diensten is de plaats van uitvoering in Nederland gelegen als deze dienst volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werd of verstrekt had moeten worden. De vlucht vertrok vanaf Schiphol. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil. Naar het oordeel van de kantonrechter betekent dit dat hij in dit geval (ook relatief) bevoegd is van het geschil kennis te nemen. 4.
  20. De passagiers stellen dat de vervoerder hen moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon. Omdat zij geen enkele toelichting hebben gegeven waar zij het resterende gedeelte van de hoofdsom van € 800,- op baseren, zal dit als onvoldoende gesteld worden afgewezen. 4.
  21. Vast staat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. 4.
  22. Volgens de vervoerder is de vlucht met een vertraging van 5 uur en 17 minuten uitgevoerd. Deze vertraging was als volgt opgebouwd:- 44 minuten vanwege een late aankomst van het toestel;- 4 uur en 20 minuten vanwege een onverwacht technisch mankement aan een van de motoren van het toestel;- 13 minuten door een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. 4.
  23. Voor de vertraging vanwege de verlate aankomst van het vliegtuig doet de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden, voor de overige omstandigheden wel. 4.
  24. De passagiers betwisten dit. Zij voeren onder meer aan dat de luchtverkeersleiding geen latere vertrektijd zou hebben opgelegd als het toestel tijdig gereed zou hebben gestaan voor vertrek. 4.
  25. De kantonrechter overweegt dat technische problemen in beginsel moeten worden beschouwd als inherent aan de normale uitoefening van de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij. Desondanks kunnen technische problemen toch buitengewone omstandigheden zijn, als deze voortvloeien uit gebeurtenissen die niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van een luchtvaartmaatschappij. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een vliegtuigfabrikant bekendmaakt dat een aantal toestellen die al in dienst zijn een verborgen fabricagefout vertonen met gevolgen voor de vliegveiligheid, of wanneer een toestel wordt beschadigd door sabotage of terrorisme. 4.
  26. De vervoerder heeft niet gesteld dat er bij het technisch defect sprake was van een van de voornoemde bijzondere gevallen. De omstandigheid dat het mankement zich plotseling heeft voorgedaan, niet aan gebrekkig onderhoud is toe te schrijven en evenmin tijdens het onderhoud is ontdekt, maakt dit niet anders. Al met al was deze vertraging dus inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder. Dit betekent dat de vertraging vanwege het technische mankement niet het gevolg was van een buitengewone omstandigheid. 4.
  27. Resteert de vertraging vanwege de latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. De passagiers hebben aangevoerd dat de luchtverkeersleiding deze latere vertrektijd niet zou hebben opgelegd als het toestel tijdig gereed zou hebben gestaan voor vertrek. De vervoerder heeft dit niet weersproken. Omdat de reden voor het niet tijdig gereed staan is gelegen in niet-buitengewone omstandigheden, geldt dit naar het oordeel van de kantonrechter daarmee ook voor het opleggen van de vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Dit betekent dat de gehele vertraging van de vlucht, en daarmee ook het missen van de aansluitende vluchten door alle passagiers behalve passagier sub 1, niet het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Daarom zal de gevorderde compensatie worden toegewezen. 4.
  28. De passagiers hebben wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf de datum van de vlucht. Dit betreft een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. Dat is de dag waarop de passagiers op de bestemming hadden moeten aankomen. De werkwijze en proceshouding van de passagiers, waar hierna op in zal worden gegaan, doen hier niet aan af. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de vlucht. 4.
  29. De vervoerder stelt dat hij rauwelijks is gedagvaard en dat de proceskosten voor rekening van de passagiers moeten komen, dan wel moeten worden gecompenseerd. De passagier betwisten dit. De kantonrechter overweegt echter dat de vervoerder inhoudelijk verweer tegen de vordering van de passagiers heeft gevoerd. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat de vervoerder hen buiten rechte tegemoet zou zijn gekomen. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om de passagiers te veroordelen in de proceskosten of de proceskosten te compenseren. 4.
  30. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen. 4.
  31. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. 4.
  32. Het gevorderde certificaat wordt bij gebrek aan belang afgewezen. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  33. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 april 2024; 5.
  34. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 408,00; 5.
  35. veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken; 5.
  36. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  37. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Zoals bedoeld in artikel 53 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Artikel 110, gelezen in verbinding met artikel 99 Rv. Artikel 6, aanhef en sub a Rv. Artikel 6a, aanhef en sub b Rv. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:
  38. HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:
  39. HvJEU 17 september 2015, C-257/14, ECLI:EU:C:2015:
  40. Artikel 6:83 sub b BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.