RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11771140 \ CV FORM 25-4140 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: 1 [verzoeker 1]
- [verzoeker 2] beiden wonende te [plaats 1]
- [verzoeker 3]
- [verzoeker 4]
- [verzoeker 5]
- [verzoeker 6] allen wonende te [plaats 2] verzoekende partijen verder te noemen: de passagiers gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht EasyJet Europe Airline GmbH gevestigd te Wenen, Oostenrijk verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal) De zaak in het kort De passagiers hebben compensatie en terugbetaling van ticketkosten van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat hij niet hoeft te compenseren omdat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een latere opgelegde vertrektijd aan de vlucht in kwestie waardoor deze of de vlucht daarna niet kon worden uitgevoerd voor het ingaan van de nachtklok op Schiphol. Het verweer van de vervoerder slaagt niet omdat hij onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat de vlucht in kwestie niet uitgevoerd kon worden voor het ingaan van de nachtklok en het niet kunnen doorgaan van de daarop volgende vlucht geen buitengewone omstandigheid voor de vlucht in kwestie oplevert. Het verzoek tot compensatie wordt toegewezen. Het verzoek tot terugbetaling wordt echter afgewezen omdat de vervoerder voldoende heeft toegelicht dat hij de betreffende passagiers heeft omgeboekt naar een alternatieve vlucht naar de eindbestemming. 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A); het verweerschrift. 2De feiten 2.
- De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 13 oktober 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Lissabon, Portugal, met vlucht EJU7962 (hierna: de vlucht). 2.
- De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. 2.
- De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht. 2.
- De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
- De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 2.712,33, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 396,23 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten. 3.
- De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon. Daarnaast stellen zij dat de vervoerder passagiers sub 1 en sub 2 de ticketkosten van de vlucht moet terugbetalen, ter waarde van € 312,
- 3.
- De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
- De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kan uitoefenen. 4.
- De vervoerder stelt dat de vlucht geannuleerd moest worden omdat deze een latere vertrektijd kreeg opgelegd door de luchtverkeersleiding. Hierdoor kon de rotatievlucht Amsterdam – Lissabon – Amsterdam niet uitgevoerd worden voor het ingaan van het nachtregime van Schiphol. Hij verwijst hierbij onder meer naar vluchtrapporten en berichten van de luchtverkeersleiding. De passagiers hebben dit betwist. Zij voeren onder meer aan dat het nachtregime van Schiphol pas om 23:00 uur ingaat. Daarom zou de vlucht in kwestie nog met ruime marge voor het ingaan daarvan kunnen worden uitgevoerd. 4.
- Het verweer van de vervoerder slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij namelijk onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd waarom het noodzakelijk was om de vlucht in kwestie te annuleren. Hij heeft slechts heeft gesteld dat de oorspronkelijke vertrektijd van de vlucht 13:40 uur was, maar niet wat de nieuwe opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding was en wanneer het nachtregime van Schiphol in zou gaan. Uit de door hem overgelegde berichten van de luchtverkeersleiding en zijn toelichting daarop blijkt echter dat de laatst opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding aan de vlucht in kwestie 15:24 uur was. Zonder nadere toelichting en mede vanwege de betwisting van de passagiers, volgt daaruit dus niet dat de vlucht in kwestie niet uitgevoerd kon worden voor het ingaan van de nachtklok van Schiphol. 4.
- Voor zover de vervoerder betoogt dat de vlucht in kwestie geannuleerd moest worden omdat de daaropvolgende terugvlucht van Lissabon naar Amsterdam dreigde het nachtregime van Schiphol te schenden, slaagt dit betoog evenmin. Ook als dit vast zou komen te staan, blijkt daaruit immers niet zonder meer dat ook de vlucht in kwestie geen (vertraagde) doorgang kon vinden. Bovendien heeft de vervoerder in het geheel niet heeft toegelicht wat het nachtregime van Schiphol inhoudt en in hoeverre het onmogelijk zou zijn geweest om na het ingaan daarvan op te stijgen of te landen op Schiphol. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de vervoerder geen invloed had op de annulering van de vlucht in kwestie en was deze niet het gevolg van buitengewone omstandigheden. De verzochte compensatie zal worden toegewezen. 4.
- Passagiers sub 1 en 2 hebben daarnaast ook om terugbetaling verzocht van de prijs van hun vliegtickets. Bij annulering moeten passagiers de keuze krijgen tussen terugbetaling van de ticketkosten of een alternatieve vlucht naar de eindbestemming. De kantonrechter begrijpt dat de passagiers stellen dat passagiers sub 1 en sub 2 na de annulering gekozen hebben voor terugbetaling, maar dat zij deze nog niet ontvangen hebben. 4.
- De vervoerder betwist dit. Hij voert aan dat passagiers sub 1 en sub 2 gekozen hebben voor omboeking naar een alternatieve vlucht van KLM. Daarom hebben ze geen recht (meer) op terugbetaling. Hij verwijst hierbij naar een schermafbeelding uit een intern systeem en een bericht aan de passagiers. 4.
- Het verweer van de vervoerder slaagt. Hij heeft met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat passagiers sub 1 en sub 2 hebben gekozen voor omboeking naar een alternatieve vlucht in plaats van terugbetaling. Dit betekent dat het verzoek tot terugbetaling van de ticketkosten van passagiers sub 1 en sub 2 niet toewijsbaar is. 4.
- De verzochte wettelijke rente over het toe te wijzen gedeelte van de hoofdsom is als anderszins weersproken toewijsbaar. 4.
- De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 360,00, en voor het overige afwijzen. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. 4.
- Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. 5De beslissingDe kantonrechter: 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.760,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.400,00 vanaf 13 oktober 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 257,00 aan griffierecht en € 238,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 119,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt; 5.
- wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open Artikel 7 van de Verordening. Artikel 8 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:
- Artikel 5 in verbinding met artikel 8 van de Verordening. Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015,