← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:15625

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11648652 \ CV FORM 25-2381 Uitspraakdatum: 1 oktober 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [verzoeker] , wonende te [plaats] verzoekende partij verder te noemen: de passagier gemachtigde: ProBe-ASP B.V. handelend onder de naam Aviclaim tegen EasyJet Europe Airline GmbH, gevestigd te Wenen (Oostenrijk) verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. B. Koolhaas 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 4 april 2025; het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 9 juli 2025 2De feiten 2.

  1. De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Bristol Airport (Verenigd Koninkrijk) op 15 juli 2024, hierna: de vlucht. 2.
  2. De vlucht is geannuleerd. 2.
  3. De passagier heeft compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde annulering. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 2.
  4. Ook heeft de passagier de vervoerder verzocht tot betaling van de meerkosten voor het aanschaffen van nieuwe tickets van in totaal € 121,
  5. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3Het verzoek en het verweer 3.
  6. De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 371,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 55,79 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten en nakosten. 3.
  7. De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). 3.
  8. De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,
  9. Daarnaast maakt de passagier aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente. 3.
  10. De vervoerder voert verweer. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
  11. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
  12. Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. 4.
  13. De vervoerder voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg is van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. De aan de vlucht voorafgaande vluchten zijn vertraagd uitgevoerd, waardoor de vervoerder de vlucht in kwestie uiteindelijk heeft moeten annuleren. Het routeschema en de vertraging van die vluchten zagen er als volgt uit: Vlucht Vertragingsduur Vertragingscode EJU8430 van LYS naar LGW 35 minuten ‘REGCAUSE WA 84’, wat staat voor “ATFM due to WEATHER AT DESTINATION”. EJU8079van LGW naar AGP 32 minuten ‘REGCAUSE CE 81’, wat staat voor “ATC EN ROUTE DEMAND/CAPACITY problems” EJU7003van AGP naar BRS - Wegens slechte weersomstandigheden in BRS, omgeleid naar BHX 4.
  14. Vertraging bij het tanken voorafgaand aan de vlucht van BHX naar BRS zorgde ervoor dat de bemanning uit de kantooruren liep. Daarom is vlucht EZY7004 van BRS naar AMS – en als gevolg daarvan ook de vlucht in kwestie – geannuleerd. 4.
  15. Wat daar ook van zij, de passagier heeft gemotiveerd betwist dat de vervoerder niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier te beperken. Na de annulering van de vlucht heeft de vervoerder de passagier niet omgeboekt naar een alternatieve vlucht, aldus de passagier. Hoewel de vervoerder uitvoerig betoogt waarom hij de vlucht heeft geannuleerd, heeft de vervoerder niet nader toegelicht en onderbouwd welke maatregelen hij heeft getroffen om de vertraging van de passagier op de eindbestemming te beperken. De vervoerder betoogt dat er een indirecte alternatieve vlucht met de vervoerder beschikbaar was, maar het is de kantonrechter onduidelijk of dit alternatief aan de passagier is voorgelegd en, zo ja, hoe de passagier op dit alternatief heeft gereageerd. De kantonrechter concludeert daarom dat de vervoerder niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier op de eindbestemming te beperken. 4.
  16. Dit betekent dat, ook als de annulering het gevolg zou zijn geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden, de vervoerder de passagiers moet compenseren. Daarom zal de door de passagier verzochte compensatie worden toegewezen. 4.
  17. Ten slotte verzoekt de passagier om vergoeding van de meerkosten van de door hemzelf geboekte alternatieve vlucht. De kantonrechter overweegt als volgt. Het Hof heeft geoordeeld dat een passagier van een geannuleerde vlucht zich, om compensatie te verkrijgen, kan beroepen op de niet-nakoming door de luchtvaartmaatschappij van onder meer haar verplichting om bijstand te bieden. Hieronder valt ook haar plicht om informatie te verstrekken. Deze compensatie is wel beperkt tot hetgeen, gelet op de specifieke omstandigheden van elk geval, noodzakelijk, passend en redelijk is om het verzuim van de luchtvaartmaatschappij goed te maken. 4.
  18. De passagier stelt dat de vervoerder zijn verplichting om bijstand te bieden niet is nagekomen door hem geen alternatieve vlucht aan te bieden. De omstandigheid dat de vervoerder hem de oorspronkelijke ticketprijs heeft terugbetaald maakt dit niet anders omdat de vervoerder hem geen keuze heeft geboden tussen terugbetaling of een alternatieve vlucht en hem daarbij niet alle informatie heeft verstrekt over de uit artikel 8 lid 1 van de Verordening voortvloeiende rechten. 4.
  19. Tot slot is het van belang dat de kosten die gemaakt zijn noodzakelijk, redelijk en passend zijn in verhouding tot het verzuim van de luchtvaartmaatschappij. Gelet op de omstandigheden van dit geval, is de kantonrechter van oordeel dat de reiskosten van de passagier noodzakelijk, redelijk en passend is. De vervoerder heeft geen alternatieve vlucht aangeboden, waardoor de passagier genoodzaakt was om zelf een vlucht te boeken. Nu de vervoerder – naast zijn betoog zoals uiteengezet in overweging 4.
  20. – niets heeft aangevoerd tegen dit verzoek van de passagier, zullen de meerkosten van de alternatieve vlucht worden toegewezen. 4.
  21. Voor wat betreft de over de hoofdsom verzochte wettelijke rente, moet onderscheid worden gemaakt tussen het verzoek tot compensatie en het verzoek tot vergoeding van de meerkosten van de alternatieve vlucht. 4.
  22. Voor het verzoek tot compensatie geldt dat de daarover gevorderde rente toewijsbaar is met ingang van de datum waarop de passagier schade heeft geleden. Dat is de datum waarop de passagier op de eindbestemming had moeten aankomen. Het gaat om een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade meteen opeisbaar is. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente over de compensatie wordt daarom toegewezen vanaf 15 juli
  23. 4.
  24. Voor het verzoek tot vergoeding van de meerkosten van de alternatieve vlucht geldt dat een schriftelijke ingebrekestelling is vereist waarin de vervoerder een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. De vervoerder is na afloop van die termijn in verzuim. De passagier heeft niet gesteld op welk moment de vervoerder met de betaling van dit gedeelte van de hoofdsom in verzuim was. Daarom wordt de wettelijke rente over dit gedeelte van de hoofdsom toegewezen vanaf de datum van het indienen van het vorderingsformulier. 4.
  25. De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagier kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. 4.
  26. De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. 4.
  27. Op verzoek van de passagier zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015, aan deze beschikking worden gehecht. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  28. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 427,74, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 250,00 dat bedrag vanaf 15 juli 2024 en over € 121,95 vanaf 4 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
  29. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 90,00 aan griffierecht en € 82,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open Zoals bedoeld in artikel 8 van de Verordening. HvJEU 8 juni 2023, C-49/22, ECLI:EU:C:2023:
  30. Artikel 6:83 sub b BW. Artikel 6:82 lid 1 BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.