← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:15868

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/351118 / HA ZA 24-187 Vonnis van 23 april 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. S. Hartog en mr. A. Hartland, tegen INSTALLATIEBEDRIJF [gedaagde] B.V., te Alkmaar, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. K.M. Janssen. De zaak in het kort [gedaagde] heeft in opdracht van [eiser] installatiewerkzaamheden verricht in de woning van [eiser] . Tussen partijen is een geschil ontstaan over het werk van [gedaagde] en de betaling van de eindfactuur. In deze zaak vordert [eiser] vervangende schadevergoeding omdat [gedaagde] verschillende verplichtingen uit de overeenkomst niet (deugdelijk) zou zijn nagekomen. De rechtbank oordeelt dat [eiser] daarin deels gelijk heeft en recht heeft op een bedrag aan schadevergoeding. [eiser] is het nog openstaande deel van de eindfactuur verschuldigd, waarvan [gedaagde] in reconventie betaling vordert. Na verrekening met de schadevergoeding moet [eiser] nog een bedrag van € 1.818,74 aan [gedaagde] betalen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 2 april 2024 met producties 1 tot en met 16, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 19 juni 2024 met producties 1 tot en met 13, - de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering en wijziging van eis van 31 juli 2024 met producties 17 en 18, - het tussenvonnis van 14 augustus 2024, - de akte vermeerdering van eis van 23 januari 2025 van [eiser] met producties 19 tot en met 22, - de akte vermeerdering en wijziging van eis van 24 januari 2025 van [gedaagde] met producties 14 tot en met 17, - het rolbericht van 31 januari 2025 van [gedaagde] met productie 18, - de op 2 februari 2025 gehouden mondelinge behandeling. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. [gedaagde] is een installatiebedrijf dat onder andere gespecialiseerd is in installaties van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur. [eiser] heeft [gedaagde] opdracht gegeven om installatiewerk in zijn (nieuwbouw)woning aan te brengen. 2.
  4. Partijen hebben op 9 februari en 9 maart 2021 besprekingen gevoerd. Bij de eerste offerte van 20 maart 2021 was een begroting gevoegd van 11 maart 2021 voor een bedrag van € 112.712,48 (inclusief btw) en een exemplaar van de algemene voorwaarden voor installatiewerk voor consumenten (AVIC). In overleg tussen partijen is de offerte aangepast. De herziene versie van 12 april 2021 van een bedrag van € 109.285,45 is door [eiser] akkoord bevonden en ondertekend en per mail van 19 april 2021 aan [gedaagde] teruggestuurd. 2.
  5. Vervolgens heeft [eiser] gevraagd de overeenkomst aan te passen door het offerte onderdeel K – de warmtepomp in de werkplaats – eruit te halen en apart te offreren aan zijn bedrijf, aannemersbedrijf [naam B.V.] Dat heeft geresulteerd in een offerte van 22 april 2021 van € 7.978,
  6. Ook deze offerte is door [eiser] goedgekeurd en ondertekend teruggestuurd aan [gedaagde] . De offerte van 12 april 2021 is aangepast en op 12 mei 2021 is een herziene versie van de offerte opgemaakt van een bedrag van € 101.306,
  7. De totale aanneemsom is gebaseerd op de offertes van 22 april 2021 en 12 mei 2021 en bedraagt € 109.285,
  8. 2.
  9. Op 27 juni 2022 hebben partijen een overleg gehad over het meer- en minderwerk. Partijen zijn toen een nieuwe totale aanneemsom overeengekomen van € 107.000,-. 2.
  10. [gedaagde] heeft op 30 juni 2022 een eindfactuur van € 31.019,84 aan [eiser] verzonden met een betalingstermijn van veertien dagen. [eiser] heeft € 26.000,- betaald. Het resterende bedrag van € 5.019,84 is onbetaald gebleven. 2.
  11. Bij e-mail van 16 september 2022 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht binnen 30 dagen: een nieuw aansluitschema voor de warmtepomp op te stellen, dan wel de installaties aan te passen conform het aansluitschema van Daikin; alle geleverde en geplaatste werkzaamheden revisietekeningen aan te leveren die overeenkomen met de huidige situatie; alle aanzuig- en uitblaasroosters af te stellen en in te regelen; de warmteterugwinunit te verplaatsen van de bijkeuken naar de technische ruimte; alle garantiebewijzen en certificeringen van de merken en typeaanduidingen af te geven. 2.
  12. [gedaagde] heeft op diezelfde dag per e-mail gereageerd dat alle werkzaamheden zijn uitgevoerd zoals was afgesproken en dat wordt gevraagd om extra werkzaamheden die zij alleen tegen extra kosten wil uitvoeren. 2.
  13. In een verdere correspondentiewisseling, waarin [eiser] [gedaagde] aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die hij lijdt door het uitblijven van de nakoming van de overeenkomst, zijn partijen bij hun standpunt gebleven. 2.
  14. DIA Exploitatie Advies (hierna: DIA) heeft namens [eiser] een deskundigenrapport, gedateerd 9 maart 2023, opgesteld over het werk van [gedaagde] . Volgens de bevindingen van DIA is sprake van diverse tekortkomingen, die leiden tot de volgende schade: 2.
  15. Bij e-mail van 30 augustus 2023 heeft [eiser] het rapport van DIA aan [gedaagde] gestuurd en gesommeerd een bedrag van € 31.375,63 aan schadevergoeding te voldoen. 2.
  16. In reactie daarop heeft [gedaagde] bij e-mail van 12 september 2023 iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen en [eiser] gesommeerd de resterende aanneemsom van € 5.019,84, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, te betalen. 2.
  17. Vervolgens hebben (de advocaten van) partijen verder gecorrespondeerd maar zijn zij niet tot een vergelijk gekomen. 2.
  18. Op 30 juli 2024 heeft DIA in opdracht van [eiser] nader gerapporteerd over een door [gedaagde] bij conclusie van antwoord overgelegde EPC-berekening en warmteverliesberekening. 2.
  19. Ook [gedaagde] heeft een deskundige ingeschakeld. Op 21 januari 2025 heeft Meijer Verduurzaamt (hierna: Meijer) een rapport opgesteld. 3Het geschil in conventie 3.
  20. [eiser] vordert na eiswijziging - samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst; II. indien wordt geoordeeld dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst doordat de installatie niet voldoet aan de toepasselijke eisen, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van herstelkosten voor het alsnog laten voldoen van de installatie aan de daaraan te stellen eisen, nader te bepalen in een schadestaat, althans voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor deze herstelkosten; III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 21.750,- ten aanzien van de vervangende schadevergoeding voor de niet-verrichtte werkzaamheden en het ondeugdelijke werk, vermeerderd met de wettelijke rente; IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de door [eiser] geleden schade wegens werkzaamheden door Meer dan Warmte van € 1.141,64, vermeerderd met de wettelijke rente; V. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de door [eiser] geleden schade wegens overbodig stroomverbruik van € 2.196,-, vermeerderd met de wettelijke rente; VI. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de door [eiser] misgelopen subsidie van € 2.600,-, vermeerderd met de wettelijke rente; VII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de door [eiser] geleden schade wegens verval van de garantie van € 5.350,-, vermeerderd met de wettelijke rente; VIII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de door [eiser] gemaakte kosten voor inbedrijfstelling van de installatie van € 359,98, vermeerderd met de wettelijke rente; IX. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het deskundigenonderzoek van € 1.113,20, vermeerderd met de wettelijke rente; X. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het nadere deskundigenonderzoek van € 1.032,13, vermeerderd met de wettelijke rente; XI. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.078,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente; XII. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten. 3.
  21. [eiser] legt aan de vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag. Volgens [eiser] is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot aanneming van werk. Uit het rapport van DIA blijkt dat [gedaagde] een deel van het werk niet heeft verricht en ondeugdelijk werk heeft geleverd. [eiser] heeft de vordering tot herstel van de tekortkomingen van [gedaagde] omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. 3.
  22. [gedaagde] voert verweer. 3.
  23. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4Het geschil in reconventie 4.
  24. [gedaagde] vordert na eiswijziging dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: I. [eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 6.108,44, vermeerderd met de wettelijke rente; II. [eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.379,40, vermeerderd met de wettelijke rente; III. [eiser] veroordeelt in de proceskosten. 4.
  25. [gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] vordert nakoming van de overeengekomen betaling van de slotfactuur. [eiser] is in verzuim omdat de betalingstermijn is verstreken. Tevens vordert [gedaagde] de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige. 4.
  26. [eiser] voert verweer. 4.
  27. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Ambtshalve toetsing precontractuele informatieplichten 5.
  28. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] de overeenkomst van aanneming van werk als consument is aangegaan met [gedaagde] , aangezien hij handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. [gedaagde] is daarentegen een ‘handelaar’ in de zin van de wet omdat zij handelt in het kader van haar handels- of ambachtsactiviteit.Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. De rechtbank moet er ambtshalve (dat wil zeggen uit eigen beweging, ook als er geen verweer over is gevoerd) op toezien dat die voorschriften worden nageleefd. 5.
  29. Uit de stukken blijkt dat partijen, voordat de definitieve overeenkomst werd gesloten, via e-mail contact hebben gehad en dat er meerdere besprekingen hebben plaatsgevonden die hebben geleid tot offertes van [gedaagde] . Gelet op de geschetste gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte, zoals bedoeld in artikel 6:230l BW. [gedaagde] moet dus voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst voldoen aan de in die bepaling genoemde informatieplichten. Gelet op de toelichting van [gedaagde] en de overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat zij hieraan heeft voldaan. in conventie 5.
  30. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en zo ja, of [gedaagde] de gevorderde vervangende schadevergoeding aan [eiser] moet betalen. Voor het recht op vervangende schadevergoeding is vereist dat [gedaagde] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en dat [gedaagde] - behoudens in het geval nakoming blijvend onmogelijk is - in verzuim is. [gedaagde] betwist dat sprake is van tekortkomingen. Volgens [gedaagde] is [eiser] bovendien (als eerste) in verzuim geraakt doordat hij de eindfactuur niet op tijd (volledig) heeft betaald. Daardoor is [gedaagde] niet in verzuim komen te verkeren. De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden welke partij als eerste in verzuim was. Indien dit verweer van [gedaagde] zou slagen, komt de rechtbank namelijk niet meer toe aan een beoordeling van de gestelde tekortkomingen. Verzuim 5.
  31. Volgens artikel 6:82 lid 1 BW treedt het verzuim in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in, onder meer wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen (artikel 6:83 aanhef en onder a BW) of de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten (artikel 6:83 aanhef en onder c BW). 5.
  32. [eiser] heeft [gedaagde] op 16 september 2022 een e-mail gestuurd, waarin hij [gedaagde] een termijn van 30 dagen stelt voor de nakoming van verschillende door hem gestelde tekortkomingen. Zoals de rechtbank hierna zal overwegen, heeft [gedaagde] in ieder geval niet de revisietekeningen aan [eiser] afgegeven, terwijl dit wel onderdeel van de overeenkomst tussen partijen is. Door de revisietekeningen niet voor het verstrijken van de termijn van 30 dagen aan [eiser] af te geven, is [gedaagde] in verzuim geraakt. Anders dan [gedaagde] aanvoert, was [eiser] op dat moment niet in verzuim met de betaling van de eindfactuur. De rechtbank legt dit hieronder verder uit. 5.
  33. Uit artikel 15 lid 1 van de toepasselijke AVIC voorwaarden volgt dat de eindfactuur pas bij oplevering aan de consument mag worden verzonden. [gedaagde] heeft de eindfactuur op 30 juni 2022 aan [eiser] verzonden met een betalingstermijn van veertien dagen. Tijdens de zitting is gebleken dat de werkzaamheden op dat moment nog niet waren afgerond en dat partijen hadden afgesproken dat [eiser] na verzending van de eindfactuur € 26.000,- zou betalen (wat hij ook heeft gedaan) en het resterende bedrag van iets meer dan € 5.000,- na de oplevering. Anders dan [gedaagde] stelt, is [eiser] dus niet in verzuim geraakt na het verstrijken van de betalingstermijn die in de eindfactuur is opgenomen. De rechtbank is niet gebleken dat een formele oplevering heeft plaatsgevonden of dat [gedaagde] mededeling aan [eiser] heeft gedaan dat het werk voltooid is en [eiser] het werk heeft aanvaard. [gedaagde] wijst er op dat Daikin de installatie op 27 juli 2022 in bedrijf heeft gesteld, maar dit kan niet worden aangemerkt als het moment van oplevering. Uit de stellingen van [gedaagde] volgt namelijk dat zij tot 23 augustus 2022 werkzaamheden bij [eiser] heeft uitgevoerd. Ook blijkt niet dat toen een oplevering heeft plaatsgevonden of een mededeling als hiervoor bedoeld is gedaan. Evenmin heeft [gedaagde] aan [eiser] kenbaar aanspraak gemaakt dat hij, zoals was afgesproken, het nog openstaande bedrag van de eindfactuur moest gaan betalen. [eiser] hoefde op dat moment dus nog niet tot betaling van het nog openstaande bedrag over te gaan en is niet in verzuim geraakt. De e-mail van 16 september 2022 van [eiser] aan [gedaagde] maakt dit niet anders. Uit die e-mail, waarin [eiser] een termijn van 30 dagen stelt voor de nakoming van verschillende door hem gestelde tekortkomingen, blijkt immers niet dat [eiser] zal gaan tekortschieten in zijn betalingsverplichting. 5.
  34. De rechtbank verwerpt dus het verweer van [gedaagde] dat zij niet in verzuim is. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de gestelde tekortkomingen en de schade die [eiser] daardoor zou hebben geleden. De tekortkomingen en schade Afstellen en inregelen aanzuig- en uitblaasroosters 5.
  35. [eiser] stelt dat het inregelen van de aanzuig- en uitblaasroosters een onderdeel vormt van de kern van de werkzaamheden en dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat de installaties zijn ingeregeld op basis van een inschatting en dat de eindafstelling pas wordt gedaan nadat de woning in gebruik is genomen. 5.
  36. De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] heeft de nadere toelichting die [gedaagde] tijdens de zitting heeft gegeven niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. DIA heeft weliswaar in haar rapport geschreven dat een installatie luchtzijdig en waterzijdig ingeregeld moet zijn, maar niet blijkt dat DIA heeft onderzocht of die inregeling heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft dus onvoldoende (gemotiveerd) gesteld om aan te kunnen nemen dat de inregeling in het geheel niet heeft plaatsgevonden. Wat wel vaststaat, is dat [gedaagde] de resterende inregelwerkzaamheden (de eindafstelling) niet heeft verricht, terwijl dit wel onder de overeenkomst valt. Omdat [eiser] , zoals hiervoor is overwogen, niet in verzuim was met zijn betalingsverplichting, heeft [gedaagde] zich ten aanzien daarvan ten onrechte op opschorting beroepen. De gevorderde kosten voor die resterende inregelingswerkzaamheden komen dus voor vergoeding in aanmerking. Bij de vaststelling van het schadebedrag zal de rechtbank niet uitgaan van het rapport van DIA, omdat dit tot uitgangspunt neemt dat in het geheel niet was ingeregeld. De rechtbank zal de schade schatten op een bedrag van € 500,- en dit onderdeel van de vordering in zoverre toewijzen. Factuur de Klimaatbeheerser 5.
  37. Verder stelt [eiser] dat hij een externe deskundige heeft moeten inschakelen (de Klimaatbeheerser) voor de inbedrijfstelling van de installatie voor warmwater en enige verwarming. Hij vordert betaling van het bedrag dat hij daarvoor heeft moeten betalen, € 359,
  38. Volgens [gedaagde] zijn deze kosten onnodig en ten onrechte gemaakt. Er zijn geen gebreken aan de installatie waardoor er ook geen kosten gemaakt hoefden te worden voor onderzoek en het alsnog ‘geschikt maken’. De installatie was gereed, opgeleverd en in gebruik genomen door [eiser] , aldus [gedaagde] . 5.
  39. De rechtbank overweegt dat uit de factuur van de Klimaatbeheerser blijkt dat het gaat om het in bedrijf stellen van convectoren en het nakijken van de warmtepomp in december
  40. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] tegenover de betwisting door [gedaagde] onvoldoende heeft toegelicht dat deze werkzaamheden het gevolg zijn van een tekortkoming van [gedaagde] . Daarbij komt dat de factuur is betaald door aannemersbedrijf [naam B.V.] , zodat niet is komen vast te staan dat het schade zou betreffen die door [eiser] is geleden. De vordering die betrekking heeft op betaling van het factuurbedrag als schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Revisietekeningen en aansluitschema 5.
  41. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de revisietekeningen en het elektrisch aansluitschema niet aan [eiser] heeft afgegeven. Op dit punt is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Ook is zij in verzuim geraakt zoals hiervoor is overwogen. [gedaagde] kon deze verplichting dus niet opschorten, zoals zij heeft aangevoerd. Nu [eiser] de vordering tot nakoming heeft omgezet in een vordering tot schadevergoeding, moet [gedaagde] de schade die [eiser] heeft geleden vergoeden. [eiser] heeft, onder verwijzing naar het rapport van DIA, onweersproken gesteld dat de kosten voor het maken van (nieuwe) revisietekeningen en een aansluitschema € 2.000,- bedraagt. De gevorderde schade is dus tot dat bedrag toewijsbaar. Positie warmteterugwinningsunit 5.
  42. Partijen zijn het erover eens dat bij het aangaan van de overeenkomst was overeengekomen dat de warmteterugwinningsunit zou worden geplaatst in de technische ruimte, zoals ook op de tekeningen staat. [gedaagde] heeft de warmteterugwinningsunit in de bijkeuken geplaatst. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] dit zonder overleg en zonder zijn toestemming gedaan, zodat [gedaagde] op dit punt toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] waren de beoogde geïntegreerde cv-installatie en warmtepomp niet (tijdig) verkrijgbaar vanwege de crisis in de bouwstoffenmarkt. Er is vervolgens gekozen voor een gesplitste unit bestaande uit een losse warmtepomp en een losse boiler en die zijn op de locaties geïnstalleerd waar ze nu staan, omdat er onvoldoende ruimte was alle apparaten in de technische ruimte te installeren. Dit is allemaal in overleg met [eiser] gegaan en door hem geaccordeerd. [gedaagde] heeft de meerkosten van € 4.832,61 voor deze wijziging niet in rekening gebracht. Dit is tijdens het overleg over het meer- en minderwerk op 27 juni 2022 expliciet besproken tussen partijen, aldus [gedaagde] . 5.
  43. De rechtbank is van oordeel dat voor zover al zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] op dit punt haar verplichtingen niet is nagekomen, dit niet tot schade voor [eiser] heeft geleid. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat de beoogde installatie niet (tijdig) leverbaar was en dat moest worden uitgeweken naar een alternatief om het installatiewerk op tijd af te hebben. Dit alternatief bracht mee dat er in plaats van een geïntegreerde unit een losse warmtepomp en een losse boiler kwamen, waardoor in de technische ruimte onvoldoende ruimte was voor alle installaties. Als gevolg hiervan is de warmteterugwinningsunit naar de bijkeuken verplaatst. Uit de stukken blijkt niet of [eiser] hiervoor toestemming heeft gegeven. Echter, niet is komen vast te staan dat [eiser] als gevolg van de verplaatsing van de warmteterugwinningspunt schade heeft geleden. [gedaagde] heeft namelijk gesteld dat er onvoldoende plek in de technische ruimte is om de alternatieve installatie daar in zijn geheel te plaatsen. Dat lijkt ook te volgen uit het rapport van DIA, waarin staat dat het verplaatsen naar de technische ruimte een behoorlijke klus zal zijn omdat er op de oorspronkelijke plek geen ruimte meer is. Bij deze stand van zaken moet worden aangenomen dat het verplaatsen van de warmteterugwinningsunit naar de technische ruimte waar deze volgens de oorspronkelijke tekening zou komen, geen reële optie is. De gevorderde schade van in totaal € 10.800,-, die bestaat uit de kosten voor de verplaatsing en bouwkundig herstel, komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Uitleg/instructie installaties 5.
  44. [eiser] stelt dat [gedaagde] geen uitleg en/of instructie over de installaties heeft gegeven, terwijl dit wel onderdeel van de overeenkomst is. Daarnaast heeft [eiser] verwezen naar een uitspraak van de Raad van Arbitrage waarin onder meer is overwogen dat een aannemer op grond van de eisen van goed en deugdelijk werk verplicht is de verkrijger voldoende informatie te verschaffen om het mogelijk te maken de aangebrachte voorzieningen te bedienen en te onderhouden. 5.
  45. [gedaagde] voert als verweer dat hij tweemaal uitleg heeft gegeven over de werking van de installaties en een doos met handleidingen heeft afgegeven aan [eiser] . 5.
  46. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] haar verplichtingen op dit punt niet is nagekomen. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat hij een doos met papierwerk van [gedaagde] heeft ontvangen. [eiser] heeft niet toegelicht welke relevante informatie of uitleg hij nog zou willen ontvangen over de (werking van) de installaties. Ook blijkt uit de stukken niet dat hij [gedaagde] daarom heeft gevraagd. Het gevorderde schadebedrag van € 500,- komt dus niet voor toewijzing in aanmerking. Warmteverliesberekening 5.
  47. [eiser] stelt dat hij een extra verwarming heeft moeten aanschaffen omdat de installatie onvoldoende capaciteit heeft. Onder verwijzing naar het rapport van DIA stelt hij dat [gedaagde] een warmteverliesberekening had moeten maken om de installatie te kunnen ontwerpen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] dit nagelaten en heeft [gedaagde] die berekening niet aan [eiser] verschaft. De kosten voor het maken van een warmteverliesberekening bedragen € 2.000,- (excl. btw) en [eiser] vordert dit bedrag als vervangende schadevergoeding. 5.
  48. [gedaagde] betwist dat de geleverde installatie ondercapaciteit zou hebben. Uit het overgelegde TIMAX rapport, dat onderdeel is van de stukken bij de aanvraag van [eiser] voor een omgevingsvergunning, blijkt dat de installatie voor de gehele woning een capaciteit zou moeten hebben van 58.411 MJ. De installatie die [gedaagde] heeft geleverd voldoet ruimschoots aan die norm, zoals blijkt uit de door haar overgelegde capaciteitsberekening. 5.
  49. De rechtbank overweegt dat het maken van een warmteverliesberekening geen onderdeel is van de overeenkomst tussen partijen. Daarnaast is het aan [eiser] om (gemotiveerd) te onderbouwen dat sprake is van capaciteitstekort, maar die onderbouwing ontbreekt. De enkele stelling dat hij een palletkachel heeft aangeschaft om bij te verwarmen, is daarvoor onvoldoende, zeker in het licht van de rapportage van Meijer waarin wordt geconcludeerd dat Meijer niet twijfelt aan de capaciteit voor de woning. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering dan ook afwijzen. BENG-norm 5.
  50. [eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de warmtepomp volgens de sinds 1 januari 2021 geldende BENG-norm had moeten installeren. [gedaagde] voert als verweer dat [eiser] toetst aan de verkeerde norm. De bouw van deze woning inclusief de daarop betrekking op hebbende installaties heeft plaatsgevonden op basis van een door de gemeente Bergen verleende omgevingsvergunning van 25 augustus
  51. De woning dient te voldoen aan de normen zoals die golden ten tijde van de indiening van de omgevingsvergunning. Op dat moment was het BENG-besluit nog niet in werking getreden en dus niet van toepassing, aldus [gedaagde] . 5.
  52. Dit verweer slaagt. De BENG-norm is sinds 1 januari 2021 in het Bouwbesluit 2012 (sinds 1 januari 2024: Besluit Bouwwerken Leefomgeving) opgenomen. In artikel 9.1 lid 1 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat op een aanvraag van een vergunning voor bouwen, ingediend voor inwerkingtreding van het besluit, de bepalingen van toepassing zijn zoals die luidden op het tijdstip van de aanvraag van de vergunning. Dit betekent dat op de bouw van de woning van [eiser] van toepassing is de regelgeving zoals die luidde op het moment van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Op dat moment was de BENG-norm nog niet van toepassing, zodat de warmtepomp daaraan niet hoeft te voldoen. Reeds daarom zullen de gevorderde kosten van € 3.750,- voor het maken van een BENG-berekening worden afgewezen. EPC-norm 5.
  53. [eiser] stelt dat voor zover de rechtbank oordeelt dat het werk niet aan de BENG-norm hoeft te voldoen, [gedaagde] moet aantonen dat het werk voldoet aan de EPC-norm. Door dit niet aan te tonen, is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Indien de installatie niet aan de EPC-norm blijkt te voldoen, dient [gedaagde] de herstelkosten daarvan te betalen. Omdat deze nog niet zijn vast te stellen, heeft [eiser] een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd (vordering II). 5.
  54. De rechtbank wijst deze vordering ook af. [gedaagde] voert namelijk terecht aan dat niet aan de hand van alleen het door haar geïnstalleerde werk kan worden bepaald of aan de EPC-norm wordt voldaan. Deze norm geldt voor de gehele woning van [eiser] en daarop zijn meerdere factoren van invloed, ook factoren die buiten de door [gedaagde] verrichtte werkzaamheden vallen. Het ligt daarom niet op de weg van [gedaagde] om aan te tonen dat het bouwwerk aan de EPC-norm voldoet. Dat is ook niet tussen partijen overeengekomen. Bovendien heeft [eiser] onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat de installaties niet zouden voldoen aan de toepasselijke regels. Van enige tekortkoming van [gedaagde] op dit punt is dan ook geen sprake. Subsidie 5.
  55. [gedaagde] heeft in de offerte de mogelijkheid van het verkrijgen van een subsidie opgenomen en een indicatiebedrag van € 2.600,- genoemd. [eiser] stelt dat het voor hem niet mogelijk was om zonder formele oplevering en nog onvolledige betaling van de aanneemsom de subsidie (tijdig) aan te vragen. Dit is het gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] en [eiser] vordert daarom een bedrag van € 2.600,- als schadevergoeding. 5.
  56. De rechtbank volgt het verweer van [gedaagde] dat [eiser] geen subsidie is misgelopen. In de definitieve offerte staat vermeld: “Subsidie alleen van toepassing wanneer het gebouw gebouwd is voor juli 2018 of wanneer de omgevingsvergunning is ingediend voor 1 juli 2018”. De omgevingsvergunning is op 25 augustus 2019 aangevraagd en de woning is daarna pas gebouwd. [eiser] kwam dus niet in aanmerking voor deze subsidie en is deze dus ook niet misgelopen. Ook volgt de rechtbank [eiser] niet in zijn stelling dat [gedaagde] de indruk heeft gewekt dat [eiser] in aanmerking zou komen voor de subsidie. In de offerte staat duidelijk vermeld in welk geval de subsidie van toepassing is en niet blijkt dat [gedaagde] [eiser] daarover verkeerd heeft voorgelicht. Dit onderdeel van de vordering is dus niet toewijsbaar. Garantie 5.
  57. In de e-mail van 12 september 2023 heeft [gedaagde] meegedeeld dat de garantie van [eiser] is komen te vervallen omdat er sprake zou zijn van wanbetaling. [eiser] maakt aanspraak op een schadevergoeding wegens het verval van de garantie. [eiser] begroot de schade op 5% van de aanneemsom, dat is € 5.350,-. 5.
  58. Volgens [gedaagde] zijn er geen garanties vervallen. De productgaranties gelden vanaf het moment van installatie en kunnen rechtstreeks bij de producent/fabrikant worden ingeroepen. Verder verwijst [gedaagde] naar artikel 18 lid 4 van de AVIC voorwaarden, waarin is bepaald dat de garantie op de werkzaamheden van de installateur van toepassing zijn zodra de volledige aanneemsom is betaald. 5.
  59. De rechtbank overweegt dat in artikel 18 lid 4 van de AVIC voorwaarden een regeling is opgenomen over het verval van garanties. Daarin is onder meer bepaald dat de garantie vervalt indien de consument niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, tenzij hij gebruik maakt van het recht om betaling op te schorten. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn betalingsverplichting (voor het restant van de eindfactuur) heeft mogen opschorten omdat [gedaagde] niet aan haar verplichtingen uit de overeenkomst voldeed (afgifte revisietekeningen). De garantie is dus niet vervallen. [gedaagde] heeft ter zitting ook gezegd dat de garantie niet is vervallen. Er is dus geen grond voor een schadevergoeding vanwege het vervallen van garantie, zodat de rechtbank dit onderdeel van de vordering zal afwijzen. Factuur Meer dan Warmte 5.
  60. Het bedrijf Meer dan Warmte is op 11 november 2024 bij [eiser] langs geweest om werkzaamheden uit te voeren. Vanwege een storing moest er een nieuwe thermostaat worden geplaatst. Op 6 december 2024 heeft Meer dan Warmte een error in de boiler aan de warmtepomp verholpen. [eiser] vordert betaling van de twee facturen van Meer dan Warmte. Als de warmtepomp door [gedaagde] deugdelijk en volledig was geïnstalleerd en opgeleverd, dan had [eiser] de kosten voor de werkzaamheden van Meer dan Warmte niet hoeven maken, aldus [eiser] . 5.
  61. Volgens [gedaagde] blijkt uit de e-mail van 11 september 2024 van Meer dan Warmte dat [eiser] een verbetering heeft willen doorvoeren aan de installatie, mogelijk om te besparen op verbruik. Daaruit kan niet worden geconcludeerd dat de installatie niet conform opdracht is opgeleverd of dat de installatie een te hoog verbruik heeft. Daikin is in augustus 2024 bij [eiser] langs geweest voor een software update. [gedaagde] wijst verder op een e-mail van 30 januari 2025 van Daikin, waarin Daikin bevestigt dat [gedaagde] de installatie conform de Daikin voorschriften heeft geïnstalleerd. 5.
  62. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de eerste factuur van 20 november 2024 heeft Meer dan Warmte de volgende werkzaamheden uitgevoerd: “Aanpassen aansturing warmtepomp dmv plaatsen Daikin Madoka kamerthermostaat”. Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft [eiser] onvoldoende toegelicht dat deze werkzaamheden noodzakelijk waren als gevolg van een tekortkoming van [gedaagde] . Dit kan de rechtbank ook niet afleiden uit de toelichting van Meer dan Warmte in de door [eiser] overgelegde e-mail van 11 september
  63. Het gevorderde bedrag van € 845,19 is dus niet toewijsbaar. De tweede factuur van Meer dan Warmte van 10 december 2024 betreft het herstellen van een error in de boiler. Het ligt voor de hand dat deze werkzaamheden normaal gesproken onder de garantie zouden vallen, die [gedaagde] op dat moment niet heeft willen verlenen in verband met de gestelde wanbetaling van [eiser] . Zoals hiervoor is overwogen, is de garantie echter niet vervallen omdat [eiser] terecht gebruik maakte van zijn opschortingsrecht. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 296,45 daarom toewijzen. Stroomverbruik 5.
  64. Volgens [eiser] is het stroomverbruik na de werkzaamheden van Meer dan Warmte aanzienlijk verminderd. Dit is een bevestiging van de tekortkoming/ondeugdelijk werk van [gedaagde] , aangezien de warmtepomp niet goed was afgesteld en meer stroom heeft verbruikt dan nodig was. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden in de periode van het betrekken van de woning in september 2022 tot november 2024, bestaande uit overbodig stroomverbruik. [eiser] vordert betaling van deze schade, die hij becijfert op € 2.196,-. 5.
  65. De rechtbank wijst deze vordering af. [eiser] heeft tegenover de betwisting van [gedaagde] namelijk onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de installatie niet goed stond afgesteld en dat daardoor sprake is geweest van een hoger stroomgebruik. Van een tekortkoming van [gedaagde] is dus niet gebleken. Deskundige kosten DIA 5.
  66. De rechtbank wijst de gevorderde deskundigenkosten van DIA af. De onderdelen van de vordering waarover DIA heeft gerapporteerd, wijst de rechtbank allemaal af en voor de toegewezen onderdelen is het deskundigenonderzoek niet nodig is geweest. Deze kosten komen daarom niet op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking. Geen bewijslevering 5.
  67. [eiser] heeft bewijs aangeboden van de stellingen die hij heeft ingenomen. Uit de beoordeling van de rechtbank blijkt dat [eiser] met betrekking tot de vorderingen die niet worden toegewezen, onvoldoende heeft voldaan aan de stelplicht die op hem rust. Daarom komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering. Conclusie 5.
  68. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering in hoofdsom in beginsel toewijsbaar is tot een bedrag van € 500,- + € 2.000,- + € 296,45 = € 2.796,
  69. 5.
  70. De onder 3.1 onder i gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen zal worden afgewezen. Daarvan is slechts sprake op enkele van de hiervoor besproken punten, waarvoor [gedaagde] een schadevergoeding moet betalen. Niet is gebleken dat [eiser] daarnaast een belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Buitengerechtelijke incassokosten 5.
  71. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Bovendien blijkt voldoende dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De rechtbank zal de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten berekenen over de toe te wijzen hoofdsom, overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. De rechtbank zal de buitengerechtelijke incassokosten daarom vaststellen op een bedrag van € 404,
  72. Conclusie 5.
  73. De conclusie is dat de vordering van [eiser] op [gedaagde] € 3.201,10 (€ 2.796,45 + € 404,65) is. Hierna zal de rechtbank in reconventie oordelen dat [eiser] het openstaande bedrag van de eindfactuur aan [gedaagde] verschuldigd is. [eiser] heeft een beroep op verrekening gedaan. Dit beroep slaagt en de rechtbank zal het bedrag dat in conventie aan [eiser] toekomt, verrekenen met het factuurbedrag. Per saldo betekent dit dat [eiser] nog een bedrag aan [gedaagde] moet betalen. Dit leidt ertoe dat de vordering in conventie zal worden afgewezen. in reconventie Betaling eindfactuur en verrekening 5.
  74. [gedaagde] vordert in reconventie betaling van € 5.019,84, zijnde het restant van de slotfactuur van 22 juni
  75. [eiser] voert aan dat deze vordering moet worden afgewezen omdat hij niet in verzuim is en zich op opschorting beroept. Verder doet hij een beroep op verrekening met de vordering in conventie. 5.
  76. De rechtbank stelt voorop dat niet nodig is dat [eiser] in verzuim is met de betaling van het resterende deel van de eindfactuur, omdat de grondslag van de vordering van [gedaagde] nakoming is. De rechtbank heeft in conventie overwogen dat [eiser] zijn betalingsverplichting mocht opschorten omdat [gedaagde] de revisietekeningen niet had afgegeven. Nu nakoming van die verplichting niet langer aan de orde is omdat [eiser] aanspraak heeft gemaakt op vervangende schadevergoeding, dient het middel van opschorting te worden aangemerkt als een tijdelijke maatregel om schadevergoeding of verrekening te bereiken. Het beroep van [eiser] op verrekening met zijn vordering in conventie slaagt, zodat dit doel is bereikt en de betaling niet langer kan worden opgeschort. Zoals hiervoor in conventie is overwogen, is de vordering van [eiser] op [gedaagde] € 3.201,
  77. Na verrekening is de vordering van [gedaagde] dus toewijsbaar tot een bedrag van € 1.818,74 (€ 5.019,84 minus € 3.201,10). Buitengerechtelijke incassokosten 5.
  78. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat niet is gebleken dat in een aanmaning aan [eiser] een betalingstermijn van veertien dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals is vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. Rente 5.
  79. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen over het toe te wijzen bedrag van € 1.818,
  80. Omdat [eiser] zijn betalingsverplichting mocht opschorten, zal de rechtbank de wettelijke rente laten ingaan als [eiser] dat bedrag niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft betaald. Kosten deskundige 5.
  81. [gedaagde] vordert de kosten van de deskundige Meijer verduurzaamt. Dit rapport is opgemaakt om verweer te voeren tegen de vorderingen van [eiser] . Artikel 6:96 lid 2 BW biedt geen wettelijke grondslag om de kosten van dat deskundigenrapport vergoed te krijgen. Dit onderdeel van de vordering zal dus worden afgewezen. in conventie en in reconventie Proceskosten 5.
  82. Omdat partijen zowel in conventie als in reconventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 6De beslissing De rechtbank in conventie 6.
  83. wijst het gevorderde af, in reconventie 6.
  84. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen van een bedrag van € 1.818,74, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, in conventie en in reconventie 6.
  85. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 23 april
  86. Alle hierna te noemen bedragen zijn inclusief btw, tenzij anders is vermeld. Artikel 6:230g lid 1 sub b BW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.