RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/351641 / HA ZA 24-221 Vonnis van 12 maart 2025 in de zaak van WIJNKER BOUW B.V., te Schagen, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Wijnker Bouw, advocaat: mr. F.A. Geevers, tegen 1de vennootschap onder firma [de VOF] , te Schagen, hierna te noemen: de vof,2. [gedaagde sub 2], te [woonplaats] , hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,3. [gedaagde sub 3], te [woonplaats] , hierna te noemen: [gedaagde sub 3] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. S. Hartog. De zaak in het kort Tussen partijen is een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor het realiseren van een fundering en de casco opbouw van een kantoorvilla. De aannemer, Wijnker Bouw, stelt dat [gedaagden] als opdrachtgevers een redelijke prijs voor de werkzaamheden zijn verschuldigd omdat partijen geen aanneemsom zijn overeengekomen. Wijnker Bouw vordert betaling van het onbetaald gebleven deel. [gedaagden] voeren aan dat partijen wel een vaste prijs hebben afgesproken, dan wel een richtprijs. Verder zijn volgens [gedaagden] bepaalde werkzaamheden niet of gebrekkig uitgevoerd. Zij stellen hierdoor schade te hebben geleden, waarvan zij betaling vorderen. De rechtbank oordeelt dat er ten aanzien van de fundering een vaste prijs is overeengekomen en ten aanzien van de casco opbouw een richtprijs. [gedaagden] moeten nog een deel van de aanneemsom betalen. Omdat in het werk van Wijnker Bouw gebreken zitten en het werk niet op tijd is opgeleverd, moet zij daarvoor schadevergoeding aan [gedaagden] betalen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 april 2024 met bijlagen 1 tot en met 9; - de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie met bijlagen 1 tot en met 33; - de conclusie van antwoord in reconventie met bijlagen 34 tot en met 45; - het tussenvonnis van 11 september 2024; - het B-formulier van 22 november 2024 van mr. Hartog met een bijlage van Vastgoed Beheer en Onderhoud; - het B-formulier van 22 november 2024 van mr. Geevers met bijlage 46; - de op 2 december 2024 gehouden mondelinge behandeling. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Wijnker Bouw is een aannemingsbedrijf. 2.2. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn vennoten van de vof, een onderneming in de detailhandel en zakelijke dienstverlening. 2.3. [gedaagden] hebben in 2020 een kavel in het project Halerpark ( [adres 1] en [adres 2] ) te Schagen gekocht om een kantoorvilla te ontwikkelen. [gedaagden] hebben eerst bij Bouwbedrijf Tuin B.V. een offerte opgevraagd. [gedaagden] vonden de prijs van deze offerte van € 2.108.889,99 te hoog en zijn daarom op zoek gegaan naar een ander bouwbedrijf. 2.4. Eind 2021 hebben [gedaagden] Wijnker Bouw gevraagd om de fundering van de kantoorvilla te realiseren. In dat kader is door Wijnker Bouw in januari 2022 een begroting van € 84.970,23 (exclusief btw) uitgebracht, waarmee [gedaagden] akkoord zijn gegaan. 2.5. Ook zijn partijen in gesprek gegaan over de ruwbouw van de te realiseren kantoorvilla. Bij e-mail van 23 maart 2022 hebben [gedaagden] aan Wijnker Bouw, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “(…) Zoals zojuist telefonisch besproken in de bijlage de gegevens voor de tenaamstelling van de factuur. Graag de factuur zsm mailen met omschrijving: totale ruwbouw zoals besproken excl heiwerk. En zoals gezegd, goed is goed genoeg. Totaalbedrag Euro 300000,- excl BTW. (…)” 2.6. Wijnker Bouw is in april 2022 gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. 2.7. Bij e-mail van 26 april 2022 hebben [gedaagden] aan Wijnker Bouw, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “(…) Graag aan de hand van de tekeningen de onderdelen die nog openstaan: metselwerk totaal, 1e en 2e verdiepingsvloer, staal en hout, opvragen en bestellen en binnen het budget van Euro 300000,- incl fundering en begane grondvloer houden. Komt niet op Euro 1000,- hoor! (…)” 2.8. Bij e-mail van 7 februari 2023 hebben [gedaagden] aan Wijnker Bouw, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “(…) In eerste instantie zouden we naar onze wens, en volgens jullie mogelijk, naar een prijs van Euro 300000,- excl BTW kunnen toewerken voor jullie deel van de ruwbouw, zie onder Deel Ruwbouw Wijnker. Na gesprek met jou bleek dit niet haalbaar. De prijs wat het nu echt maximaal mag worden en waar we zoals afgesproken echt naar toe moeten werken is Euro 400000,- excl BTW. Bovendien hebben wij ondertussen nog erg veel onnodig extra kosten gemaakt ivm tekenwerk SAS, extra huur, rentelasten etc etc. De staalconstructie zou een stuk lichter en goedkoper geworden moeten zijn dus dat scheelt. (…) Deel Ruwbouw Wijnker Fundering Vloerplaten begane grond incl cementdekvloer Verdiepingsvloer eerste verdieping incl druklaag en cementdekvloer Verdiepingsvloer tweede verdieping incl druklaag en cementdekvloer Staalconstructie compleet incl montage, tekenwerk en kanaalplaten 2x betonnen trap [adres 1] 1x houten trap [adres 2] HSB geisoleerde kap incl plaatsen Steiger Kalkzandsteen, binnen en buiten, iso en metselwerk buiten incl voegen en stenen zoals besproken Vullen kolommen Monteren kozijnen incl plaatsen glas (…) Nogmaals we mogen de prijs in totaal echt niet overschrijden. (…)” 2.9. Op 8 februari 2023 heeft Wijnker Bouw een schriftelijke planning van de op dat moment nog uit te voeren werkzaamheden opgesteld. Volgens die planning zou het werk op 19 mei 2023 klaar moeten zijn. 2.10. [gedaagden] hebben per e-mail van 18 mei 2023 Wijnker Bouw gewezen op diverse door hen geconstateerde gebreken, waaronder een lelijke afwerking van kalkzandsteen op de kopse kant, windverbanden op de meest vreemde plekken, het niet passen van de keuken vanwege een stalen kolom, het niet kunnen openen van de geplaatste ramen op de 1e verdieping en het niet kunnen plaatsen van betonnen trappen doordat deze niet meer ingepast kunnen worden. [gedaagden] hebben Wijnker Bouw gevraagd om een reactie te geven op alle punten. 2.11. Bij e-mail van 2 juni 2023 hebben [gedaagden] aan Wijnker Bouw, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “(…) Verder zijn wij erg blij dat we nu op 1 lijn zitten met de kosten voor de afgesproken werkzaamheden nadat jij aangaf dat het moet gaan lukken binnen ons budget. Kun jij zoals vanochtend besproken dit weekend, uiterlijk as maandag, de totaaleindfactuur mailen ajb? Dit met een bedrag van Euro 183880,87 inclusief BTW. Hiervan hebben wij afgelopen weekend al Euro 25000,- betaald. Het bedrag dat overblijft, Euro 158880,87, hebben wij inmiddels vrij laten maken en zullen wij dan zsm naar jullie overboeken. (…)” 2.12. Op 6 juni 2023 heeft Wijnker Bouw een factuur van € 158.880,88 (incl. btw) aan de vof gestuurd met omschrijving “Factuur wind en waterdicht”. Op 7 juni 2023 heeft Wijnker Bouw na een verzoek daartoe van [gedaagden] een aangepaste factuur aan de vof verzonden voor hetzelfde bedrag met de omschrijving “Eindfactuur [adres 1] & [adres 2] ”. 2.13. [gedaagden] hebben in totaal een bedrag van € 400.000,- excl. btw (€ 484.000,- incl. btw) aan Wijnker Bouw betaald. 2.14. [gedaagden] hebben meerdere e-mails aan Wijnker Bouw gestuurd waarin zij aandringen op het nakomen van de gemaakte afspraken, het afronden van de werkzaamheden en het verhelpen van diverse gebreken. 2.15. Wijnker Bouw heeft bij e-mail van 8 augustus 2023, voor zover van belang, het volgende aan [gedaagden] geschreven: “(…) Voor de opbouw is een prognosebudget afgegeven van waarbij de gegevens metselwerk, kozijnen plaatsen en een stalen trap nog onduidelijk waren en nog moesten worden doorgerekend € 357.193,83 excl. BTW. Doorgerekend zou hij naar ruim 400 K excl. BTW gaan. Na een constructief gesprek in de bouwkeet is hiervoor is het budget voor de opbouw verhoogd van € 300.000,- naar € 400.000,- excl. BTW. Wij hebben daarbij aangegeven dat volgens onze doorgerekende prognosebudgetten wij aardig in de richting zaten. Later kwam ineens de vraag op de een van de laatste facturen “eindfactuur” te zetten waarbij de rest in meerwerk zou worden afgerekend (zie mail d.d. 7-6-2023). Wij zijn momenteel weer aardig aan het voorfinancieren en willen graag antwoord op welke omschrijving wij dit gaan verrekenen. (…) 2.16. Bij e-mail van 17 augustus 2023 hebben [gedaagden] aan Wijnker Bouw, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “(…) Ondanks alle afspraken, beloftes en de door ons op voorhand betaalde eindfactuur komt u niet na wat u zou moeten uitvoeren. Vanochtend kwamen wij erachter dat enkele van uw medewerkers in allerijl de bouwplaats van de benodigde voorzieningen aan het ontdoen waren. In opdracht van u. (…) Wij zullen alle werkzaamheden die door u nog uitgevoerd dienen te worden door andere partijen laten uitvoeren en deze bij u voor 100% verhalen. (…) In de bijlage sturen wij u nog de meest recente planning van uw kant. Zoals duidelijk is deze bij lange na niet gehaald en staan er nog zeer veel door u af te maken onderdelen van onze afspraak op. Nogmaals, deze zullen wij, noodgedwongen door andere partijen laten uitvoeren en op u financieel verhalen. (…)” 2.17. De advocaat van Wijnker Bouw heeft bij brief van 29 september 2023 [gedaagden] erop gewezen dat volgens het laatste kostenoverzicht van Wijnker Bouw het werk aan de fundering in totaal € 84.790,- heeft gekost en dat het werk aan de opbouw uiteindelijk € 466.688,- heeft gekost. Hij heeft [gedaagden] gesommeerd het resterende bedrag van € 183.526 (incl. btw) uiterlijk 6 oktober 2023 te betalen. Hieraan is niet voldaan. 2.18. Wijnker Bouw heeft TOP Expertise B.V. (hierna: TOP Expertise) als deskundige ingeschakeld om een onderzoek uit te voeren naar de hoogte van de bouwkosten en de door [gedaagden] gemelde gebreken en tekortkomingen aan de uitgevoerde werkzaamheden. Op 27 november 2023 heeft TOP Expertise de bouwlocatie bezocht. In het rapport van TOP Expertise is, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “(…) In antwoord op de vraagstelling berichten wij u als volgt: 1. Wat is een redelijke prijs voor het werk dat door de aannemer is verricht aan het pand aan [adres 1] te Schagen? (…) Wij zijn van mening dat een redelijke prijs, voor het door Wijnker Bouw B.V. uitgevoerde werk, tussen de € 540.000,-- en € 550.000,-- exclusief btw bedraagt. 2. Wat is een redelijke prijs voor het werk aan de fundering? Op basis van de overgelegde bescheiden zijn wij van mening dat een redelijke prijs voor het werk aan de fundering en de begane grondvloer tussen de € 85.000,-- en € 90.000,-- exclusief btw bedraagt. 3. Wat is een redelijke prijs voor het werk aan de casco opbouw? Op basis van de overgelegde bescheiden en onder verwijzing naar onze kostenbegroting zijn wij van mening dat een redelijke prijs voor het werk aan de casco opbouw tussen de € 455.000,-- en € 465.000,-- exclusief btw bedraagt. 4. Hoe beoordeelt u de gebreken die, in de optiek van opdrachtgevers, aan het werk kleven? Zo ja, wat zou een redelijke, financiële compensatie zijn voor opdrachtgevers? Voor zover mogelijk geven wij u per genoemd gebrek een korte reactie op de door opdrachtgevers genoemde gebreken en tekortkomingen. (…) Resumerend zijn wij van mening dat er geen compensatie hoeft plaats te vinden. (…)” 2.19. [gedaagden] hebben Vastgoed Beheer en Onderhoud als deskundige ingeschakeld. Op 10 juni 2024 heeft zij een rapport opgesteld, waarin voor zover hier van belang, het volgende is geschreven: “(…) 1 Heeft de aannemer het werk op juiste wijze uitgevoerd? zo niet; van welke gebreken is er sprake en welke kosten zijn verbonden aan het herstel van die gebreken? Nee zie onder A Geen open stootvoegen in metselwerk gevolg geen ventilatie dus vocht opbouw in spouwmuur. B Heel veel baarden aan het metselwerk tot tegen de isolatie aan gevolg vocht opbouw in isolatie en later ook tegen binnen blad waardoor er vochtplekken in zowel het binnen als buitenblad ontstaan. C Isolatie glas niet gemonteerd terwijl dit wel in het pakket van Wijnker zat. D Buiten gevelstenen tekort besteld waardoor er kleurverschil is ontstaan bij de bovenzijde van de voor en zijgevel. Er is een offerte aanvraag bij Baksteen Holland gedaan op 7 februari 2023 door Wijnker voor in totaal 23 duizend stenen terwijl er in werkelijkheid 26 duizend stenen benodigd zijn. Herstelkosten A t/m D inclusief opslagen en exclusief BTW € 38.472,- E Op verzoek van aannemer is de staal constructie aangepast en lichter uitgevoerd. Het gevolg is dat er windverbanden in het gebouw zijn gesitueerd die niet gewenst zijn. Hierdoor kunnen de buitenkozijnen niet geplaatst worden op de plaats waar zij hadden moet worden gesitueerd waardoor de binnen indeling niet kan worden uitgevoerd op een wijze zoals opdrachtgevers voor ogen hadden. Tevens staan er stalen kolommen niet op de gewenste positie waardoor er ramen in de buitengevel kozijnen nu geheel open kunnen. Op de begane grond staan een aantal kolommen deels voor de buitengevel kozijnen. Dit is duidelijk een gebrek in de werkvoorbereiding en niet met toestemming van de opdrachtgevers zo uitgevoerd. Herstelkosten E inclusief opslagen en exclusief BTW € 36.480,- 2 De aannemer heeft het werk vroegtijdig, voor de afronding en oplevering van alle werkzaamheden verlaten. Kunt u aangeven welke werkzaamheden niet c.q. onvolledig zijn uitgevoerd? Kunt u tevens aangeven wat de hieraan verbonden kosten zijn die Wijnker Bouw B.V. in haar begroting had opgenomen c.q. wat het kost om deze werkzaamheden alsnog door derden uit te voeren? A Het niet onder metselen van de deurkozijnen begane grond. B Het niet realiseren van de technische ruimte op de begane grond. C Het niet afwerken van de trapgat sparingen. D Het niet leveren en monteren van de betontrappen. E Het niet aanbrengen van de cement dekvloeren begane grond, 1e verd en 2e verd. F Het niet realiseren van alle binnen wanden in kalkzandsteen maar uitgevoerd in houten wanden met OSB beplating. Tevens zijn er geen gipsplaten aangebracht op de op de OSB beplating. Herstelkosten A t/m F inclusief opslagen en exclusief BTW € 61.535,- (…) totaal herstel kosten € 136.487,00” 2.20. TOP Expertise heeft op verzoek van Wijnker Bouw in een rapport van 17 augustus 2024 gereageerd op de bevindingen van Vastgoed Beheer en Onderhoud. Vervolgens heeft Vastgoed Beheer en Onderhoud in opdracht van [gedaagden] een aanvullend rapport uitgebracht. 2.21. Wijnker Bouw heeft - met verlof van de voorzieningenrechter - ten laste van [gedaagden] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de Rabobank en op het aandeel van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in het onroerend goed. De voorzieningenrechter heeft Wijnker Bouw bij vonnis van 9 juli 2024 veroordeeld het beslag onder de Rabobank op te heffen. 3Het geschil in conventie 3.1. Wijnker Bouw vordert – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt aan Wijnker Bouw te voldoen het bedrag van € 179.351,-, vermeerderd met wettelijke rente, II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten alsmede de beslagkosten van € 1.470,56, vermeerderd met wettelijke rente, III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. Wijnker Bouw legt – kort samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een aannemingsovereenkomst gesloten, die niet voorziet in een concrete aanneemsom. Wijnker Bouw heeft op grond van artikel 7:752 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op betaling van een redelijke vergoeding voor haar werk. Onder verwijzing naar het rapport van TOP Expertise stelt Wijnker Bouw dat een redelijke vergoeding voor het werk aan de fundering € 85.000,- (excl. btw) bedraagt en voor het werk aan de casco opbouw € 455.000,- (excl. btw). [gedaagde sub 2] heeft een bedrag van € 400.000,- (excl. btw) voldaan, dus heeft Wijnker Bouw nog een bedrag van € 140.000,- (excl. btw), oftewel € 169.400,- incl. btw van [gedaagden] te vorderen. Daarnaast vordert Wijnker Bouw betaling van de kosten van TOP Expertise (€ 2.500,-), de buitengerechtelijk incassokosten (€ 2.469,-) en de wettelijke rente (€ 4.982,-, berekend van 6 oktober 2023 tot 19 maart 2024). 3.3. [gedaagden] voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4Het geschil in reconventie 4.1. [gedaagden] vorderen dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Wijnker Bouw veroordeelt tot betaling aan [gedaagden] van de door hen geleden schade, bestaande uit de volgende posten: a.
- a)schade wegens door Wijnker Bouw niet uitgevoerde werkzaamheden € 74.457,35
- b)schade door gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden € 90.691,92
- c)kosten ter vaststelling van de schade (Vastgoed Beheer en Onderhoud) € 3.705,63
- d)huurschade € 21.244,59
- e)extra tekenwerk SAS € 3.339,60
- f)buitengerechtelijke incassokosten € 2.426,49 II. Wijnker Bouw gelast over te gaan tot opheffing van de gelegde beslagen, III. Wijnker Bouw veroordeelt in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.2. [gedaagden] leggen – kort samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. Er zijn gebreken in de door Wijnker Bouw uitgevoerde werkzaamheden. Wijnker Bouw heeft een deel van de overeengekomen werkzaamheden niet uitgevoerd of gebrekkig uitgevoerd, waardoor zij schadeplichtig is c.q. de door haar gestelde aanneemsom verlaagd dient te worden. Ook is er sprake van bijkomende schade door extra gemaakte kosten door wijzigingen in het werk en doordat er aanzienlijke vertraging is ontstaan in de uitvoering ten opzichte van gedane toezeggingen en de afgegeven planningen. 4.3. Wijnker Bouw voert verweer. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling in conventie [gedaagden] zijn niet aan te merken als consument 5.1. [gedaagden] hebben aangevoerd dat zij als consument moeten worden aangemerkt, omdat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in de kantoorvilla zouden gaan wonen en dit bij Wijnker Bouw bekend was. De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagden] niet. De vof is de aannemingsovereenkomst voor het realiseren van de fundering en de casco opbouw van de kantoorvilla met Wijnker Bouw aangegaan. Wijnker Bouw heeft onweersproken gesteld dat is gefactureerd aan de vof, die medegerechtigde is tot de (bouw)percelen, en dat de facturen ook door de vof zijn betaald. Daarnaast hebben [gedaagden] alle e-mail correspondentie met Wijnker Bouw verricht vanuit een bedrijfsmatig e-mailadres ( [e-mailadres] ), wat kennelijk een zakelijk mailadres van de vof is. Al deze omstandigheden wijzen erop dat de vof de contractspartij is. Daartegenover hebben [gedaagden] onvoldoende aangevoerd om aan te kunnen nemen dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] (ook als natuurlijk persoon) contractspartij zijn. De rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de zaak dus niet betrekken dat [gedaagden] de overeenkomst als consument zijn aangegaan. De prijs voor het geleverde werk 5.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag welk bedrag [gedaagden] aan Wijnker Bouw verschuldigd zijn voor de door Wijnker Bouw verrichte werkzaamheden. 5.3. Wijnker Bouw stelt dat partijen voor het realiseren van de fundering een vaste aanneemsom van (afgerond) € 85.000,- (excl. btw) zijn overeengekomen en dat dit volgens het rapport van TOP Expertise ook een redelijke prijs daarvoor is. Voor het realiseren van de casco opbouw hebben partijen geen prijs afgesproken. Er zijn besprekingen geweest waarin [gedaagden] hun budget hebben aangegeven van aanvankelijk € 300.000,- (excl. btw), maar Wijnker Bouw heeft toen onder verwijzing naar een door haar opgesteld kostenoverzicht aangegeven dat het werk minstens € 357.000,- (excl. btw) zou gaan kosten. De uiteindelijke kosten zouden nog hoger worden omdat sommige werkzaamheden niet in het overzicht verwerkt waren. Later hebben [gedaagden] hun budget verhoogd naar € 400.000,- (excl. btw), maar dit is geen overeengekomen bedrag en ook geen richtprijs. Bij gebreke van een prijsafspraak zijn [gedaagden] volgens Wijnker Bouw een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 lid 1 BW voor het werk aan de casco opbouw verschuldigd. Onder verwijzing naar het rapport van TOP Expertise stelt Wijnker Bouw dat € 455.000,- (excl. btw) een redelijke prijs is. 5.4. Volgens [gedaagden] hebben partijen tijdens de bespreking in maart 2022 een duidelijke prijsafspraak van € 300.000,- (excl. btw) gemaakt voor het totaal van de werkzaamheden (totale ruwbouw, inclusief de fundering). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden bleek een bedrag van € 300.000,- niet toereikend, waarna partijen een totaalprijs van € 400.000,- (excl. btw) zijn overeengekomen, die absoluut niet overschreden mocht worden. Subsidiair voeren [gedaagden] aan dat sprake is van een richtprijs, die met niet meer dan 10% mag worden overschreden omdat Wijnker Bouw niet heeft gewaarschuwd voor een verdere overschrijding. 5.5. De rechtbank overweegt als volgt. Een aanneemsom kan op verschillende manieren worden vastgesteld. Zo kunnen de aannemer en opdrachtgever een vaste aanneemsom overeenkomen. Dat houdt in dat het risico van financiële tegenvallers (in beginsel) bij de aannemer ligt, maar sluit niet uit dat sprake kan zijn van meer- en/of minderwerk of onvoorziene omstandigheden (artikel 7:753 BW). Ook is het mogelijk dat voor onderdelen van het werk, waarvoor bij het sluiten van de aannemingsovereenkomst nog geen nauwkeurige prijs kan worden afgegeven, zogenoemde stelposten worden opgenomen. Voor de situatie dat geen (vaste) prijs is overeengekomen is het bepaalde in artikel 7:752 lid 1 BW van toepassing: indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, is de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd. Bij de bepaling daarvan wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. 5.6. Er is geen schriftelijke overeenkomst tussen partijen gesloten, zij hebben mondeling afspraken gemaakt over het uit te voeren werk. De rechtbank zal daarom op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken en correspondentie tussen partijen beoordelen wat partijen over de prijs van het werk zijn overeengekomen en wat zij – gelet op de verklaringen over en weer – in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 5.7. Uit de overgelegde stukken blijkt dat Wijnker Bouw in januari 2022 een begroting voor het realiseren van de fundering heeft uitgebracht. De kosten daarvan bedragen in totaal € 84.970,23 (excl. btw). Niet in geschil is dat de vof deze begroting heeft geaccepteerd. De rechtbank is van oordeel dat partijen daarmee ten aanzien van dit onderdeel van de bouw van de kantoorvilla een vaste prijsafspraak zijn overeengekomen. 5.8. Na het sluiten van de overeenkomst voor de realisatie van de fundering, zijn partijen overeengekomen dat Wijnker Bouw ook de casco opbouw zou realiseren. Ten aanzien van het werk aan de casco opbouw is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden] , op wie de stelplicht en bewijslast voor het bestaan van een vaste prijsafspraak rust, onvoldoende hebben gesteld om aan te kunnen nemen dat er sprake is van een vaste overeengekomen prijs. Uit de overgelegde correspondentie (veelal vanuit [gedaagden] ) leidt de rechtbank af dat [gedaagden] Wijnker Bouw herhaaldelijk hebben gewezen op het budget van eerst € 300.000,- (excl. btw), dat later is verhoogd naar € 400.000,- (excl. btw). Daarmee is echter niet gegeven dat partijen een vaste prijsafspraak voor dat bedrag hebben gemaakt. Niet blijkt dat Wijnker Bouw daarmee akkoord is gegaan. 5.9. Naar het oordeel van de rechtbank dient het besproken bedrag van € 400.000,- (excl. btw) gezien te worden als een richtprijs als bedoeld in artikel 7:752 lid 2 BW. Partijen hebben in 2023 met elkaar om tafel gezeten omdat het werk volgens Wijnker Bouw niet kon worden gerealiseerd voor het door [gedaagden] genoemde budget van € 300.000,- (excl. btw). Wijnker Bouw heeft tijdens de zitting verklaard dat zij ten behoeve van dit gesprek een kostenopstelling had gemaakt en dat besproken is welke werkzaamheden [gedaagden] nog wilden laten doen. Hierop hebben [gedaagden] het budget verhoogd tot € 400.000,- (excl. btw). Onder deze omstandigheden mochten [gedaagden] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat partijen op dat moment een richtprijs van € 400.000,- (excl. btw) waren overeengekomen voor de casco opbouw. 5.10. Anders dan [gedaagden] aanvoeren, is de rechtbank van oordeel dat deze richtprijs niet mede ziet op de fundering. Voor dat onderdeel van de werkzaamheden hadden partijen al een vaste prijsafspraak gemaakt. Gelet op de omvang van de werkzaamheden die moesten worden uitgevoerd om de casco opbouw te realiseren, hadden [gedaagden] ook niet redelijkerwijs mogen verwachten dat in het bedrag van (uiteindelijk) € 400.000,- (excl. btw) ook de kosten van de fundering zouden zijn begrepen. Uit de waarde die de deskundigen van beide partijen aan de casco opbouw van Wijnker Bouw toekennen (volgens Top Expertise € 455.000,-, volgens Vastgoed Beheer en Onderhoud is dit € 69.101,- lager, dus € 385.899,-), blijkt dat dit niet realistisch zou zijn. 5.11. Ingevolge artikel 7:752 lid 2 BW mag een richtprijs met niet meer dan 10% worden overschreden, tenzij Wijnker Bouw [gedaagden] tijdig heeft gewaarschuwd voor de waarschijnlijkheid van verdere overschrijding, om hen de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen. De stelling van Wijnker Bouw dat zij [gedaagden] daarvoor daadwerkelijk heeft gewaarschuwd, is onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen blijkt daar niets van en tijdens de zitting is namens Wijnker Bouw verklaard dat nooit duidelijk is aangeven welk(
- e)bedrag(
- en)er nog bij zou(den) komen. Als richtprijs voor de casco opbouw gaat de rechtbank daarom uit van een bedrag van € 400.000,- (excl. btw), die met maximaal 10% mag worden overschreden, dus met een bedrag van € 40.000,-. [gedaagden] betwisten niet dat sprake is geweest van een overschrijding van (ten minste) 10%. Anders dan [gedaagden] bepleiten, is deze verhoging met 10% niet opgegaan in de budgetverhoging van € 300.000,- naar € 400.000,-. Zoals hiervoor is overwogen was namelijk sprake van een richtprijs van € 400.000,- (excl. btw) en die mag zonder waarschuwing met maximaal 10% worden overschreden. 5.12. Het voorgaande leidt er toe dat Wijnker Bouw in totaal maximaal aanspraak kan maken op een bedrag van € 524.970,23 excl. btw (€ 84.970,23 + € 400.000,- + € 40.000,-). Dat is inclusief btw € 635.213,97. [gedaagden] hebben een bedrag van € 484.000,- betaald, zodat zij in beginsel nog een bedrag € 151.213,97 (incl. btw) aan Wijnker Bouw zijn verschuldigd. Niet uitgevoerde werkzaamheden 5.13. Wijnker Bouw heeft niet bestreden dat zij met de vof is overeengekomen dat zij voor de casco opbouw de volgende werkzaamheden moest verrichten: 5.14. [gedaagden] voeren aan dat Wijnker Bouw een deel van deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, zodat de daarmee gepaard gaande bedragen in mindering moeten worden gebracht op de verschuldigde prijs. Nu sprake is van een richtprijs voor de hiervoor opgesomde werkzaamheden, hoeven [gedaagden] alleen te betalen voor de werkzaamheden die daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Dit uitgangspunt heeft Wijnker Bouw niet betwist. Zij voert wel verschillende inhoudelijke verweren tegen het standpunt van [gedaagden] De rechtbank zal hieronder de verschillende werkzaamheden bespreken die volgens [gedaagden] niet zijn uitgevoerd. Technische ruimte, betonnen trappen en cementdekvloer 5.15. Partijen zijn het er over eens dat het realiseren van de technische ruimte voor appartement [adres 2] op de begane grond niet is uitgevoerd. Wijnker Bouw heeft ter zitting verder verklaard dat de betonnen trappen niet zijn geleverd en gemonteerd. Ook staat tussen partijen niet ter discussie dat er geen cementdekvloer op de begane grond, 1e en 2e verdieping is gestort. Voor al deze werkzaamheden hoeven [gedaagden] dus niet te betalen. Vastgoed Beheer en Onderhoud heeft de kosten voor deze niet uitgevoerde werkzaamheden in haar aanvullende rapport als volgt begroot: Het niet realiseren van de technische ruimte € 7.750,- Het niet leveren en aanbrengen van de betontrappen € 15.840,- Het niet aanbrengen cement dekvloeren € 12.500,- Wijnker Bouw heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank de hierboven genoemde bedragen van in totaal € 36.090,- (excl. btw) en dus € 43.668,90 inclusief btw in mindering zal brengen op de prijs die maximaal in rekening mag worden gebracht. Ondermetselen deurkozijnen 5.16. Verder voeren [gedaagden] onder verwijzing naar het rapport van Vastgoed Beheer en Onderhoud aan dat de deurkozijnen op de begane grond niet zijn onder gemetseld. Wijnker Bouw heeft ter zitting verklaard dat zij in overleg met [gedaagden] in plaats van het ondermetselen geïsoleerde kantplanken heeft aangebracht. [gedaagden] hebben dit niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. De rechtbank is van oordeel dat er daarom geen aanleiding is de door Vastgoed Beheer en Onderhoud begrote kosten van € 418,- voor het ondermetselen in mindering te brengen. Afwerking trapgat 5.17. [gedaagden] stellen dat de trapgat sparingen niet zijn afgewerkt en dat daarom € 3.040,- in mindering moet worden gebracht op de aanneemsom. Wijnker Bouw voert aan dat de afwerking van het trapgat geen onderdeel is van de aannemingsovereenkomst, die slechts ziet op ruwbouw. Tegenover dit standpunt van Wijnker Bouw hebben [gedaagden] onvoldoende (gemotiveerd) feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze afwerkingswerkzaamheden onderdeel zijn van de overeenkomst. Deze kosten worden daarom niet in mindering gebracht op de prijs die [gedaagden] voor het werk moeten betalen. Binnenwanden niet uitgevoerd in kalkzandsteen 5.18. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de binnenwanden niet in kalkzandsteen zijn uitgevoerd maar in houten wanden met OSB beplating. De richtprijs voor de casco opbouw was wel gebaseerd op kalkzandsteenmetselwerk, zodat het prijsverschil in mindering moet komen als de kosten voor het aanbrengen van houten wanden met OSB beplating goedkoper is. In het aanvullende rapport van Vastgoed Beheer en Onderhoud, waarnaar [gedaagden] verwijzen, worden de kosten om de werkzaamheden alsnog in kalkzandsteen uit te laten voeren begroot op € 13.517,-. Het gaat echter niet om de kosten om de binnenwanden alsnog in kalkzandsteen te laten metselen, maar om het eventuele prijsverschil. Om dat vast te kunnen stellen, hebben [gedaagden] onvoldoende gesteld. Er zal voor dit onderdeel, bij gebrek aan onderbouwing, dus geen bedrag in mindering worden gebracht. Geen bewijslevering 5.19. Beide partijen hebben bewijs aangeboden van de stellingen die zij hebben ingenomen. Uit de beoordeling van de rechtbank blijkt dat de partij op wie de bewijslast van een bepaalde stelling rust, onvoldoende heeft voldaan aan de stelplicht. Daarom komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering. Conclusie ten aanzien van de gevorderde hoofdsom 5.20. Zoals hiervoor in overweging 5.12 is overwogen, waren [gedaagden] in beginsel nog een bedrag € 151.213,97 (incl. btw) aan Wijnker Bouw verschuldigd. Wegens niet uitgevoerde werkzaamheden zal hier, zoals in overweging 5.15 is overwogen, € 43.668,90 (incl. btw) in mindering zal worden gebracht. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 107.545,07 (incl. btw). Kosten deskundige 5.21. Verder heeft Wijnker Bouw de kosten van de deskundige TOP Expertise gevorderd. De deskundige is door Wijnker Bouw ingeschakeld om te bepalen wat een redelijke prijs is voor de werkzaamheden. Nu de rechtbank oordeelt dat sprake is van een richtprijs, was het niet nodig om een redelijke prijs voor het werk te laten vaststellen. Voor zover het rapport van TOP Expertise ziet op een weerlegging van door [gedaagden] gestelde gebreken, geldt dat er geen wettelijke grondslag is om de kosten daarvan vergoed te krijgen. De kosten van de deskundige zullen daarom worden afgewezen. Rente 5.22. [gedaagden] hebben geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. Daarom zal de wettelijke rente over de toe te wijzen hoofdsom worden toegewezen vanaf 6 oktober 2023 tot de dag van volledige voldoening. Buitengerechtelijke incassokosten 5.23. [gedaagden] hebben ook geen verweer gevoerd tegen de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Bovendien blijkt voldoende dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De rechtbank zal de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten berekenen over de toe te wijzen hoofdsom, overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. De rechtbank zal de buitengerechtelijke incassokosten daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.850,45. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (9 april 2024), omdat Wijnker Bouw in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kan maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon. Proceskosten en beslagkosten 5.24. [gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wijnker Bouw worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 112,37 - griffierecht € 5.929,00 - salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten × € 1.929,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 10.077,37 5.25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5.26. Wijnker Bouw vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden zoals gevorderd vastgesteld op € 1.470,56, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing. Hoofdelijkheid 5.27. Op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als vennoten van de vof hoofdelijk verbonden voor verbintenissen van de vof. De rechtbank zal [gedaagden] daarom hoofdelijk veroordelen de toe te wijzen bedragen aan Wijnker Bouw te betalen. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. in reconventie 5.28. In reconventie stellen [gedaagden] dat zij schade hebben geleden, doordat Wijnker Bouw niet conform de overeenkomst heeft gehandeld omdat er werkzaamheden niet zijn uitgevoerd dan wel gebrekkig zijn uitgevoerd. Ter onderbouwing daarvan verwijzen [gedaagden] naar de rapporten van Vastgoed Beheer en Onderhoud. Ook hebben [gedaagden] schade geleden door extra gemaakte kosten in de uitvoering en vertraging in de uitvoering door Wijnker Bouw. De grondslag voor deze vordering is artikel 6:74 BW. 5.29. De rechtbank heeft in conventie al beslist over de werkzaamheden die Wijnker Bouw volgens [gedaagden] niet zou hebben uitgevoerd en in een aantal gevallen kosten daarvan in mindering gebracht op de vordering van Wijnker Bouw. Dit onderdeel van de tegenvordering zal dus niet nogmaals beoordeeld worden en is niet toewijsbaar. De rechtbank zal hieronder eerst de door [gedaagden] gestelde gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden bespreken en daarna beoordelen of de gevorderde vertragingsschade toewijsbaar is. Gestelde gebreken Open stootvoegen 5.30. In het rapport van Vastgoed Beheer en Onderhoud staat dat er geen open stootvoegen zijn aangebracht. Volgens Vastgoed Beheer en Onderhoud is het gevolg daarvan dat er geen ventilatie is en er vocht in de spouwmuur zal komen. Wijnker Bouw heeft weliswaar betwist dat er geen open stootvoegen zijn aangebracht, maar zij heeft deze betwisting niet gemotiveerd. Uit het rapport van haar deskundige TOP Expertise blijkt ook niet dat er wel (voldoende) open stootvoegen zijn aangebracht, daarin wordt volstaan met de opmerking dat dit eenvoudig kan worden gedaan. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verweer van Wijnker Bouw. Door na te laten (voldoende) open stootvoegen aan te brengen is Wijnker Bouw tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Zij moet de schade die [gedaagden] daardoor lijden vergoeden. De schade bestaat uit de herstelkosten en in het rapport van Vastgoed Beheer en Onderhoud worden deze begroot op in totaal € 9.206,- (excl. btw). Wijnker Bouw voert aan dat het aantal volgens Vastgoed Beheer en Onderhoud aan te brengen open stootvoegen te hoog is. Voor dit verweer geldt echter dat zij dit niet (gemotiveerd) heeft onderbouwd. De rechtbank passeert dit verweer om die reden en zal de schade begroten op € 9.206,- (excl. btw). Baarden metselwerk 5.31. Vastgoed Beheer en Onderhoud heeft in haar rapport genoteerd dat er veel baarden in het metselwerk zitten. Bij het aanvullende rapport van Vastgoed Beheer en Onderhoud zijn foto’s gevoegd van een hoek van de woning waarop baarden in het metselwerk zichtbaar zijn. De deskundige heeft in zijn rapport meegedeeld dat de baarden in het metselwerk tot gevolg kunnen hebben dat er vocht wordt opgebouwd in de isolatie en later ook tegen het binnenblad waardoor er vochtplekken in zowel het binnen- als het buitenblad ontstaan. Volgens de deskundige zijn er naar schatting twaalf vochtplekken en de herstelkosten bedragen € 340,- per plek, dus in totaal € 4.080,- (excl. btw). 5.32. Wijnker Bouw heeft ter zitting aangevoerd dat er altijd baarden in het metselwerk zitten en dat zij zich niet kan voorstellen dat er meer baarden zitten dan op de foto’s is te zien. Hierop hebben [gedaagden] gereageerd dat het hoogstwaarschijnlijk op meerdere plekken zit maar dat zij de baarden alleen in de hoek op de overgelegde foto hebben kunnen zien omdat het werk daar niet af is. 5.33. Gelet op de toelichting in het rapport van Vastgoed Beheer en Onderhoud is de rechtbank van oordeel dat de aanwezigheid van baarden in het metselwerk een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van Wijnker Bouw oplevert. Uit de verklaring van [gedaagden] ter zitting volgt dat alleen de baarden op de overgelegde foto zichtbaar zijn. Zij hebben onvoldoende onderbouwd dat sprake is van meer baarden. De aanwezigheid van baarden op meerdere plekken wordt in het rapport van Vastgoed Beheer en Onderhoud ook niet toegelicht. Een schatting dat er meer baarden zijn dan zichtbaar is, is daarvoor -tegenover de betwisting van Wijnker Bouw - onvoldoende. Daarvan kan de rechtbank dus niet uitgaan. De rechtbank zal de schade, bestaande uit de herstelkosten, waarvan de hoogte op zichzelf niet is weersproken, daarom ten aanzien van één plek toewijzen, zijnde een bedrag van € 340,- (excl. btw). Isolatieglas 5.34. [gedaagden] stellen dat Wijnker Bouw heeft nagelaten isolatieglas te plaatsen en verwijzen daartoe naar het rapport van Vastgoed Beheer en Onderhoud. Wijnker Bouw betoogt dat het plaatsen van (isolatie)glas geen onderdeel is van de overeenkomst. 5.35. De rechtbank stelt vast dat in de overgelegde planning van Wijnker Bouw van 8 februari 2023 het plaatsen van glas is opgenomen. In dit licht bezien heeft Wijnker Bouw onvoldoende gemotiveerd betwist dat dit onderdeel is van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Vaststaat dat Wijnker Bouw het glas niet heeft geplaatst en daarmee is sprake van een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen. Vastgoed Beheer en Onderhoud heeft de schade, bestaande uit de kosten van het monteren van isolatieglas, begroot op € 2.400,- (excl. btw). Wijnker Bouw heeft de hoogte van het bedrag niet weersproken, dus de rechtbank zal dit bedrag toewijzen. Kleurverschil bakstenen 5.36. [gedaagden] hebben gesteld dat in de aangebrachte gevelstenen aan de voorkant van het dakterras een storend kleurverschil zit. De deskundige van Vastgoed Beheer en Onderhoud heeft in zijn rapport gesteld dat dit komt doordat er te weinig bakstenen zijn besteld voor de buitenkant van de woning waardoor het kleurverschil heeft kunnen ontstaan. [gedaagden] vorderen hiervoor een schadevergoeding van € 17.490,- (excl. btw), het bedrag dat de deskundige heeft begroot voor de herstelkosten. 5.37. Ter zitting heeft Wijnker Bouw verklaard dat het dakterras van de woning aanvankelijk deels van glas zou worden voorzien. Naderhand is volgens Wijnker Bouw door [gedaagden] besloten dat het glasgedeelte moest worden opgemetseld. Op dat moment waren de stenen al door Wijnker Bouw besteld. Daardoor kan enig kleurverschil zijn ontstaan. Volgens TOP Expertise is dit kleurverschil acceptabel. Er is volgens Wijnker Bouw dus geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen. 5.38. [gedaagden] hebben niet weersproken dat het oorspronkelijke ontwerp van de buitenkant van het dakterras op hun verzoek is gewijzigd van een glazen naar een stenen buitenkant en dat de stenen voor de gevel toen al waren besteld door Wijnker Bouw. De rechtbank is van oordeel dat er onder deze omstandigheden geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de kant van Wijnker Bouw. Daarbij komt dat TOP Expertise heeft geconcludeerd dat het kleurverschil van de bakstenen aan de buitenkant minimaal is en [gedaagden] onvoldoende hebben gesteld om tot een ander oordeel te kunnen komen. Dit onderdeel van de vordering zal dus worden afgewezen. Staalconstructie 5.39. [gedaagden] leggen verder aan hun vordering ten grondslag dat de staalconstructie is aangepast en lichter is uitgevoerd dan was overeengekomen. De schade die [gedaagden] hierdoor hebben geleden bestaat uit het prijsverschil, dat Vastgoed Beheer en Onderhoud heeft begroot op € 13.048,- (excl. btw). Door de aanpassing van de staalconstructie staan de stalen windverbanden in het gebouw op plekken die niet gewenst zijn. Hierdoor moesten bijvoorbeeld ramen komen te vervallen en konden buitenkozijnen niet op de juiste plek geplaatst worden. Volgens Vastgoed Beheer en Onderhoud bedragen de kosten die gemaakt moeten worden om de staalconstructie aan te passen € 18.400,- (excl. btw), welk bedrag [gedaagden] als schadevergoeding vorderen. 5.40. Wijnker Bouw heeft hiertegen ingebracht dat de staalconstructie op verzoek van [gedaagden] is aangepast, ter besparing van kosten. Bovendien is de staalconstructie door een andere partij uitgevoerd en door (de constructeur van) [gedaagden] goedgekeurd. De regie van het bouwproject lag bij [gedaagden] en onderliggende berekeningen werden niet verstrekt, zodat een eventuele verkeerde plaatsing niet aan haar te wijten is, aldus Wijnker Bouw. 5.41. De rechtbank overweegt als volgt. In rechtsoverweging 5.13 is al overwogen dat Wijnker Bouw niet heeft bestreden dat het plaatsen van de staalconstructie onderdeel is van de werkzaamheden die zij op basis van de aannemingsovereenkomst moest verrichten. Uit de e-mail van 7 februari 2023 van [gedaagden] aan Wijnker Bouw blijkt dat [gedaagden] hebben ingestemd met een lichtere staalconstructie. Die mail is gestuurd kort nadat partijen met elkaar om tafel hadden gezeten over de nog uit te voeren werkzaamheden en zij de richtprijs van € 400.000,- waren overeengekomen, wat [gedaagden] in diezelfde mail bevestigen. Dit betekent dat de lichtere uitvoering van de staalconstructie onderdeel uitmaakt van de overeengekomen richtprijs van € 400.000,-. Er is reeds daarom geen grond voor toewijzing van het gevorderde prijsverschil van € 13.048,-. Dit onderdeel van de vordering ligt daarmee voor afwijzing gereed. 5.42. De andere gestelde tekortkoming ten aanzien van de staalconstructie ziet op de plaats waar deze nu staat. Wijnker Bouw heeft ter zitting de gang van zaken ten aanzien van de realisatie van de staalconstructie toegelicht. Doordat er is gekozen voor een lichtere staalconstructie moest de constructeur nieuwe tekeningen maken. Deze tekeningen zijn naar de architect verzonden. De architect heeft zijn ontwerptekeningen echter niet aangepast aan de hand van de constructietekeningen. [gedaagden] hebben deze gang van zaken niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Nu de coördinatie van de werkzaamheden bij hen lag, zoals uit de overgelegde correspondentie blijkt, komt de rechtbank tot de conclusie dat zij er zelf verantwoordelijk voor waren dat de staalconstructie op de door hen gewenste plaats zou komen. Er is daarom geen sprake van een tekortkoming die aan Wijnker Bouw kan worden toegerekend. Dit onderdeel van de vordering is dus ook niet toewijsbaar. Conclusie ten aanzien van de gestelde gebreken 5.43. Uit het voorgaande blijkt dat de gevorderde schadevergoeding wegens gebreken in het werk dat Wijnker Bouw heeft uitgevoerd, toewijsbaar is tot een bedrag van € 11.946,- exclusief btw (€ 9.206,- + € 340,- + € 2.400,-). Dit is inclusief btw € 14.454,66. Vertragingsschade 5.44. Daarnaast stellen [gedaagden] dat Wijnker Bouw tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen door de afgesproken planning niet te halen. [gedaagden] vorderen een bedrag van € 21.244,59 wegens vertragingsschade. Dit bedrag bestaat uit het zes maanden langer moeten huren van een woning (€ 6.726,-) en een opslagloods (€ 2.518,59) en het gedurende die periode niet kunnen verhuren van de nieuwbouwwoning (€ 12.000,-). Wijnker Bouw voert als verweer aan dat de te late oplevering te wijten is aan de wijzigingen in de staalconstructie en het niet dan wel te laat aanleveren van gegevens door [gedaagden] , zodat de vertraging niet aan haar te wijten is en zij dus niet schadeplichtig is. 5.45. De rechtbank stelt vast dat Wijnker Bouw naar aanleiding van het gesprek tussen partijen over de nog uit te voeren werkzaamheden en de richtprijs, op 8 februari 2023 een (nieuwe) planning heeft gemaakt. Uit die planning blijkt dat het werk op 19 mei 2023 klaar had moeten zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat het werk op die datum nog niet gereed was. 5.46. De rechtbank verwerpt het verweer van Wijnker Bouw dat dit niet aan haar is te wijten. Anders dan Wijnker Bouw heeft aangevoerd, blijkt niet dat de opgelopen vertraging is veroorzaakt door de wijzigingen in de staalconstructie en het niet dan wel te laat aanleveren van berekeningen door [gedaagden] De e-mails over deze onderwerpen waarnaar Wijnker Bouw verwijst, dateren allemaal van vóór 8 februari 2023, toen de nieuwe planning door Wijnker Bouw werd opgesteld. Dat die problemen in februari 2023 of de maanden daarna nog steeds speelden, heeft Wijnker Bouw niet (gemotiveerd) aangevoerd en is de rechtbank ook niet gebleken. Daarmee heeft Wijnker Bouw onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen door de opleverdatum van 19 mei 2023 niet te halen. 5.47. Het voorgaande betekent dat zij de schade die [gedaagden] daardoor hebben geleden, moet vergoeden. In dit verband heeft Wijnker Bouw niet betwist dat [gedaagden] de huurwoning en de opslagloods zes maanden langer hebben moeten huren. Ook de hoogte van de gevorderde bedragen heeft Wijnker Bouw niet bestreden. De rechtbank zal de gevorderde bedragen van € 6.726,- en € 2.518,59, in totaal € 9.244,59, dan ook toewijzen. De gevorderde schadevergoeding voor het niet kunnen verhuren van de nieuwbouwwoning zal worden afgewezen. [gedaagden] hebben tegenover de betwisting van Wijnker Bouw namelijk onvoldoende onderbouwd dat zij de nieuwbouwwoning gedurende de betreffende periode konden verhuren aan een derde. Kosten deskundige 5.48. [gedaagden] vorderen de kosten van de deskundige Vastgoed Beheer en Onderhoud ten bedrage van € 3.705,63. De rechtbank vindt het redelijk dat [gedaagden] de deskundige heeft ingeschakeld om de schade vast te stellen. Ook de gevorderde kosten zijn redelijk, zodat deze op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal deze vordering daarom toewijzen. Kosten SAS 5.49. Ook vorderen [gedaagden] de kosten voor extra tekenwerk wegens door Wijnker Bouw gewenste aanpassingen. De rechtbank wijst deze vordering af, omdat [gedaagden] onvoldoende hebben onderbouwd waarom deze kosten voor rekening van Wijnker Bouw zouden moeten komen. Dat de aanpassing van de constructie op verzoek van Wijnker Bouw heeft plaatsgevonden, hebben [gedaagden] tegenover de betwisting van Wijnker Bouw namelijk onvoldoende onderbouwd. Buitengerechtelijke incassokosten 5.50. [gedaagden] maken aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, die zouden zijn gemaakt door hun advocaat en henzelf. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de advocaat van [gedaagden] Wijnker Bouw alleen op 5 oktober 2023 heeft aangeschreven, in reactie op een brief van de advocaat van Wijnker Bouw. Die brief bevat weliswaar een weergave van het standpunt van [gedaagden] over de schade die zij stelt te hebben geleden, maar geen sommatie tot betaling van een concreet bedrag. Een dergelijke sommatie of opsomming van schadebedragen volgt ook niet de correspondentie die [gedaagden] zelf hebben gevoerd. Er is daarom niet gebleken van kosten die gemaakt zijn ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Dit betekent dat de door [gedaagden] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Gelegde beslagen 5.51. Uit wat hiervoor in conventie en reconventie is overwogen, volgt dat de vordering van Wijnker Bouw op [gedaagden] groter is dan de schade die zij aan hen moet vergoeden. Per saldo zullen [gedaagden] dus nog een bedrag aan Wijnker Bouw moeten betalen. De vordering om het door Wijnker Bouw ten laste van [gedaagden] gelegde conservatoire beslag op te heffen, voor zover nog aanwezig, zal daarom worden afgewezen. Geen bewijslevering 5.52. Beide partijen hebben bewijs aangeboden van de stellingen die zij hebben ingenomen. Uit de beoordeling van de rechtbank blijkt dat de partij op wie de bewijslast van een bepaalde stelling rust, onvoldoende heeft voldaan aan de stelplicht. Daarom komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering. Proceskosten 5.53. Wijnker Bouw is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten [gedaagden] worden, rekening houdend met de toe te wijzen bedragen, begroot op: - salaris advocaat € 1.572,00 (2 punten × € 786,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.750,00 5.54. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6. De beslissing De rechtbank in conventie 6.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan Wijnker Bouw te betalen een bedrag van € 107.545,07 (incl. btw), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 6 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan Wijnker Bouw te betalen een bedrag van € 1.850,45 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 9 april 2024 tot de dag van volledige betaling, 6.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Wijnker Bouw te betalen de beslagkosten, vastgesteld op € 1.470,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 10.077,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.5. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, in reconventie 6.6. veroordeelt Wijnker Bouw om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagden] te betalen: - een bedrag van € 14.454,66 (incl. btw) als schade wegens gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden, - een bedrag van € 9.244,59 wegens vertragingsschade, - een bedrag van € 3.705,63 wegens kosten ter vaststelling van de schade, 6.7. veroordeelt Wijnker Bouw in de proceskosten van € 1.750,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Wijnker Bouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.8. veroordeelt Wijnker Bouw tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, in conventie en in reconventie 6.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.10. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025. DdD