← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:15870

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/352314 / HA ZA 24-265 Vonnis van 5 februari 2025 in de zaak van [eiseres] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. P.F.M. Deijkers, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. M.A. Le Belle. De zaak in het kort Partijen zijn ex-partners van elkaar. In 2016 hebben zij samen een woning gekocht. De man heeft de handtekening van de vrouw onder een addendum bij de koopovereenkomst vervalst. In het addendum is bepaald dat de vrouw de rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst overdraagt aan de man. De woning is vervolgens aan alleen de man geleverd. De vrouw vordert schadevergoeding omdat de man daardoor onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank wijst de vordering af omdat er geen causaal verband is tussen het onrechtmatig handelen en de gevorderde schade. De vrouw heeft onrechtmatig jegens de man gehandeld door beslag op zijn woning te leggen. De rechtbank heft het beslag op. De schade die de man door de onrechtmatige beslaglegging heeft geleden moet in een aparte procedure worden vastgesteld. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 2 mei 2024, met 11 producties; - het herstelexploot van 27 mei 2024; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, tevens incidentele vordering voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, met 11 producties; - de conclusie van antwoord in het incident; - het vonnis in incident van 31 juli 2024; - het herstelvonnis van 4 september 2024; - de conclusie van antwoord in reconventie; - het tussenvonnis van 25 september 2024; - het rolbericht van 26 november 2024 van mr. Deijkers met productie 12; - de brief van 5 december 2024 van mr. Le Belle met producties 12 tot en met 23; - de mondelinge behandeling van 16 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. Partijen hebben sinds januari 2015 een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn op 21 juli 2018 in het huwelijk getreden. 2.
  4. Op 11 september 2016 hebben partijen een koopovereenkomst voor de aankoop van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning) getekend. De koopsom bedroeg € 675.000,-. 2.
  5. Op het moment van het tekenen van de koopovereenkomst zat de vrouw nog in een onverdeeldheid met haar ex-partner ten aanzien van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] . De hypotheekverstrekker was daardoor niet bereid een financiering te verlenen voor de aankoop van de woning. Dit blijkt onder meer uit de e-mail van 24 oktober 2016 van mevrouw [financieel adviseur] (financieel adviseur van de man) aan de man waarin, voor zover hiervan belang, het volgende is geschreven: “(…) Het hypotheekdossier is voor de 1e eer beoordeeld. Hieromtrent zijn de volgende vragen/opmerkingen: [eiseres] : (…) - Lastiger: de voormalige echtelijke woning aan de [adres 2] staat nog mede op haar naam en derhalve de hypotheek ook. Wat is hiervan de oorzaak, want dit kan echt heel lastig gaan worden. (…) Het wordt dus echt heel lastig nu om alles nog voor 1 november akkoord te krijgen. Want geen akkoord van jouw koper is zeker geen akkoord voor jullie dossier. En als ook [adres 2] nog niet is verdeeld begin zelfs ik er wat minder vertrouwen in te krijgen dat wij dit gaan redden. (…)” (…)” 2.
  6. Aanvankelijk zou de overdracht van de woning op 1 november 2016 plaatsvinden. De verkoper heeft ermee ingestemd de overdracht met maximaal een maand uit te stellen, tot uiterlijk 1 december
  7. Partijen hebben de woning in de maand november 2016 gehuurd van de verkoper. De woning is op 25 november 2016 aan de man geleverd. 2.
  8. Partijen hebben hierover per Whatsapp gecommuniceerd. Hieronder staan enkele passages uit de Whatsapp berichten tussen partijen op 30 november 2016: “(…) [gedaagde] : U where still listed at [adres 2] [gedaagde] : Till that’s done [eiseres] : No u don’t. But u couldn’t sign for the house because u where still listed as owner of [adres 2] [eiseres] : Those are your words [gedaagde] : Yes I know what I said [gedaagde] : I know exactly what I said and that’s what I’m saying right now. U couldn’t sign for the house because u where still listed at [adres 2] [gedaagde] : And if that house is out of ur name things can be different. 2.
  9. Op 8 december 2016 heeft de verdeling van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] tussen de vrouw en haar ex-partner plaatsgevonden. 2.
  10. Op 14 juni 2017 heeft de vrouw aan de man via een Whatsapp bericht het volgende geschreven: “This is not my house”. En op 2 november 2018 heeft de vrouw aan de man via een Whatsapp bericht het volgende geschreven: “Will ask how this can be as I have no ownership of the house”. 2.
  11. Op 9 november 2021 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, waarna de echtscheiding op 17 november 2021 is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister van de burgerlijke stand. Na de echtscheiding van partijen is de man in de woning blijven wonen. 2.
  12. Tijdens de echtscheidingsprocedure is de vrouw in het bezit gekomen van een addendum bij de koopovereenkomst van de woning, waarin het volgende, voor zover hier van belang, is bepaald: “De ondergetekenden
  13. De heer [verkoper] (…) hierna te noemen: de verkoper,
  14. a. de heer [gedaagde] (…) b. mevrouw [eiseres] (…) hierna te noemen: de koper, In aanmerking nemende dat: op elf september tweeduizend zestien een koopovereenkomst is gesloten tussen de verkoper en de koper met betrekking tot het woonhuis aan de [adres 1] te [woonplaats] ; koper de koopovereenkomst niet wenst te ontbinden, doch koper sub 2.b. de rechten en verplichtingen uit de overeenkomst wenst over te dragen aan de ondergetekende sub 2.a.; Komen overeen, dat de ondergetekende sub 2.a. alle rechten en plichten uit de hiervoor genoemde koopovereenkomst overneemt en stelt zich hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de gemelde koopovereenkomst.” 2.
  15. De vrouw heeft de handtekening die in het addendum bij haar naam staat laten onderzoeken door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO). Het NFO heeft in haar rapport van 17 maart 2023, voor zover hier van belang, het volgende geconcludeerd: “De bevindingen van het onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer de betwiste handtekening een vervalsing is dan wanneer het een authentieke handtekening van mevrouw [eiseres] betreft.(…)” 2.
  16. De man heeft de woning in de verkoop gezet voor een bedrag van € 1.350.000,-. Op het moment van de mondelinge behandeling is de woning uit de verkoop gehaald door de man. Hij is van plan de woning in januari/februari 2025 weer in de verkoop te zetten. 2.
  17. De vrouw heeft op 17 april 2024 conservatoir beslag laten leggen op de woning. 3Het geschil in conventie 3.
  18. De vrouw vordert na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat de man een onrechtmatige daad heeft gepleegd; II. de man veroordeelt tot betaling aan de vrouw van de kosten van het NFO ten bedrage van € 589,95; - Bij daadwerkelijke verkoop van de woning: III. de man veroordeelt tot betaling van de helft van de overwaarde/opbrengst van de woning (verkoopprijs minus openstaande hypotheek en kosten verkoop); IV. de man verplicht, uiterlijk een week voordat de woning aan de koper(s) notarieel wordt geleverd, het vonnis aan de notaris ter beschikking te stellen en opdracht te geven tot uitvoering van hetgeen onder III wordt gevorderd; V. de man verplicht nadat hij uitvoering heeft gegeven aan hetgeen onder IV is gevorderd via de gemachtigde de vrouw terstond op de hoogte te brengen, op straffe van een dwangsom, - Voor het geval de man de woning uit de verkoop haalt: VI. de man veroordeelt om binnen drie maanden na datum vonnis aan de vrouw te betalen de schade die ontstaan is door het onrechtmatig handelen van de man, te weten een bedrag van € 337.500,-; VII. de man veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.
  19. De vrouw legt aan haar vorderingen, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. In het addendum is bepaald dat de rechten en plichten van de vrouw uit de koopovereenkomst worden overgedragen aan de man. De man heeft valsheid in geschrifte gepleegd door de handtekening van de vrouw onder het addendum te vervalsen. De man heeft met zijn handelen een onrechtmatige daad gepleegd jegens de vrouw. De man moet de schade die de vrouw daardoor heeft geleden vergoeden. De schade bestaat uit de helft van de overwaarde van de woning. 3.
  20. De man voert verweer. in reconventie 3.
  21. De man vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, primair: I. het gelegde conservatoire beslag zal opheffen, subsidiair: II. het gelegde conservatoire beslag gedeeltelijk/naar evenredigheid zal opheffen, en in beide gevallen: III. voor recht verklaart dat het gelegde beslag onrechtmatig is en de vrouw veroordeelt tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, IV. de vrouw veroordeelt in de kosten van de procedure. 3.
  22. De man legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Het beslag is onrechtmatig, althans zwaar bovenmatig, dus vexatoir. De vrouw is door het leggen van het onrechtmatige beslag schadeplichtig. De man kan nog niet overzien hoeveel schade hij lijdt ten gevolge van het beslag maar de beslaglegging is niet positief bij een voorgenomen verkoop van een woning. Het drukt de waarde omdat potentiële kopers ervan uitgaan dat de beslagene spoedig geld nodig heeft. Daarnaast kan een potentiële koper op basis van de stellingen van de vrouw van mening zijn dat er een risico bestaat op het kopen van een woning van een verkoper die eigenlijk geen eigenaar is (geweest). Deze onjuiste gedachte bij potentiële kopers kunnen de verkoop van de woning drukken. 3.
  23. De vrouw voert verweer. 3.
  24. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie Verjaring 4.
  25. De man heeft aangevoerd dat de vordering van de vrouw is verjaard. De vrouw wist vanaf november 2016, althans in ieder geval vanaf 14 juni 2017, dat zij geen eigenaar was geworden van de woning. De vervalsing van de handtekening van de vrouw in het addendum is niet het schadeveroorzakende feit, maar het feit dat de vrouw geen eigenaar van de woning is geworden. De vrouw heeft de man voor het eerst bij e-mailbericht van 11 mei 2023 aansprakelijk gesteld en op dat moment was de verjaringstermijn van vijf jaar al voltooid. 4.
  26. De rechtbank overweegt als volgt. Een vordering tot vergoeding van schade verjaart na verloop van vijf jaar na aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde (de vrouw) zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De vrouw is in juni 2021 achter het bestaan van het addendum gekomen en dat haar handtekening onder het addendum is vervalst. Het gestelde onrechtmatig handelen van de man ziet op het vervalsen van de handtekening en de verjaringstermijn is dus in juni 2021 aangevangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering van de vrouw niet is verjaard. Valsheid in geschrifte 4.
  27. De man heeft erkend dat hij de handtekening van de vrouw onder het addendum heeft vervalst. De man heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het strafbare feit valsheid in geschrifte. Dit levert een onrechtmatige daad op jegens de vrouw, zodat de man op die grond aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die de vrouw als gevolg daarvan heeft geleden. Schade en causaal verband 4.
  28. De vraag rijst of het vereiste causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de gestelde schade van de vrouw aanwezig is. De vrouw heeft aangevoerd dat de schade ziet op het mislopen van de overwaarde van de woning. De rechtbank is van oordeel dat er geen causaal verband is tussen de onrechtmatige gedraging en de gestelde schade. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot haar oordeel komt. 4.
  29. In de weken na het tekenen van de koopovereenkomst door partijen is gebleken dat er problemen waren met betrekking tot het verkrijgen van een financiering voor de woning, onder meer doordat de vrouw nog (mede-)eigenaar was van een andere woning met een daarbij behorende hypotheek. Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de hypotheekverstrekker daardoor niet bereid was om de woning te financieren indien de vrouw mede-eigenaar van de woning zou worden. De overdrachtsdatum is in overleg met de verkoper een maand uitgesteld maar het is de vrouw niet gelukt om vóór die datum over te gaan tot verdeling met haar ex-partner van de nog op haar naam staande woning en zich te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de daarbij behorende hypotheek. Dat is uiteindelijk op 8 december 2016 gebeurd. Het is voor partijen dus niet mogelijk geweest om de woning vóór 1 december 2016 samen te financieren en (mede) op naam van de vrouw te krijgen. In dat verband is van belang dat de verkoper, zo blijkt onder meer uit zijn e-mails van 28 oktober en 15 november 2016, niet bereid was een langer uitstel te verlenen. Als de woning niet uiterlijk 1 december 2016 zou worden geleverd, zou hij partijen in gebreke stellen en aanspraak maken op de contractuele boete. De man heeft de woning uiteindelijk toch kunnen kopen met hulp van zijn broer, die een (overbruggings)hypotheek heeft kunnen vestigen op de (hypotheekvrije) woning uit de nalatenschap van hun ouders. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw dat zij, net zoals de broer van de man, mede- onderzetter van de woning had kunnen worden. Niet is gesteld of gebleken dat de vrouw een toereikende zekerheid kon bieden waardoor de bank bereid zou zijn geweest de hypothecaire geldlening mede aan haar te verstrekken. Anders dan de vrouw lijkt te veronderstellen, is het niet aannemelijk dat de bank akkoord zou gaan met een situatie waarin de vrouw wel de helft van de woning in eigendom zou verkrijgen maar zij niet als hoofdelijk schuldenaar aan de hypothecaire geldlening zou zijn verbonden. In het geval van een eventuele executoriale verkoop van de woning zou de bank zich dan namelijk slechts op het aandeel van de man in de woning kunnen verhalen. 4.
  30. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat als de onrechtmatige daad van de man (het vervalsen van de handtekening van de vrouw waardoor haar rechten en plichten uit de koopovereenkomst zijn overgedragen aan de man) niet had plaatsgevonden, de vrouw ook geen mede-eigenaar van de woning was geworden. Daarmee is er geen sprake van een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw daarom in zijn geheel af. in reconventie Conservatoir beslag 4.
  31. Omdat de vorderingen van de vrouw in conventie worden afgewezen, zal de rechtbank de vordering van de man die strekt tot opheffing van het ten laste hem gelegde conservatoire beslag op de woning toewijzen. 4.
  32. De man heeft daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat de vrouw onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door op 17 april 2024 conservatoir beslag op de woning te leggen. De vrouw betwist - onder verwijzing naar haar stellingen in conventie - dat er sprake is van een onrechtmatig gelegd beslag. 4.
  33. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak handelt degene die beslag legt op eigen risico en dient hij, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade van de beslagene te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, ook in het geval dat hij, op verdedigbare grond van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld. Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit hoofde van onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Dat geldt onder meer bij een conservatoir beslag op grond van een niet aan de beslaglegger toekomende vordering. Op de beslaglegger rust een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor het beslag is gelegd geheel ongegrond is. 4.
  34. Aangezien de vorderingen van de vrouw in conventie worden afgewezen, is zij in beginsel aansprakelijk voor de schade die de man heeft geleden door het beslag dat de vrouw voor die vorderingen heeft laten leggen. De vrouw heeft geen bijzondere omstandigheden als hiervoor in r.o. 4.9 bedoeld gesteld en daarvan is ook niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld. Deze onrechtmatige daad dient aan haar te worden toegerekend, nu de onterechte beslaglegging voor haar risico komt. 4.
  35. De man vordert verwijzing naar de schadestaatprocedure. Voor een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat is het voldoende dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden en dat de vrouw daarvoor aansprakelijk is. De man heeft aangevoerd dat hij hinder bij de verkoop van de woning van de beslaglegging heeft ondervonden en voldoende aannemelijk is dat hij daardoor schade heeft geleden. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure is dus toewijsbaar. in conventie en in reconventie Proceskosten 4.
  36. Omdat partijen ex-partners van elkaar zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.
  37. wijst de vorderingen van de vrouw af, in reconventie 5.
  38. heft op het door de vrouw ten laste van de man gelegde conservatoire beslag, 5.
  39. verklaart voor recht dat het gelegde beslag onrechtmatig is, 5.
  40. veroordeelt de vrouw om aan de man de geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, 5.
  41. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van 5.
  42. en 5.4., in conventie en in reconventie 5.
  43. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 5 februari
  44. Artikel 3:310 BW Artikel 225 WvSr HR 15 april 1965, NJ 1965,331 en HR 21 februari 1992, NJ 1992,321 HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.