← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:15926

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11300168 \ CV EXPL 24-6354 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de vennootschap onder firma

  1. [eiser 1], gevestigd te [plaats 1]en haar vennoten:
  2. [eiser 2], wonende te [plaats 2],
  3. [eiser 3], wonende te [plaats 1], eisers hierna gezamenlijk te noemen: [eiser 1] gemachtigde: mr. E.C. Douma tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Air Europa Lineas Aereas S.A. gevestigd te Schiphol gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. T. Estirado Fontalba 1Het procesverloop 1.
  4. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.
  5. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Feiten 2.
  6. [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] (hierna: de passagiers) hebben met [eiser 1] een vervoersovereenkomst gesloten. 2.
  7. Op grond van deze vervoersovereenkomst moest de vervoerder hen op 24 maart 2023 vervoeren van Amsterdam via Madrid (Spanje) naar Bogota (Colombia), met de vluchten UX1098 en UX
  8. 2.
  9. Daarnaast moest Viva Air hen op 8 april 2023 vervoeren van Cartagena (Colombia) naar Medellin (Colombia), met vlucht VH
  10. Vervolgens zou de vervoerder hen op 8 en 9 april 2023 via Madrid (Spanje) verder vervoeren naar de eindbestemming Amsterdam, met vluchten UX0198 en UX
  11. 2.
  12. De passagiers kregen op 8 april 2023 op de luchthaven van Cartagena te horen dat Viva Air op of omstreeks 27 februari 2023 was gestopt met het uitvoeren van vluchten. 2.
  13. De passagiers hebben hun eventuele vorderingsrecht overgedragen aan [eiser 1]. 2.
  14. [eiser 1] heeft compensatie en aanvullende schadevergoeding van de vervoerder gevorderd. 2.
  15. De vervoerder heeft een bedrag van € 3.992,90 (tien keer € 399,29) aan [eiser 1] uitbetaald. 3Het geschil 3.
  16. [eiser 1] vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 14.994,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2023; - € 924,94 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
  17. [eiser 1] baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). [eiser 1] stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Daarnaast stelt [eiser 1] dat de vervoerder gehouden is om de kosten van de vervangende vlucht (in totaal € 12.986,90) te vergoeden. Het reeds uitgekeerde bedrag van € 3.992,90 moet daarop in mindering worden gebracht. 3.
  18. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
  19. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Rechtstreeks aansluitende vluchten 4.
  20. De eerste vraag die voorligt, is of sprake is van rechtstreeks aansluitende vluchten. De kantonrechter overweegt dat in dit verband van belang is dat de vluchten in één boeking zijn aangekocht en één geheel vormen. Het begrip ‘rechtstreeks aansluitende vluchten’ kan ook betrekking hebben op vluchten die door verschillende luchtvaartmaatschappijen worden uitgevoerd en waartussen geen bijzondere rechtsverhouding bestaat, wanneer deze vluchten zijn samengevoegd door een reisbureau dat voor dit vervoer een totaalprijs in rekening heeft gebracht en één enkel ticket heeft uitgereikt. De kantonrechter oordeelt dat hiervan sprake is. [eiser 1] heeft immers voor alle onder 2.
  21. en 2.
  22. genoemde vluchten één ticket uitgereikt, beginnende met 996 (het IATA-nummer van de vervoerder). Luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert 4.
  23. Het Hof heeft in de overwegingen 28 en 29 van zijn beschikking van 12 november 2020 (C-367/20, ECLI:EU:C:2020:909) het volgende overwogen: “28 Wat de vraag betreft wie aansprakelijk is voor de betaling van de compensatie die verschuldigd is in geval van langdurige vertraging bij aankomst van rechtstreeks aansluitende vluchten, zoals die in het hoofdgeding, heeft het Hof verduidelijkt dat elke luchtvaartmaatschappij die ten minste één van deze rechtstreeks aansluitende vluchten heeft uitgevoerd deze compensatie verschuldigd is, ongeacht of de door haar uitgevoerde al dan niet aan de basis lag van de langdurige vertraging waarmee de passagier op zijn eindbestemming is aangekomen (zie in die zin arrest van 11 juli 2019, České aerolinie, C502/18, EU:C:2019:604, punten 2026). 4.
  24. In het onderhavige geval is niet in geschil dat de vervoerder effectief een deel van de vlucht zou uitvoeren, hetgeen ook blijkt uit de door de passagiers overgelegde boekings-bescheiden (waarop onder meer staat: UX198 operated by: Air Europa en UX 1093 operated by: Air Europa), terwijl de vervoerder ook heeft erkend dat hij het traject van Amsterdam (via Madrid) naar Bogota én het traject van Medellin (via Madrid) naar Amsterdam zou uitvoeren. Dat dit deel van de vlucht niet aan de basis lag van de annulering, is gelet op de jurisprudentie van het Hof niet relevant. De vervoerder kan dus, overeenkomstig de beschikking van het Hof van 12 november 2020, als de ‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ worden aangemerkt. 4.
  25. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de vervoerder kan worden aangesproken tot betaling van compensatie en schadevergoeding. De bedoeling van de Verordening is om een hoge en effectieve bescherming van de rechten van passagiers te realiseren. Daarbij is geabstraheerd van contractuele verhoudingen. De passagiers kunnen als ‘centraal aanspreekpunt’ terecht bij de vervoerder en de vervoerder kan dan in een voorkomend geval onder het toepasselijke recht regres nemen op andere (rechts)personen. Dat in het onderhavige geval Viva Air failliet is gegaan en mogelijk geen verhaal biedt, laat het voorgaande onverlet. Compensatie 4.
  26. Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Nu gesteld, noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. 4.
  27. De vervoerder heeft in dit geval geen beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De vordering tot betaling van compensatie is in beginsel dan ook toewijsbaar. Schadevergoeding 4.
  28. Artikel 19 van het Verdrag van Montreal bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van ‘schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen’. De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de beslissing van de passagiers om een andere vlucht te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’. 4.
  29. De vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De passagiers hebben zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de vervoerder hen geen redelijk alternatief heeft aangeboden. Daarover wordt als volgt overwogen. 4.
  30. Het is vaste rechtspraak dat indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hoewel dit arrest ziet op de uitleg van de Verordening, is dit arrest ook relevant voor de beantwoording van de vraag of de vervoerder zich kan beroepen op de ‘tenzij-uitzondering’ zoals bedoeld in artikel 19 van het Verdrag van Montreal. 4.
  31. De vervoerder heeft een vervangende vlucht aangeboden, met als vertrekdatum 13 april 2023 (vijf dagen later). Het is aan de vervoerder om in een dergelijk geval voldoende aannemelijk te maken dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de aangeboden vlucht. De vervoerder heeft met zijn verweer niet aangetoond dat hij aan die verplichting heeft voldaan, noch dat het onmogelijk was om daaraan te voldoen. De vervoerder is daarom gehouden om de door de passagiers geleden schade te vergoeden. 4.
  32. Het feit dat de passagiers [eiser 1] hebben gevraagd om de alternatieve vlucht voor hen te boeken, maakt dit oordeel niet anders. [eiser 1] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een bedrag van in totaal € 12.986,90 is betaald behoeve van de alternatieve KLM-vlucht. Conclusie 4.
  33. [eiser 1] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. [eiser 1] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, wordt dit bedrag redelijk geacht. 4.
  34. De vervoerder heeft op 20 september 2023 bedrag van € 3.992,90 voldaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW, eerst in mindering op de buitengerechtelijke kosten. De buitengerechtelijke incassokosten over de hoofdsom zijn dus al voldaan. De huidige vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen. 4.
  35. Na aftrek van de buitengerechtelijke incassokosten van € 924,94 resteert van de deelbetaling van € 3.992,90 nog € 3.067,96 voor de betaling van de hoofdsom. Dit bedrag komt eerst in mindering op de toewijsbare compensatie van € 6.000,00, zodat daarvan nog € 2.932,07 resteert. De wettelijke rente over de compensatie is toewijsbaar vanaf het moment waarop de vlucht op de eindbestemming had behoren aan te komen, te weten 9 april
  36. 4.
  37. De wettelijke rente over de schadevergoeding (€ 12.986,90) is toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding. 4.
  38. De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 115,22 - griffierecht € 1.409,00 - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.471,22
  39. De beslissing De kantonrechter: 5.
  40. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan [eiser 1] van € 15.918,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.067,96 vanaf 9 april 2023 tot 20 september 2023, over € 2.932,07 vanaf 9 april 2023 tot de dag der algehele voldoening en over € 12.986,90 vanaf 3 september 2024 tot de dag der algehele voldoening; 5.
  41. veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 2.471,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.
  42. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.
  43. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter HvJEU 6 oktober 2022, C-436/21, ECLI:EU:C:2022:
  44. Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Hof van Justitie van 11 juni 2020 (C-74/19). Zie bijvoorbeeld het vonnis van de kantonrechter van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:1362.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.