RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/3542 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit Alkmaar, eiser en De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de minister. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 16 juni
- 1.
- De minister heeft een verweerschrift en op de procedure betrekking hebbende stukken ingediend. 1.
- Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
- Eiser heeft op 16 juni 2025 een Woo-verzoek ingediend. De minister moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan deze termijn verdagen met maximaal twee weken. De minister heeft de beslistermijn met twee weken verlengd. De minister had dus uiterlijk op 28 juli 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 29 juli 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
- Omdat de minister nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. De rechtbank kan op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepalen dat de minister dit moet doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.
- De minister heeft in het verweerschrift van 29 oktober 2025 de rechtbank verzocht om hem een termijn van vier weken te gunnen voor het nemen van een besluit op het Woo-verzoek. De minister geeft hiervoor als reden dat op 15 oktober 2025 zes verzoeken om een zienswijze zijn verstuurd. Daarvoor is een termijn van twee weken gegeven. Eén partij heeft aangegeven één week extra nodig te hebben, dat is door de minister toegekend. De minister verwacht daarna twee weken nodig te hebben voor de beoordeling en het verwerken van de zienswijzen, het opstellen van het besluit en de toezending daarvan. 4.
- De rechtbank ziet in het verweer van de minister aanleiding te bepalen dat de minister vóór 1 december 2025 alsnog een besluit op het Woo-verzoek bekend maakt. Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
- Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. De rechtbank overweegt dat paragraaf 4.1.3.
- van de Awb (over het niet tijdig beslissen) niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo. Dit staat in artikel 8.2 van de Woo. Verweerder is daarom geen dwangsom verschuldigd. Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
- De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 4.2 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
- Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op vóór 1 december 2025 alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van C. Willemse, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.