← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:15955

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11985102 \ VV EXPL 25-177 Vonnis in kort geding van 12 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. R.J. Bouwmeester, tegen

  1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1], te [plaats 2],verder te noemen: werkgever
  2. [gedaagde 2], te [plaats 2],
  3. [gedaagde 3], te [plaats 2], gedaagde partijen, procederend in persoon. De zaak in het kort Deze zaak gaat over een vordering van werkneemster tot loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. Omdat 70% van het overeengekomen loon minder is dan het wettelijk minimumloon, heeft werkneemster op grond van artikel 7:629 lid 1 BW recht op het wettelijk minimumloon. Omdat werkgever het loon zonder deugdelijke reden te laat heeft betaald, moet hij over het achterstallig loon ook wettelijke verhoging (30%) en wettelijke rente betalen. 1De procedure 1.
  4. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]. 2Feiten 2.
  5. [eiser] is sinds 1 september 2024 bij werkgever in dienst in de functie van medewerkster hondengedrag op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is op 29 augustus 2025 met 12 maanden, tot 1 september 2026, verlengd. Het overeengekomen loon bedraagt € 1.799,55 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, op basis van 27 uur per week. De vaste werkdagen van [eiser] zijn dinsdag, donderdag en vrijdag. 2.
  6. Op 31 augustus 2025 heeft [eiser] zich na een ongeval ziekgemeld met een whiplash. 2.
  7. Het loon werd sinds 1 september 2025 niet uitbetaald. 2.
  8. [eiser] heeft bij e-mail van 23 september 2025 verzocht om inschakeling van een Arbo-arts en bij brief van 1 september 2025 om betaling van het achterstallige loon vanaf 1 september
  9. 2.
  10. Bij brief van 16 oktober 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] werkgever verzocht om het (achterstallige) loon vanaf 1 september 2025 te betalen, bij gebreke waarvan een kort geding wordt gestart waarin naast het loon ook wettelijke verhoging wordt gevorderd. 2.
  11. Op 4 december 2025 heeft werkgever een bedrag van € 4.952,45 netto aan [eiser] overgemaakt met als omschrijving ‘loon september, oktober, november’. Ter zitting heeft werkgever de bijbehorende loonstroken aan [eiser] overhandigd. 3Het geschil 3.
  12. [eiser] vordert om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, werkgever en haar firmanten [betrokkene] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis: I. het achterstallige loon over de maanden september, oktober en november 2025, ter hoogte van € 5.291,42 bruto inclusief vakantietoeslag, alsmede alle toekomstige loonbetalingen tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, aan [eiser] te voldoen; II. de (maximale) wettelijke verhoging van de onder I genoemde bedragen en de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot de dag van algehele voldoening te betalen; III. de proceskosten, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 250,- en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening te betalen. 3.
  13. [eiser] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij sinds haar ziekmelding op 31 augustus 2025 recht heeft op loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat 70% van het overeengekomen loon minder is dan het wettelijk minimumloon, moet het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag (€ 1.819,58 bruto) worden doorbetaald, hetgeen over de maanden september, oktober en november 2025 neerkomt op in totaal € 5.291,42 bruto. Werkgever is hierover ook wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd. [eiser] vordert verder € 250,- aan buitengerechtelijke kosten, omdat [eiser] ter voorkoming van een gerechtelijke procedure geprobeerd heeft via ARAG de vordering incasseren. 3.
  14. Werkgever heeft mondeling (op de zitting) verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  15. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, aangezien het gaat om een loonvordering en [eiser] sinds 1 september 2025 geen loon meer ontvangt. 4.
  16. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 4.
  17. Werkgever heeft ter zitting toegelicht dat het loon aanvankelijk niet is uitbetaald omdat het onrechtvaardig voelt dat [eiser] zich ziek meldde twee dagen na verlenging van haar contract en op de dag voordat het nieuwe contract in ging. Inmiddels erkent werkgever dat [eiser] recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. Werkgever stelt dat het verschuldigde loon inmiddels aan [eiser] is overgemaakt. 4.
  18. Ter zitting heeft werkgever salarisspecificaties overgelegd, waaruit blijkt dat in september, oktober en november 2025 de volgende (bruto) loonbedragen (wat neerkomt op in totaal € 4.952,45 netto) zijn uitbetaald: september: € 1.425,60 + € 114,05 vakantietoeslag o.b.v. 99 verloonde uren oktober: € 1.814,40 + € 145,15 vakantietoeslag o.b.v. 126 verloonde uren november: € 1.555,20 + € 124,42 o.b.v. 108 verloonde uren.De uren zijn uitbetaald tegen een basisuurloon van € 14,40 bruto. 4.
  19. Gevraagd naar de oorzaak van het verschil tussen deze bedragen, heeft werkgever een e-mail van zijn boekhouder getoond waaruit volgt dat dit komt doordat het aantal loondagen op basis van de standaardwerkdagen van [eiser] per maand verschilt. Bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid gelden bovendien twee wachtdagen. De gemachtigde van [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gesteld dat een vast maandloon moet worden uitbetaald omdat in de arbeidsovereenkomst een vast (bruto)maandloon is overeengekomen, ongeacht het aantal werkbare dagen, is overeengekomen. 4.
  20. Het is op zichzelf juist dat in de arbeidsovereenkomst een vast maandloon (ongeacht het aantal werkbare dagen) is afgesproken. In het geval van [eiser] is 70% van dit maandloon (inclusief vakantietoeslag) echter minder dan het wettelijk minimumloon. Daarom moet, zoals [eiser] zelf heeft betoogd, tijdens (de eerste 52 weken van) de arbeidsongeschiktheid niet 70% van het overeengekomen loon worden doorbetaald, maar het geldende wettelijk minimumloon. Het wettelijk minimum uurloon bedraagt sinds 1 juli 2025 € 14,40 bruto exclusief vakantietoeslag en dat is blijkens de loonstroken ook het door werkgever gehanteerde uurloon (zie 4.4 hiervoor). Sinds 2024 zijn er geen vaste minimum maand-, week- en daglonen meer, maar hangt het minimumloon per week of maand af van het aantal gewerkte uren (de arbeidsduur). De arbeidsduur kan elke maand anders zijn, doordat de ene maand meer werkdagen heeft dan de andere. Het aantal werkdagen per maand wordt daarmee dus – zoals de boekhouder ook heeft gedaan - bepaald door het rooster van de medewerker en de kalender. 4.
  21. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter voorlopig tot het oordeel dat werkgever met de nabetaling op 4 december 2025 heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen voor de maanden september, oktober en november 2025 en dat [eiser] terzake niets meer te vorderen heeft. Omdat het loon zonder deugdelijke reden (fors) te laat is betaald, zal werkgever wel worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging gematigd tot 30% en wettelijke rente over het bruto equivalent van de netto betaling van € 4.952,
  22. 4.
  23. De gevorderde toekomstige loontermijnen zullen worden toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid en voor zover deze wettelijk verschuldigd zijn. Werkgever is op dit moment immers nog niet in gebreke met de betaling daarvan en de kantonrechter gaat er, gelet op de toezegging van werkgever ter zitting, vanuit dat werkgever vanaf nu vrijwillig aan zijn betalingsverplichtingen zal voldoen. 4.
  24. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat werkgever geen consument is, is het in beginsel voldoende als door of namens de schuldeiser een enkele brief is verstuurd. Uit het dossier blijkt dat (gemachtigden van) [eiser] werkgever meermaals heeft aangemaand tot betaling. De hoogte van de vordering is getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en daarom wordt het gevorderde bedrag van € 250,- toegewezen. 4.
  25. Werkgever is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het feit dat werkgever de hoofdsom de dag voor de zitting, alsnog heeft betaald, doet daaraan niet af. Daar staat tegenover dat [eiser] er na betaling van de hoofdsom ook voor had kunnen kiezen het kort geding in te trekken, in welk geval zij haar proceskosten had kunnen beperken. De kantonrechter ziet in die omstandigheden van het geval de proceskosten van [eiser] te begroten op: - kosten van de dagvaarding € 119,40 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 204,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 715,40 4.
  26. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  27. veroordeelt gedaagden hoofdelijk om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen 30% wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de in 4.4 van dit vonnis genoemde bruto loonbedragen vanaf de data van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling, 5.
  28. veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van toekomstige loontermijnen conform artikel 7:629 lid 1 BW zolang [eiser] arbeidsongeschikt is, het dienstverband voortduurt en het loon wettelijk verschuldigd wordt; 5.
  29. veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [eiser] € 250,- aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, 5.
  30. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 715,40 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werkgever niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  31. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad 5.
  32. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op bovengenoemde datum. In artikel 3.6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de vakantietoeslag maandelijks met het salaris wordt uitbetaald. Artikel 7:629 lid 1 BW. Artikel 7:625 BW. Artikel 6:119 BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.