RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/309 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] (NH), eiseres (gemachtigde: A.G.N. van Wonderen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (gemachtigde: mr. E.F. Boschma). Procesverloop Op 23 januari 2023 heeft Nedralux namens eiseres een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend bij het college. Het verzoek betreft alle correspondentie, informatie en gegevens inzake [adres] te [plaats] , vanaf 1 januari
- Met het besluit van 6 juni 2023 heeft het college 376 documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 15 december 2023 op het bezwaar van eiseres heeft het college het besluit van 6 juni 2023 herroepen in zoverre dat het college alsnog de documenten openbaart die (binnen de reikwijdte van het verzoek) in de mailboxen van oud-wethouders zijn aangetroffen. Aanvullend heeft het college 154 documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Eiseres heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. In de tussenuitspraak van 24 juli 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Overwegingen
- Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
- In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft hoe en in welke systemen is gezocht. Om het gebrek te herstellen, moet het college alsnog inzichtelijk maken op welke manier is gezocht naar documenten in (werk-)telefoons van (oud-) medewerkers/wethouders, dan wel die zoekslag alsnog verrichten. Daarnaast zal het college moeten bezien of de zoekslag, gezien de door eiseres in beroep ingebrachte stukken, voor wat betreft de e-mailcorrespondentie volledig is geweest en zo niet, ook op dat punt een aanvullende zoekslag verrichten.
- Het college heeft weliswaar te kennen gegeven gebruik te willen maken van de herstelmogelijkheid, maar heeft daaraan geen gevolg gegeven. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel (artikel 7:12 van de Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. De reden daarvoor is nu juist dat het college geen poging heeft ondernomen het gebrek te herstellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor
- Toegekend wordt € 1.814,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak; - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden; - veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 december
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.