RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/361124 / JU RK 25-85 Datum uitspraak: 30 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI, gevestigd in Amsterdam, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat van de ouders: mr. B. Schoonewil, kantoorhoudende in Alkmaar. 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 januari 2025; de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 januari 2025; het plan van aanpak van 20 januari 2025, ontvangen op 21 januari
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari
- Daarbij waren aanwezig: - de ouders met hun advocaat; - [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , beiden namens de GI. 1.
- [de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. 2De feiten 2.
- De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] is op 17 juli 2024 onder toezicht gesteld tot 17 juli
- 2.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 17 februari
- 2.
- [de minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt de kinderrechter, aansluitend op de spoedmachtiging van 20 januari 2025, een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Sinds de kerstvakantie gaat het niet goed bij ouders thuis. Ouders hebben de regels die zij in samenspraak met De Waag hebben ingezet bij de kinderen, losser gelaten. Na de kerstvakantie wilden zij deze weer oppakken wat voor veel weerstand, in ieder geval bij [de minderjarige] , heeft geleid. Naast dat de regels losser waren, zijn er in de kerstvakantie incidenten geweest met vader. Er zijn fysieke conflicten geweest. De spanningen liepen op waarbij verbale en uiteindelijk fysieke agressie heeft plaatsgevonden tussen ouders en [de minderjarige] . Ook doet [de minderjarige] zorgelijke uitingen. In overleg met alle betrokkenen is besloten om [de minderjarige] te laten logeren bij haar vriendinnetje. De Waag geeft aan dat zij zich zorgen maken over de veiligheid in huis. De gemaakte veiligheidsafspraken worden niet nagekomen. Zij komen op deze manier niet toe aan de behandeling. Met de incidenten die tijdens de kerstvakantie zijn ontstaan kan [de minderjarige] niet omgaan. Zij heeft geen controle over haar eigen emotieregulatie. Zij wordt dan dreigend en zet dit om in handelingen. De ouders hebben aangegeven bang te zijn voor [de minderjarige] . De GI acht het op dit moment van belang dat er rust komt in de thuissituatie. Er moet met De Waag een plan worden ingezet of aangescherpt om te kijken hoe ouders weer in hun kracht komen. De veiligheidsafspraken moeten ingezet worden. Daarnaast zal de GI overleggen met De Waag wat er ingezet kan worden voor de emotieregulatie van [de minderjarige] . 3.
- De GI heeft ter zitting aangevuld dat de GI zo snel mogelijk wil toewerken naar terug naar huis, nu de uithuisplaatsing was bedoeld als een soort time out. Van belang is wel dat een plan wordt gemaakt waarbij de terugplaatsing naar huis vormgegeven kan worden. De GI weet nog niet hoelang daarvoor nodig is en wil een slag om de arm hebben. De verzochte duur is daarom noodzakelijk. 4De standpunten De ouders 4.
- Door en namens de ouders is ter zitting naar voren gebracht dat de insteek van de gezinsmanager is dat [de minderjarige] zo snel mogelijk terug naar huis gaat. Zij stemmen daarom niet in met het onderhavige verzoek. [de minderjarige] zit momenteel niet op haar plek binnen het gezinshuis en er wordt geen hulpverlening ingezet. De ouders kunnen zich vinden in de spoedmachtiging, maar stemmen niet in met het verzoek om aansluitend drie maanden te verlenen. 5De (verdere) beoordeling Ten aanzien van de spoedmachtiging 5.
- In hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gezien om het in de voormelde beschikking van 20 januari 2025 geformuleerde oordeel te wijzigen. De beschikking zal dan ook worden gehandhaafd. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing 5.
- Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. 5.
- Het is de kinderrechter gebleken dat [de minderjarige] sinds 17 juli 2024 onder toezicht staat. Ten tijde van de ondertoezichtstelling waren de zorgen over [de minderjarige] groot. In de afgelopen periode zijn de zorgen rondom [de minderjarige] toegenomen. Vanwege lossere regels in de kerstperiode en incidenten met middelenmisbruik van de ouders, waar [de minderjarige] getuige van is geweest, is er sprake geweest van een escalatie in het gedrag van [de minderjarige] . Zo is sprake van fysieke agressie door [de minderjarige] in de thuissituatie. Gebleken is dat [de minderjarige] geen controle had over haar eigen emoties en daarnaast ook zorgelijke uitspraken deed. De ouders waren bang voor [de minderjarige] en hebben zich opgesloten in hun kamer. Zij is daarom middels een spoedmachtiging uit huis geplaatst. Ter zitting is duidelijk geworden dat zij inmiddels rustiger is en ook met verlof is geweest, waarbij zij naar huis is gegaan. De verlofmomenten verliepen volgens de ouders goed. Het is de kinderrechter duidelijk dat de spoedmachtiging terecht is verleend, omdat het in de thuissituatie op dat moment echt niet ging. Het doel van de gezinsmanager, zo blijkt ook uit het verzoekschrift, is om [de minderjarige] zo snel mogelijk terug naar huis te laten keren, de machtiging was bedoeld als een soort time-out. De kinderrechter is van oordeel dat daarvoor een periode van een maand aansluitend op de spoedmachtiging voldoende moet zijn. Het is de kinderrechter duidelijk dat de gezinsmanager nu al toewerkt aan terug naar huis en de verlofmomenten thuis goed zijn verlopen. De noodzaak voor een langer durende machtiging is onvoldoende onderbouwd, de enkele mededeling dat het voor de zekerheid is, is niet toereikend. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om aansluitend aan de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing een machtiging te verlenen voor de duur van één maand en het meer verzochte af te wijzen. 5.
- De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 17 februari 2025 tot 17 maart 2025; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025, in aanwezigheid van G. Tosun-Izci als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 februari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.