RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/359238 / FA RK 24-5918 Datum uitspraak: 10 februari 2025 Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, hierna te noemen de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , [de pleegmoeder] , tante moederszijde, hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende in [plaats] , de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, hierna te noemen de GI. 1Het verloop van de procedure 1.
- De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 22 november 2024; de bereidverklaring voogdij van de GI van 19 november 2024, ontvangen op 8 januari
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 januari
- Daarbij waren aanwezig: - de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ; de pleegmoeder. 1.
- De moeder is niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft op de zitting vastgesteld dat de moeder wel op de juiste wijze is opgeroepen. Zo is de moeder aangetekend opgeroepen op het adres waar zij in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven. Ook is de oproep voor de zitting aan haar via een e-mailbericht toegezonden. Tot slot heeft de rechtbank op de zitting getracht de moeder telefonisch te bereiken. Nu ook de Raad heeft aangegeven dat zij in het kader van het onderzoek geen contact met de moeder heeft kunnen krijgen en verder is gebleken dat ook de GI, de pleegmoeder en de door de rechtbank aangezochte advocaat (zoals onder 1.
- nader omschreven) geen contact met de moeder hebben (kunnen krijgen), heeft de rechtbank op de zitting besloten dat de zaak buiten de aanwezigheid van de moeder kan worden behandeld. 1.
- De rechtbank heeft getracht de moeder – in het kader van de pilot rechtsbescherming in de jeugdbescherming - kosteloos rechtsbijstand door een advocaat aan te bieden. Deze rechtsbijstand is niet tot stand gekomen omdat de daartoe aangeschreven advocaat heeft aangegeven de moeder niet te kunnen bijstaan omdat zij geen contact met haar krijgt. 1.
- De biologische vader [de biologische vader] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen als informant, niet op de zitting verschenen. 1.
- De rechtbank heeft [de minderjarige] op 7 januari 2025 naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met een van de kinderrechters uit de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft deze kinderrechter tevens voorzitter – met instemming van [de minderjarige] – een deel samengevat van wat hij heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
- De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder, tevens de halfzus van de moeder. 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van 21 november 2019 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien steeds is verlengd en thans nog voortduurt tot 21 november
- 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van 21 november 2019 is tevens een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin, welke machtiging nadien steeds is verlengd en thans nog voortduurt tot 21 november
- 2.
- De GI heeft in februari 2021 een perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet meer ligt bij de moeder, maar bij de pleegmoeder. 2.
- Bij beschikking van de meervoudige kamer van 2 augustus 2022 is het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen, afgewezen. 2.
- De GI heeft zich bij brief van 19 november 2024 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden. 3Het verzoek 3.
- De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogdes over [de minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- De Raad heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. Er is door de jaren heen sprake geweest van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] , omdat bleek dat de moeder niet in staat is en was om [de minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. Moeders persoonlijke problematiek staat steeds op de voorgrond. [de minderjarige] is in de thuissituatie bij de moeder onvoldoende veiligheid, structuur en duidelijkheid geboden, als gevolg van de forse persoonlijke problematiek en het middelengebruik waarmee de moeder al jarenlang kampt. [de minderjarige] heeft zijn moeder al bijna een jaar niet gezien en het contact verliep daarvoor niet zonder spanningen voor [de minderjarige] . Hij raakt bij onvoorspelbaarheid/onduidelijkheid richting de moeder hierover boos. De moeder is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Als gevolg van de persoonlijke problematiek van de moeder is zij jarenlang moeilijk en soms helemaal niet bereikbaar geweest voor de hulpverlening. Mede gelet op de problematiek van [de minderjarige] , heeft de Raad niet de verwachting dat de moeder de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een afzienbare tijd zelfstandig kan dragen. De moeder heeft en uit die wens wel, waardoor er onduidelijkheid en onzekerheid ontstaat over het perspectief van [de minderjarige] . Deze onzekerheid kan [de minderjarige] niet aan zonder verdere ernstige schade voor zijn ontwikkeling. De aanvaardbare termijn is daarom verstreken. Er is een gezagsbeëindigende maatregel nodig voor [de minderjarige] , omdat de ondertoezichtstelling samen met een machtiging tot uithuisplaatsing (die jaarlijks verlengd dient te worden) niet langer de juiste maatregel is. De Raad acht een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk. De moeder heeft weinig tot geen inspanningen geleverd om betrokken te raken bij de zorg- en opvoedtaken van [de minderjarige] en weigert op momenten ook hulp voor haar eigen problematiek te zoeken, dan wel te aanvaarden. De Raad is van mening dat de GI belast dient te worden met de voogdij over [de minderjarige] als neutrale partij. De GI geeft reeds invulling aan de ondertoezichtstelling, kent [de minderjarige] en de betrokkenen en is om die reden de meest aangewezen partij. Het overdragen van het gezag aan de pleegmoeder is niet aan de orde omdat de pleegmoeder dat niet wil. 4De standpunten De pleegmoeder 4.
- De pleegmoeder heeft op de zitting aangegeven dat zij achter het verzoek staat. Dat de moeder het gezag over [de minderjarige] heeft, maakt het regelen van zaken als een identiteitskaart of het maken van reizen lastig. [de minderjarige] heeft ook de angst dat de moeder hem ineens op school zal opzoeken, zoals ook een keer tijdens de basisschooltijd is gebeurd. De pleegmoeder heeft goed contact met de GI en met Kenter en vindt het fijn dat zij aan hen als deskundigen vragen kan stellen. 4.
- De pleegmoeder heeft bij de Raad aangegeven dat zij graag wil dat de voogdij over [de minderjarige] bij de GI wordt belegd zodat zij samen met hen de juiste beslissingen voor [de minderjarige] kan nemen en hij niet meer in onzekerheid leeft of de dingen die hij wil wel kunnen omdat hij niet weet of de moeder hier toestemming voor geeft. Zo wil [de minderjarige] nu graag een pinpas en een bankrekening en kan dit niet voor hem geregeld worden. De pleegmoeder vindt het ook een naar idee dat de moeder [de minderjarige] kan opeisen als zij voor haar deur staat omdat zij gezag heeft. De GI 4.
- De GI heeft op de zitting aangegeven achter het verzoek te staan. De GI is niet in staat om met de moeder zaken te regelen, omdat de GI zeer sporadisch contact met haar heeft. De moeder zit al lange tijd in een slechte periode, waarin ze voor de GI niet bereikbaar of beschikbaar is. Ze oefent haar gezag niet uit en er is ook geen omgang tussen haar en [de minderjarige] . De GI wijst er daarbij ook op dat de moeder in haar e-mailbericht aan de GI van een paar maanden geleden stelt dat zij recht op informatie heeft – hetgeen ook het geval is -, maar daarbij niet in ogenschouw neemt wat de wensen van [de minderjarige] zijn of wat in zijn belang is. 4.
- De GI heeft bij de Raad aangegeven dat de GI van mening is dat een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is. De moeder is niet in staat om op adequate wijze invulling te geven aan haar gezag. Zij is slecht tot niet bereikbaar en deze onvoorspelbaarheid komt niet ten goede van [de minderjarige] . [de minderjarige] weet al een half jaar niet hoe het met zijn moeder gaat en die onzekerheid knaagt aan hem. De moeder kan het belang van [de minderjarige] niet voorop stellen. Het dragen van gezag zorgt voor meer spanningen bij [de minderjarige] en pleegmoeder rondom regelzaken, bijvoorbeeld rondom het regelen van een bankpasje en het openen van een bankrekening. Dit kan niet worden geregeld omdat er geen contact is. De huidige kinderbeschermingsmaatregel is volgens de GI, na zoveel jaren, niet passend. Het zou het netwerkpleeggezin meer ruimte geven als er een verderstrekkende maatregel zou komen. 5Het standpunt van [de minderjarige] 5.
- heeft in het gesprek met een van de kinderrechters uit de meervoudige kamer aangegeven dat hij graag ziet dat het gezag van de moeder wordt beëindigd, zodat de pleegmoeder of anders de GI het gezag over hem kan uitoefenen. Hij vindt het vervelend dat het lang duurt voordat dingen geregeld zijn, zoals het regelen van een bankpas, en maakt zich ook zorgen over de benodigde toestemming van de moeder als hij op vakantie zou gaan. Tot slot weet [de minderjarige] dat de moeder naar zijn telefoonnummer heeft gevraagd alsmede dat zij gevraagd heeft waar hij op school zit, terwijl hij niet wil dat ze dat weet. 5.
- [de minderjarige] heeft bij de Raad aangegeven dat hij het fijn vindt bij de pleegmoeder en voor altijd bij haar wil blijven wonen. Hij wil ook graag dat de pleegmoeder beslissingen over hem kan nemen. [de minderjarige] wil graag een pinpas en bankrekening en wordt er moe van dat hij altijd op de moeder moet wachten voordat dit soort dingen geregeld kunnen worden. Hij wil niet langer op haar wachten. 6De beoordeling 6.
- Op grond van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. 6.
- Uit de rapportage van de Raad en de behandeling op de zitting is gebleken dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling is bedreigd. De moeder heeft vanwege haar persoonlijke (psychiatrische) problematiek en het middelengebruik [de minderjarige] onvoldoende veiligheid, structuur en duidelijkheid in de thuissituatie kunnen bieden. Er leek even sprake te zijn van een positieve ontwikkeling, maar het is haar niet gelukt om deze positieve lijn voort te zetten. Zo is er sprake geweest van een terugval in drugsgebruik. De persoonlijke problematiek van de moeder staat daarmee nog steeds op de voorgrond en de moeder wordt niet in staat geacht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , als bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW (structureel) te dragen. 6.
- Verder is voldoende komen vast te staan dat de termijn verstreken is, gedurende welke [de minderjarige] onzekerheid kan verdragen over zijn perspectief. [de minderjarige] is op 12 januari 2019 vrijwillig uit huis geplaatst in een pleeggezin bij zijn tante, welke uithuisplaatsing daarna is geformaliseerd. Hij ontwikkelt zich goed in het pleeggezin, waar hem de veiligheid, structuur, duidelijkheid en de extra zorg wordt geboden die hij nodig heeft. Voor [de minderjarige] is het van belang dat hij rust en duidelijkheid krijgt over waar hij verder opgroeit. Een beslissing om het gezag van de moeder te beëindigen draagt daaraan bij. [de minderjarige] kan zich dan vanuit een stabiele omgeving gaan richten op zijn ontwikkeling en de benodigde hulpverlening kan worden gewaarborgd. 6.
- De rechtbank is van oordeel dat onder bovengenoemde omstandigheden op zichzelf is voldaan aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging, zoals die volgen uit artikel 1:266, eerste lid, onder a BW. Dat betekent echter niet zonder meer dat gezagsbeëindiging van de moeder op dit moment ook de aangewezen maatregel is. Gezagsbeeïndiging is een verstrekkende en ingrijpende maatregel waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van ouder en kind. Op deze inmenging is artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van toepassing. Blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan van beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake zijn op het moment dat is gebleken dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient derhalve ook te beoordelen of voortduring van het gezag van de moeder schadelijk is voor [de minderjarige] . 6.
- De rechtbank is van oordeel dat is onderbouwd en gebleken dat de ontwikkeling van [de minderjarige] zal worden geschaad als de moeder het gezag zou behouden. De moeder geeft al jaren geen invulling aan haar gezag en is naar het oordeel van de rechtbank ook niet meer in staat om op gedegen wijze gezagsbeslissingen te nemen, nu zij niet op de hoogte is van de ontwikkeling en behoeften van [de minderjarige] . Ook is zij niet goed bereikbaar voor de hulpverlening en voor [de minderjarige] . Daarmee bestaat het risico dat de beslissingen over [de minderjarige] , bijvoorbeeld over de schoolkeuze of medisch handelen, niet in het vereiste tempo genomen kunnen worden. Hiernaast is duidelijk dat [de minderjarige] , die dit ook zo heeft aangegeven tijdens het kindgesprek op 7 januari 2025, onrust en stress ervaart vanwege het feit dat zijn moeder formeel de gezagsbeslissingen over hem moet nemen, omdat hij heeft ervaren dat zijn moeder niet goed bereikbaar is en deze beslissingen niet, of veel te laat, neemt. Zaken kunnen daardoor niet of moeizaam geregeld worden, wat bijvoorbeeld ook het geval was bij het regelen van een bankpasje. Tot slot zorgt de omstandigheid dat de moeder zo nu en dan contact met de GI opneemt en dan informatie over [de minderjarige] ‘opeist’ – zonder daarbij met zijn wensen of belangen rekening te houden - voor onrust bij hem omdat hij bijvoorbeeld niet wil dat de moeder hem onverwacht op school komt opzoeken. De rechtbank acht voortzetting van het gezag van de moeder, gelet op het voorgaande, dan ook schadelijk voor [de minderjarige] . 6.
- Het voorgaande leidt tot conclusie dat aan zowel het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW, als aan het criterium van artikel 8 EVRM is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van [de minderjarige] is, zodat het verzoek tot beëindiging van het gezag zal worden toegewezen. 6.
- Nu de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] ontbreekt, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd te benoemen. De GI heeft zich op 19 november 2024 schriftelijk bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de GI tot voogd moet worden benoemd. 6.
- Deze beslissing betekent niet dat de moeder geen rol meer kan spelen in het leven van [de minderjarige] . De moeder zal altijd de moeder van [de minderjarige] blijven. De gezagsbeëindiging betekent ook niet dat er geen omgang meer zal zijn tussen hen. Er wordt vanuit gegaan dat alle betrokkenen zich zullen inzetten voor een betekenisvolle rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] , op een wijze die passend is bij de belastbaarheid van [de minderjarige] . 7De beslissing De rechtbank: 7.
- beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedatum] in [plaats] over [de minderjarige]; 7.
- benoemt tot voogd over genoemde minderjarige, de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem; 7.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 7.
- verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister. Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Beek, mr. G.D. de Jong, en mr. M.H. Simons, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025, in aanwezigheid van mr. T.E.J. Bruinen als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.