RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/359102 / JU RK 24-1707 Datum uitspraak: 6 februari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , [de gezinshuisouder] , hierna te noemen de gezinshuisouder, wonende in [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 november 2024; de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, betreffende toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na 2 jaar, ontvangen op 6 februari
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari
- Daarbij waren aanwezig: - [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] als vertegenwoordigers van de GI; - de gezinshuisouder. 1.
- De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. 1.
- De moeder is niet verschenen. 2De feiten 2.
- De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] verblijft in een gezinshuis. 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van 11 februari 2014 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 11 februari
- 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van 11 februari 2016 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , welke machtiging nadien is verlengd en thans nog voortduurt tot 11 februari
- 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinshuis te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- De GI motiveert de verzoeken als volgt. [de minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd. In 2017 is een perspectiefbesluit genomen. Hierin werd besloten dat [de minderjarige] tot zijn meerderjarigheid uit huis geplaatst zal blijven. De moeder wil graag voor [de minderjarige] zorgen, maar beseft dat zij daartoe onvoldoende in staat is. Tijdens de omgangsmomenten lukt het haar ook niet altijd om goed met het gedrag van [de minderjarige] om te gaan. Het perspectief is al lang bepaald, maar door uitlatingen van de moeder heeft [de minderjarige] toch de hoop en verwachting dat hij ooit weer bij de moeder kan wonen. [de minderjarige] heeft mede daardoor nog steeds moeite om de uithuisplaatsing te accepteren. [de minderjarige] is dit jaar begonnen op de middelbare school, [school] . Hier worden hogere eisen aan hem gesteld. De docent is minder traumasensitief, waardoor [de minderjarige] af en toe terugvalt in oud gedrag (weerstand, zelfbepalend gedrag en woedeaanvallen). De gezinsmoeder kan goed omgaan met de woedeaanvallen van [de minderjarige] en deze zijn bijna helemaal afgenomen. [de minderjarige] boekt weinig vooruitgang in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Momenteel is de woonplek bij de gezinsmoeder een goede plek voor [de minderjarige] . Op lange termijn zal hij echter meer ondersteuning nodig hebben. Eind november 2024 is [de minderjarige] bij [jeugdhulpverlener] gestart met diagnostiek om te kijken of hij therapie nodig heeft en zo ja, welke therapie passend is. De GI zal op basis daarvan komend jaar onderzoeken welke woonplek voor [de minderjarige] het beste toekomstperspectief biedt. De ambivalentie van de moeder (en daardoor ook bij [de minderjarige] ) ligt in de persoonlijkheidsproblematiek van de moeder. Langdurige betrokkenheid van de GI blijft daardoor noodzakelijk. Een ondertoezichtstelling is nog nodig zodat door middel van hulp en begeleiding ervoor kan worden gezorgd dat [de minderjarige] en de moeder op een gezonde manier met hun emotieregulatie blijven omgaan. Daarnaast waarborgt de ondertoezichtstelling dat [de minderjarige] onder gecontroleerde omstandigheden contact kan onderhouden met zijn moeder. De moeder erkent, en toont ook in de praktijk, dat zij niet in staat is om [de minderjarige] de zorg en stabiliteit te bieden die hij nodig heeft. De moeder werkt goed samen met de GI. Daarom is een gezagsbeëindigende maatregel op dit moment niet passend. 4De standpunten 4.
- Uit de stukken leidt de kinderrechter af dat de moeder het eens is met de verzoeken. 4.
- De pleegmoeder is het ook eens met de verzoeken. De komende tijd kan [de minderjarige] bij de pleegmoeder blijven wonen. Gelet op de lange wachtlijsten en het toekomstperspectief van [de minderjarige] , wordt gekeken naar een vervolgplek, zoals begeleid wonen. [de minderjarige] heeft een onderzoek gehad bij [jeugdhulpverlener] . De uitslag hiervan volgt komende week. 5De beoordeling 5.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De gronden die tot de ondertoezichtstelling hebben geleid, zijn nog steeds aanwezig. De concrete bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] is dat er geen perspectief meer is dat de moeder thuis de zorg voor hem kan dragen. Gebleken is dat de moeder richting [de minderjarige] blijft uitspreken dat hij weer thuis kan komen wonen. Dit schept verwachtingen bij [de minderjarige] . De moeder wordt hierin gecoacht, maar blijft hierin wispelturig. Door de GI zal het komend jaar worden gewerkt aan de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder. Daarnaast is onderzoek gedaan door [jeugdhulpverlener] om te kijken of [de minderjarige] therapie nodig heeft en, zo ja, welke therapie. De uitslag van het onderzoek volgt binnenkort en dan zal door de GI worden gekeken wat de mogelijkheden zijn. Ten slotte zal moeten worden gekeken naar wat het toekomstige woonperspectief voor [de minderjarige] is. 5.
- Tevens blijkt dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval ook nu onvoldoende wordt geaccepteerd. Dit komt omdat de moeder ambivalent is in haar medewerking. Afschaling naar een vrijwillig kader is daarom (nog) niet mogelijk. De begeleiding van de GI is noodzakelijk om de plek die [de minderjarige] nu heeft te borgen. 5.
- Er lijkt niet meer te kunnen worden verwacht dat de moeder binnen een aanvaardbare termijn in staat is zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen. De kinderrechter acht het in het belang van [de minderjarige] om de ingezette hulpverlening te borgen. Daarom zal de ondertoezichtstelling worden verlengd, omdat voor het overige wordt voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen. 5.
- Gelet op de aanwezige problematiek, de in te zetten hulpverlening en de gestelde doelen, zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met een jaar. 5.
- De kinderrechter acht het in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dat hij in het gezinshuis waar hij nu woont kan blijven wonen. Daarom zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling verlengen. 5.
- De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 11 februari 2026; 6.
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinshuis tot 11 februari 2026; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025, in aanwezigheid van mr. E.C.W. Coesel als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 13 februari 2025.