← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:2017

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummers: C/15/361680 / JU RK 25-170 ( [de minderjarige 1] ) en C/15/361763 / JU RK 25-186 ( [de minderjarige 2] ) Datum uitspraak: 13 februari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam, over - [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 1] , - [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 2] , hierna tezamen ook te noemen: de kinderen. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [plaats] , hierna tezamen ook te noemen: de ouders. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: in de zaak met zaaknummer C/15/361680 / JU RK 25-170: het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 15 januari 2025, ingekomen bij de rechtbank op 5 februari 2025; nagezonden stukken van de GI, waaronder het plan van aanpak, ingekomen bij de rechtbank op 11 februari
  2. in de zaak met zaaknummer C/15/361763 / JU RK 25-186: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 15 januari 2025, ingekomen bij de rechtbank op 6 februari
  3. 1.
  4. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari
  5. Hierbij is de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] , verschenen en gehoord. 1.
  6. De vader en de moeder zijn niet ter zitting verschenen. 1.
  7. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de zitting afzonderlijk in raadkamer hun mening over de verzoeken aan de kinderrechter kenbaar te maken, maar hebben hier geen gebruik van gemaakt. [de minderjarige 1] heeft wel een brief gestuurd. 1.
  8. De moeder heeft in het kader van de Pilot kosteloze rechtsbijstand bij uithuisplaatsingen een advocaat toegewezen gekregen. Bij bericht van 12 februari 2025 heeft de toegevoegde advocaat aangegeven er niet in te zijn geslaagd om in contact te komen met de moeder. De advocaat is derhalve niet in staat om zich te stellen en heeft aangegeven niet ter zitting te verschijnen. 2De feiten 2.
  9. De vader en de moeder zijn sinds 4 mei 2022 gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . 2.
  10. [de minderjarige 1] woont sinds 14 januari 2025 bij Zorginstelling [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . [de minderjarige 2] woont bij de moeder. 2.
  11. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 februari 2022 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien steeds is verlengd en thans nog voortduurt tot 16 februari
  12. 2.
  13. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 februari 2022 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, welke machtiging is verlengd en heeft voortgeduurd tot 16 augustus
  14. 3Het verzoek van de GI 3.
  15. De GI verzoekt in de zaak met zaaknummer C/15/361680 / JU RK 25-170 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] te verlengen tot de meerderjarigheid van [de minderjarige 1] . Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen tot zijn meerderjarigheid. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt in de zaak met zaaknummer C/15/361763 / JU RK 25-186 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar en om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  16. De GI heeft de verzoeken als volgt gemotiveerd. In augustus 2023 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] na een uithuisplaatsing weer bij hun moeder gaan wonen. Sinds de terugplaatsing is de samenwerking met de moeder gestagneerd. Het lukte de GI niet om structureel met de moeder in contact te komen. De moeder reageerde zo nu en dan op appjes, maar het leidde niet tot concrete acties en afspraken. Ook de ambulante begeleiding vanuit Levvel kwam minimaal in contact met de moeder waardoor de hupverlening stagneerde. De therapeut gaf aan dat het niet lukte om [de minderjarige 2] structureel te zien, omdat de moeder regelmatig afspraken afzegde, volgens haar wegens gezondheidsklachten. De moeder reageerde niet op het aanbod van Levvel om [de minderjarige 2] op te halen en naar therapie te brengen en ook op belletjes van de gezinsmanager kwam weinig respons. De gezinsmanager is tweemaal op onaangekondigd huisbezoek geweest, waarbij er niemand thuis was. In oktober 2024 heeft er op verzoek van [de minderjarige 1] een gesprek plaatsgevonden waarbij hij, de moeder, de GI en Levvel aanwezig waren. In dit gesprek heeft [de minderjarige 1] aangegeven dat het niet goed met hem gaat en dat hij niet toe kan komen aan zijn ontwikkeling. [de minderjarige 1] baalt ervan dat de moeder de afgelopen periode weerstand heeft getoond jegens de hulpverlening waardoor de hulpverlening niet structureel is geweest. [de minderjarige 1] zit zichtbaar klem en heeft veel aan zijn hoofd. Hij maakt zich zorgen en ziet dat het niet goed gaat met de moeder. Zo is zij minder in staat om haar taken, zoals opruimen en koken, uit te voeren, wat ervoor zorgt dat [de minderjarige 1] dit is gaan compenseren. Ook is tijdens dit gesprek gebleken dat de moeder een terugval heeft gehad in haar alcoholgebruik en zij zich uit schaamte is gaan verstoppen en contact met de hulpverlening is gaan mijden. De moeder is door haar drankgebruik en gezondheidsklachten minder beschikbaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en spreekt ook weer meer over complottheorieën, wat voor conflicten zorgt. [de minderjarige 1] heeft in het gesprek in oktober 2024 aangegeven dat hij niet meer thuis wil wonen en denkt dat hij vanuit een andere plek beter aan zijn ontwikkeling toekomt. [de minderjarige 1] heeft goede herinneringen aan [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en zou hier graag weer willen wonen. [de minderjarige 1] hoopt dat hij op deze plek voldoende rust, structuur en ondersteuning krijgt om weer verder te werken aan zijn toekomst. [de minderjarige 1] is direct aangemeld en er bleek een plek voor hem beschikbaar. De moeder (h)erkent de zorgen en heeft aangegeven [de minderjarige 1] in zijn keuze te zullen steunen. [de minderjarige 1] is op 14 januari 2025 naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] verhuisd. 3.
  17. Gezien wordt dat de moeder sinds het gesprek en de plaatsing van [de minderjarige 1] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] meer openheid van zaken geeft. Ze geeft aan haar best te zullen doen om te werken aan haar persoonlijke problematiek en heeft een afspraak gemaakt bij de traumatherapeut. Ook is de moeder gestopt met drinken en heeft zij vastbesloten aangegeven om mee te werken met de hulpverlening. Levvel ziet sinds het gesprek in oktober 2024 een moeder met een andere houding en heeft op dit moment wekelijks contact met de moeder. Ook de ambulant begeleider geeft aan dat het contact met de moeder beter loopt. Daarnaast is er een gespecialiseerd verpleegkundige vanuit de GGZ betrokken die op regelmatige basis bij de moeder langsgaat om haar te ondersteunen in het verkrijgen van meer overzicht. De moeder reageert hier vooralsnog goed op en de GI hoopt dat de moeder deze hulp structureel blijft accepteren. Wel lijkt het voor de moeder nog lastig om te praten over de moeilijkheden binnen de thuissituatie, mogelijk mede veroorzaakt door de angst en het wantrouwen in de hulpverlening. Ondanks de positieve ontwikkelingen acht de GI de verbeterde situatie nog zeer pril en kwetsbaar. Ook is het de vraag wat de verhuizing van [de minderjarige 1] uit de thuissituatie met [de minderjarige 2] zal doen, aangezien [de minderjarige 1] veel compenseerde en deze beschermende factor voor haar nu is weggevallen. Vooralsnog lijkt het redelijk goed te gaan met [de minderjarige 2] . Ze gaat naar school, waar de GI mee in contact is. Ook gaat [de minderjarige 2] nu structureel naar de afspraken met haar dramatherapeut, waar Levvel haar naartoe brengt. Er is op dit moment zicht op [de minderjarige 2] en zij lijkt zich te ontwikkelen. De GI maakt zich echter wel nog zorgen, mede omdat de moeder de GI niet altijd toelaat in de thuissituatie. De komende periode zal moeten blijken of de moeder [de minderjarige 2] voldoende blijvende veiligheid kan bieden in de thuissituatie. Met de moeder is afgesproken dat zij structureel meewerkt aan de hulpverlening vanuit Levvel en ervoor zorgt dat [de minderjarige 2] haar individuele hulpverleningstraject structureel blijft volgen. 3.
  18. Gelet op de zorgen en het feit dat de moeder er niet in slaagt om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] structureel te ondersteunen, acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. De inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader is ontoereikend, omdat de moeder vaak te laat reageert en het patroon van stagneren, wegblijven en vertragen nog niet is doorbroken. De moeder geeft aan wel mee te willen werken, maar telkens blijkt dat zij dit niet structureel kan volhouden. Middels een ondertoezichtstelling kan de GI druk op de moeder uitoefenen indien zij zorgmijdend gedrag laat zien. Daarnaast acht de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] noodzakelijk, zodat hij bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan blijven wonen. 4De mening van de betrokkenen 4.
  19. De moeder heeft volgens de gezinsmanager laten weten de ondertoezichtstelling niet meer nodig te vinden, maar toch achter de verzoeken van de GI te staan. Verder zou de moeder hebben aangegeven niet naar de zitting te komen. 4.
  20. [de minderjarige 1] heeft bij bericht van 11 februari 2025 aangegeven het eens te zijn met de verzoeken van de GI. Hij verblijft nu ongeveer een maand bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en heeft hier al meer rust voor zichzelf gevonden. De komende periode zal er een toekomstperspectief voor hem worden gecreëerd. 4.
  21. [de minderjarige 2] is het volgens de gezinsmanager eens met het verzoek van de GI, maar wenst evenmin de zitting bij te wonen. 5De beoordeling 5.
  22. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat ook op dit moment is voldaan aan de criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben veel meegemaakt en ook op dit moment kampt de moeder met persoonlijke problematiek, waaronder gezondheidsklachten en (in het najaar) een terugval in haar drankgebruik. Dit maakt dat de moeder nog onvoldoende (emotioneel) beschikbaar is voor de kinderen en onvoldoende in staat is om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] structureel de begeleiding en de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben om zich op gezonde wijze verder te ontwikkelen. De vader is op geen enkele wijze bij het gezin betrokken om de moeder te ondersteunen in de opvoeding en verzorging van de kinderen. Gebleken is dat de thuissituaties bij de moeder onvoldoende toekwam aan hetgeen [de minderjarige 1] nodig had om zich verder te ontwikkelen. Zijn hoofd zat vol zorgen en hij heeft de taken rondom het huishouden van de moeder moeten overnemen. In het gesprek van oktober 2024 heeft [de minderjarige 1] op eigen initiatief aangegeven dat de situatie voor hem niet langer houdbaar was, waarna hij op eigen verzoek in januari 2025 is verhuisd naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Sinds dit gesprek lijkt de situatie te verbeteren. De moeder lijkt beter in contact en er is meer zicht op de thuissituatie. Hoewel [de minderjarige 2] zich op dit moment redelijk lijkt te ontwikkelen, is de verbeterde situatie nog erg pril en moet afgewacht worden welk effect het vertrek van [de minderjarige 1] heeft op haar veiligheid en ontwikkeling in de thuissituatie bij de moeder. Positief is dat [de minderjarige 2] naar school gaat en structureel deelneemt aan dramatherapie. 5.
  23. De hulpverlening die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen, wordt echter ook op dit moment nog niet dan wel onvoldoende geaccepteerd. De moeder is onvoldoende in staat om de nodige hulpverlening onder eigen verantwoordelijkheid te accepteren. De moeder lijkt zich te schamen voor de situatie, wat lijdt tot zorgmijdend gedrag. De moeder kent een patroon van stagneren, vertragen en ontwijken van hulpverlening. Dit bemoeilijkt de daadwerkelijke en effectieve inzet van de nodige hulpverlening en maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat het noodzakelijk is dat de GI als regievoerder ook de komende periode bij het gezin betrokken blijft om ervoor te zorgen dat de nodige hulpverlening wordt in- en doorgezet. Wel is de verwachting vooralsnog gerechtvaardigd dat de ouders met gezag binnen een gelet op de personen en ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn in staat zijn om weer zelfstandig hun verzorging en opvoeding te dragen. 5.
  24. Gelet op voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengen. Gelet op de ook nu nog bestaande zorgen, acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling ten aanzien [de minderjarige 1] tot zijn meerderjarigheid en ten aanzien van [de minderjarige 2] voor de duur van één jaar passend en geboden. 5.
  25. Tevens is de kinderrechter van oordeel dat de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (art. 1:265c, tweede lid, BW). [de minderjarige 1] heeft op eigen initiatief aangegeven dat hij in de thuissituatie van de moeder niet aan zijn ontwikkeling toekomt. Op dit moment verblijft [de minderjarige 1] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . [de minderjarige 1] heeft hier eerder verbleven en heeft hier een goede ervaring gehad. Ook nu lijkt [de minderjarige 1] hier zich goed te ontwikkelen. De kinderrechter acht het dan ook in zijn belang om zijn plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te borgen. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  26. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] tot 16 februari 2026; 6.
  27. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] tot zijn meerderjarigheid, te weten [datum] ; 6.
  28. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 februari 2025 tot zijn meerderjarigheid, te weten [datum] ; 6.
  29. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2025 door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.E. van Veen als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.