RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummers: C/15/361163 / JU RK 25-93 en C/15/361118 / JU RK 25-84 Datum uitspraak: 30 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem, hierna te noemen: De Raad, over - [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 1] , - [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] , en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] , hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat van de ouders: mr. B. Bos, kantoorhoudende in Hoorn. de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd in Alkmaar, hierna te noemen: de GI. 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: de beschikkingen van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 januari 2025 en 21 januari 2025 en de daarin genoemde stukken; het e-mailbericht van de Raad, bij de rechtbank binnengekomen op 21 januari
- 1.
- De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari
- Daarbij waren aanwezig: de ouders, bijgestaan door hun advocaat; [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad; [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , beiden namens de GI. 1.
- Ouders zijn ter zitting tevens bijgestaan door [tolk] , tolk in de Poolse taal. 2De feiten 2.
- De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . 2.
- Bij beschikking van 19 januari 2025 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 19 januari 2025 voor de duur van drie maanden. 2.
- Bij beschikking van 19 januari 2025 is ten aanzien van [de minderjarige 1] ook een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een crisispleeggezin met ingang van 19 januari 2025 voor de duur van vier weken. 2.
- Bij beschikking van 21 januari 2025 is ten aanzien van [de minderjarige 2] een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een crisispleeggezin met ingang van 21 januari 2025 voor de duur van vier weken. 3Het verzoek 3.
- De Raad heeft, naast de voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden en de spoedmachtiging uithuisplaatsing voor de duur van vier weken, de kinderrechter verzocht om (aansluitend) een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlenen in een crisispleeggezin voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de Raad het volgende aangevoerd. 3.
- Vanuit de eerdere contacten tussen ouders en Veilig Thuis en vanuit de gebeurtenissen in de afgelopen week zijn er grote zorgen over de veiligheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij hun ouders, omdat de kinderen voor hun zorg en veiligheid nog volledig afhankelijk zijn. [de minderjarige 2] is op 17 januari 2025 met ernstig hersenletsel in het ziekenhuis opgenomen en onduidelijk is waardoor dit is ontstaan. Wel duidelijk is dat de reden die vader hiervoor geeft, onwaarschijnlijk wordt geacht. [de minderjarige 2] verbleef in het ziekenhuis, op de Intensive Care. Vanuit de zorgen is geprobeerd om met vader veiligheidsafspraken te maken betreffende [de minderjarige 1] (die bij vader verbleef). Echter, gebleken is dat vader zich niet aan deze veiligheidsafspraken heeft gehouden waardoor het ook niet mogelijk is gebleken om de veiligheid van [de minderjarige 1] te garanderen en te borgen. Direct ingrijpen bleek noodzakelijk middels een verzoek tot een uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een pleeggezin. De Raad heeft vervolgens ook een uithuisplaatsing voor [de minderjarige 2] verzocht om zijn verblijf na ontslag uit het ziekenhuis veilig te stellen. Naast de directe zorgen over de gezondheidstoestand van de kinderen zijn er grote zorgen over de woning van de ouders. Veilig Thuis geeft aan dat de caravan waarin ouders met de kinderen verbleven ernstig vervuild is, bedjes en kleding vies zijn en er braaksel op de grond ligt dat door de kinderen werd opgegeten. Er zijn ook zorgen over huiselijk geweld. 3.
- Ter zitting heeft de Raad het verzoek als volgt aangevuld. De Raad vindt het van belang dat de veiligheid van de kinderen wordt gewaarborgd. Er loopt een recherche-onderzoek naar de toedracht van het hersenletsel bij [de minderjarige 2] . De artsen waarderen het letsel vooralsnog niet als ontstaan door een ongeluk, maar als toegebracht letsel en maken zich zorgen over de manier waarop het letsel tot stand is gekomen. Daarom is van belang dat de huidige maatregelen nog door blijven lopen. Ook dient er duidelijkheid te komen over de zorgen die door de crisispleegouders bij [de minderjarige 1] worden gezien, te weten zijn paniek bij verschoning. Voor de veiligheid van de kinderen is van belang dat hun verblijf in de pleeggezinnen wordt voortgezet. De Raad vindt het net als de ouders ook van belang dat zij in die periode wel omgang hebben met hun kinderen, maar gezien alle zorgen op dit moment en de spoedeisendheid van de zaken is dat op de achtergrond gebleven. Zodra gestart wordt met de begeleide omgangsmomenten, zal er ook naar de interactie tussen de ouders en de kinderen gekeken worden. 4De standpunten De ouders 4.
- Door en namens de ouders is ter zitting naar voren gebracht dat zij zich kunnen vinden in de ondertoezichtstelling van hun kinderen. Beide ouders weten niet hoe het letsel bij [de minderjarige 2] is ontstaan. Zij snappen niet dat er zorgen zijn over de manier waarop het letsel is ontstaan. De ouders staan open voor veiligheidsafspraken, zodat zij kunnen laten zien dat zij wel voor de veiligheid van hun kinderen kunnen instaan. Zij staan daarom open voor een derde partij die thuis bij hen komt kijken. De zorgen over huiselijk geweld worden door de ouders niet herkend. Er heeft wel een geweldsincident plaatsgevonden, maar er is absoluut geen sprake van structureel huiselijk geweld. Ook de zorgen rondom het verschoningsmoment van [de minderjarige 1] herkennen de ouders niet. De ouders wijten dat aan de onbekende omgeving waar de kinderen zich bevinden. De ouders zijn daarom van mening dat het verzoek tot een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van hun kinderen afgewezen moet worden. Indien toch een machtiging wordt verleend, dan verzoeken de ouders om dat voor een kortere periode toe te wijzen dan is verzocht zodat zij kunnen laten zien dat zij openstaan voor hulpverlening. De GI 4.
- De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat er zorgen zijn over [de minderjarige 1] in het crisispleeggezin. [de minderjarige 1] is een vrolijk kind. Hij eet en drinkt goed, echter vertoont hij een paniekreactie tijdens de verschoningsmomenten. Het voorgaande is met de kinderarts besproken waarna is besloten om onderzoek en een skeletscan te doen. De eerste keer is niet goed gelukt waardoor binnenkort weer een afspraak gepland staat voor de scan. Met [de minderjarige 2] gaat het op dit moment redelijk. Er is bij hem wel veel onrust geconstateerd. Hij verblijft niet meer in het ziekenhuis maar in een gezinshuis. De kinderen verblijven momenteel op aparte plekken. De bedoeling is dat zij samen in een gezin gaan verblijven. De GI heeft verder naar voren gebracht dat alles nog heel pril is. De GI kent de ouders nog niet. Binnenkort heeft de GI wel een afspraak samen met de ouders in het ziekenhuis om met de artsen de uitslag van de scans te bespreken. 5De beoordeling Rechtsmacht 5.
- De kinderrechter constateert dat de moeder de Tsjechische nationaliteit en de vader de Poolse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, moet de kinderrechter het toepasselijke recht bepalen. 5.
- Ingevolge artikel 7, lid 1, van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. 5.
- Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast. De voorlopige ondertoezichtstelling en de spoeduithuisplaatsing 5.
- In wat ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het oordeel, zoals geformuleerd in de beschikkingen van 19 januari 2025 en 21 januari 2025 te wijzigen. Die beschikkingen zullen daarom worden gehandhaafd. De (verdere) uithuisplaatsing 5.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de zorgen rondom de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] groot zijn. Zo is [de minderjarige 2] nog niet zo lang geleden met ernstig hersenletsel in het ziekenhuis opgenomen. Nog onduidelijk is waardoor het letsel bij [de minderjarige 2] is ontstaan. Het verhaal over de mogelijke toedracht dat de vader heeft verteld, beschouwt de arts als onwaarschijnlijk. Er zijn vermoedens van toegebracht letsel. Ook zijn er aanvullende zorgen over [de minderjarige 1] . Ten aanzien van [de minderjarige 1] zal er nader onderzoek , waaronder een skeletscan, plaatsvinden in het ziekenhuis. De kinderrechter acht het, gezien het vermoeden van toegebracht letsel bij een volledig afhankelijk kind, het feit dat de kinderen voorafgaand aan het moment dat het letsel is geconstateerd volledig bij de ouders verbleven en de aanvullende zorgen over [de minderjarige 1] , in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat zij middels een machtiging tot uithuisplaatsing elders verblijven. De kinderrechter acht het vanwege het veiligheidsrisico niet verantwoord dat zij bij hun ouders verblijven. Daarbij wegen ook mee de zorgen over de woonsituatie van de ouders en het huiselijk geweld. [de minderjarige 2] heeft op dit moment intensieve zorg nodig en bij [de minderjarige 1] moet nog gekeken worden naar de signalen die hij in het pleeggezin afgeeft. De kinderrechter acht een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk. De kinderrechter ziet gezien de ernst van de zorgen geen aanleiding om, zoals door de ouders is verzocht, de duur van de machtiging te verkorten. 5.
- De kinderrechter is van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding en dat voldaan is aan de wettelijke criteria daarvan. Het verzoek van de Raad zal daarom worden toegewezen, en wel voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Dat betekent dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal worden verleend tot 19 april
- 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 januari 2025 tot 19 april 2025, te weten de einddatum van de voorlopige ondertoezichtstelling; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025, in aanwezigheid van G. Tosun-Izci als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 februari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).