RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/360207 / JU RK 24-1896 Datum uitspraak: 4 februari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , [de pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende te [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2024; het e-mailbericht van de pleegmoeder van 22 januari
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari
- Hierbij is verschenen en gehoord: - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ; 1.
- De moeder en de vader zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 1.
- De pleegmoeder heeft in haar e-mailbericht laten weten niet op de zitting aanwezig te kunnen zijn. 1.
- [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting door de kinderrechter afzonderlijk gehoord te worden, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 2De feiten 2.
- De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van 4 augustus 2017 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 3 augustus
- Deze ondertoezichtstelling is vervolgens definitief uitgesproken en daarna steeds verlengd. Deze maatregel duurt nu nog tot 16 februari
- 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van 15 juli 2020 is machtiging verleend om [de minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (een crisispleeggezin). Deze machtiging is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 16 februari
- 3Het verzoek 3.
- De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- De GI heeft het verzoek mondeling en schriftelijk als volgt toegelicht. [de minderjarige] heeft een trauma vanwege seksueel grensoverschrijdend gedrag in het verleden. Zij heeft hierdoor moeite met het aangeven van haar (seksuele) grenzen en vindt het lastig in te schatten welk gedrag passend is. Daarnaast heeft zij, vanwege de vele wisselingen in woonplek en opvoeder in het verleden, moeite om nieuwe mensen te vertrouwen. Ook zijn er zorgen over het excessieve telefoongebruik van [de minderjarige] . Verder vertoont zij chaotisch gedrag en heeft zij moeite om haar acties te overzien, waarbij het gebruik van sociale media een aandachtspunt is. Als de zorgen hierover in de toekomst weer toenemen, kan eventueel onderzoek naar ADHD worden overwogen. [de minderjarige] heeft het traject bij het Kinder en jeugdtraumacentrum (KJTC) afgerond. Daar heeft zij EMDR gehad, haar levensverhaal geschreven, beter leren praten over haar gevoelens en grenzen leren aangeven. Intussen is [de minderjarige] opener, kan zij zichzelf beter reguleren en kan zij hulp vragen en ontvangen. Gezien wordt dat zij in haar pleeggezin en dankzij de hulpverlening steeds beter in haar vel komt. Het pleeggezin is echter het afgelopen jaar verhuisd naar [provincie] , waar [de minderjarige] niet goed kan aarden. 3.
- [de minderjarige] heeft duidelijke regels en structuur nodig. Het lukt de ouders op dit moment echter (nog) niet om aan te sluiten bij wat zij nodig heeft en haar veiligheid te waarborgen. De ouders lijken de omgangsregeling nog niet goed na te leven en er zijn ook nog steeds zorgen over de thuissituatie bij hen wanneer [de minderjarige] daar is. De vader en zijn partner zouden nog veel ruzie maken en alcohol en wiet gebruiken. [de minderjarige] was verder extreem moe na de weekendomgang met de moeder, waardoor dit werd beperkt tot een dag. Tijdens de omgangsmomenten bij de moeder slaapt de moeder vaak of zit zij op de bank. Mede door haar ziekte COPD kan zij weinig met [de minderjarige] ondernemen, maar er zijn ook vermoedens dat de moeder cocaïne gebruikt. Daarnaast belasten de ouders [de minderjarige] soms met volwassen zaken. Tot slot zit [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict tussen de ouders en de pleegouders. Zij voelt nog niet de vrijheid om in beide situaties haar wensen en behoeften te uiten. Ook speelt zij de ouders, pleegouders en hulpverleners tegen elkaar uit met aangedikte of verzonnen verhalen, waardoor de betrokken volwassenen minder vertrouwen in elkaar hebben. 3.
- Overgang naar het vrijwillige kader is door de aanhoudende zorgen nog niet mogelijk gebleken. Omdat [de minderjarige] haar eigen grenzen en wensen nog niet goed kan aangeven, is er nog een regiehouder nodig die haar belangen behartigt. Daarnaast is het van belang dat er binnen het gedwongen kader toezicht is op de veiligheid van de omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de ouders. De GI verwacht dat de ouders besluiten over de veiligheid in het vrijwillig kader minder snel zullen opvolgen. De ouders moeten soms ook worden begrensd en het is wenselijk dat een andere partij dan de pleegouders dit kan doen, om spanningen tussen hen en de ouders te voorkomen. De omgang tussen [de minderjarige] en de ouders loopt nu volgens een schema dat is opgesteld tot de zomer van
- Daarnaast zijn er zorgen over het woonperspectief van [de minderjarige] wanneer het gedwongen kader weg zou vallen. De GI voorziet dat de ouders, vooral de moeder, zullen trekken aan [de minderjarige] om bij de moeder te gaan wonen. De GI ziet deze druk vanuit de ouders en de loyaliteit vanuit [de minderjarige] naar haar ouders als een risico en weegt continu het recht op omgang en het recht op veiligheid tegen elkaar af. Daarnaast is nu nog onzeker of [de minderjarige] in [provincie] wil blijven, nu zij heeft aangegeven dat zij het daar niet prettig vindt. Er is nu afgesproken dat [de minderjarige] in elk geval haar middelbare school afmaakt in [provincie] . De GI zal het aankomend jaar op zoek gaan naar een geschikte vervolgplek in de regio Noord-Holland waar [de minderjarige] na het behalen van haar diploma kan wonen. 4De standpunten 4.
- Namens de GI is ter zitting aangegeven dat de jeugdbeschermer het verzoek met [de minderjarige] heeft besproken. [de minderjarige] gaf toen aan dat zij niet goed wist wat ze ervan vond. De jeugdbeschermer heeft de indruk dat [de minderjarige] het in de afgelopen zeven jaar prettig vond om contact met haar te hebben. 4.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de ouders het eens zijn met het verzoek. 5De beoordeling 5.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging bestaat eruit dat [de minderjarige] kwetsbaar is door een trauma van seksueel grensoverschrijdend gedrag en veel wisselingen van opvoeders in het verleden. Het is voor haar nog steeds moeilijk om haar (seksuele) grenzen aan te geven en in te schatten welk gedrag passend is. Ook heeft zij moeite de gevolgen van haar gedrag te overzien en is er sprake van excessief telefoongebruik. Het lukt de ouders daarbij (nog) niet om aan te sluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Zo zijn er nog steeds zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] wanneer zij bij de ouders is. De ouders leven de omgangsregeling nog onvoldoende na en er zijn zorgen over alcohol- en/of drugsgebruik en ruzies bij de vader thuis. Ook moeten de ouders begrensd worden in hun doen en laten. Daarnaast zit [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict tussen de ouders en de pleegouders, waardoor zij nog niet de vrijheid voelt haar grenzen en wensen goed aan te geven. Sinds het pleeggezin het afgelopen jaar is verhuisd naar [provincie] lukt het [de minderjarige] minder goed om te aarden. De kinderrechter is, met de GI, van oordeel dat de hulpverlening dient te worden voortgezet, zodat de gestelde veiligheidsdoelen (verder) behaald kunnen worden en [de minderjarige] op een rustige (vervolg)plek haar trauma’s kan verwerken en in contact kan komen met haar gevoel. 5.
- De zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is wordt in dit geval niet of onvoldoende geaccepteerd, omdat de zorgen lastig met de ouders te bespreken zijn en zij de omgangsregeling nog niet goed naleven. De ouders lijken in zekere mate wel bereid, maar onvoldoende in staat om zelfstandig de nodige hulpverlening effectief te accepteren. De GI verwacht dat het gedwongen kader ervoor zorgt dat de ouders besluiten over [de minderjarige] ’s veiligheid opvolgen en dat zij (vooral de moeder) als het gedwongen kader wegvalt te veel druk op [de minderjarige] zullen leggen om weer bij de moeder te gaan wonen. 5.
- Gebleken is dat de verwachting mogelijk niet meer gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer zelf te dragen. Gebleken is voorts dat de GI de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft verzocht om te onderzoeken of het wenselijk is het gezag van de ouders te beëindigen. De Raad heeft echter geconcludeerd dat de ouders het gezag niet misbruiken, zodat de Raad geen gezagsbeëindiging heeft verzocht. 5.
- Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek, de in te zetten hulpverlening en de gestelde doelen zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met een jaar.
- Uit het voorgaande volgt ook dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en dat is voldaan aan de wettelijke vereisten daarvoor (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Daarom zal het verzoek van de GI worden toegewezen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Het komend jaar zal de GI zoeken naar een eventuele vervolgplek in de regio Noord-Holland. 7De beslissing De kinderrechter: 7.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 16 februari 2026; 7.
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, namelijk een pleeggezin, tot 16 februari 2026; 7.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025 door mr. F. W. van Dongen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Brouwer als griffier, en op schrift gesteld op 18 februari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.