← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:2077

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummers: C/15/361086 / JU RK 25-76 (machtiging uithuisplaatsing) C/15/361210 / JU RK 25/100 (verl. ots en verl. muhp) Datum uitspraak: 14 februari 2025 Beschikking over een verlenging ondertoezichtstelling en (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] , advocaat mr. M. Erkens, kantoorhoudende te Wateringen. [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 januari 2025, strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin tot 21 maart 2025; het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 januari 2025, strekkende tot het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . 1.
  2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 februari
  3. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI; de grootvader van [de minderjarige] , [de grootvader] , die als informant is gehoord. 1.
  4. [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter te worden gehoord. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek gehad met de kinderrechter. 2De feiten 2.
  5. De ouders zijn sinds 18 oktober 2024 gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . 2.
  6. [de minderjarige] verblijft sinds november 2024 bij zijn grootouders (mz). 2.
  7. In september 2018 is [de minderjarige] (opnieuw) onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van de kinderrechter in Assen van 10 september 2024 tot 21 maart
  8. 2.
  9. De kinderrechter in Assen heeft bij beschikking van 13 mei 2024 een op 30 april 2024 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bekrachtigd en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder verleend tot 21 september
  10. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is op 10 september 2024 verlengd tot 21 maart
  11. 3Het verzoek 3.
  12. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling, te weten tot 21 maart
  13. Daarnaast verzoekt de GI de ondertoezichtstelling én de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlengen met ingang van 21 maart 2025 tot 21 maart
  14. Tot slot wordt verzocht de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De verzoeken zijn als volgt onderbouwd. 3.
  15. [de minderjarige] heeft veel meegemaakt in zijn jonge leven en veel onveiligheid ervaren. Nadat de plaatsing bij zijn vader was mislukt in mei 2024, is door de kinderrechter bepaald dat [de minderjarige] weer bij de moeder en zijn halfbroertje [halfbroertje 1] mocht gaan wonen. Vlak na zijn thuisplaatsing is ook zijn halfbroertje [halfbroertje 2] bij de moeder thuis komen wonen. Sindsdien hebben zich veel ontwikkelingen voorgedaan die voor veel onrust hebben gezorgd. Onveilige situaties met de buurvrouw hebben ertoe geleid dat de moeder met de kinderen in de zomervakantie is verhuisd naar [plaats] . Vervolgens is de moeder na de zomervakantie een nieuwe relatie aangegaan, waarbij regelmatig sprake was van ernstig geweld en misbruik richting de moeder. [de minderjarige] wilde zijn moeder beschermen, maar liep daarmee ook een verhoogd risico op het meemaken en getuige zijn van huiselijk geweld. De familie van de moeder was erg bezorgd over de situatie en heeft zich ontfermd over de kinderen. In overeenstemming met de moeder en de familie is besloten dat de kinderen bij de ouders van de moeder (hierna: grootouders) verblijven. [de minderjarige] heeft een zichtbaar hechte band met zijn grootouders en ook met zijn moeder en zijn ooms. Gezien wordt dat hij ontspannen is en op zijn gemak in het bijzijn van zijn familie. De verwachting is dat [de minderjarige] zich niet meer zal kunnen overgeven aan de zorg van onbekenden, zoals een pleegzorgplaatsing of een gezinshuis. Inmiddels heeft er een netwerkscreening plaatsgevonden en is de plek bij de grootouders positief bevonden. De moeder is goed in samenwerking met de hulpverlening en de jeugdbeschermers. Zij geeft aan als er dingen spelen en deelt deze. Gezien wordt dat de moeder, de familie en de kinderen bang zijn voor een nieuwe uithuisplaatsing. Dit is echter niet de bedoeling van de GI. Het moet duidelijk zijn dat het perspectief van [de minderjarige] en zijn broers binnen de familie ligt. De GI wil de komende tijd met de moeder, het netwerk en de kinderen, zorgvuldig onderzoeken op welke manier dat vorm gegeven moet worden. 3.
  16. Het is belangrijk dat [de minderjarige] individuele hulp krijgt om gebeurtenissen uit zijn verleden te verwerken. [de minderjarige] lijkt echter hulpverleningsmoe. Hij wil geen gesprekken, heeft geen zin in therapie en wil rust. Omdat hij veel heeft meegemaakt en aan veel onveiligheid is blootgesteld, gunt de GI hem meer regie over zijn eigen keuzes. Wel is het belangrijk dat de deur voor hem open blijft staan om in gesprek te gaan over een eventueel contact met zijn vader. Op dit moment heeft [de minderjarige] geen behoefte aan contact, maar de GI gunt hem een vader in zijn leven. Gezien wordt dat er meer rust is bij [de minderjarige] . Hij heeft het naar zijn zin op school en is goed in contact met zijn mentor. Een zorg is dat [de minderjarige] vanuit gevoelens van loyaliteit het voor een ander kan opnemen en dan zelf in de problemen raakt. School kan hem hierbij ondersteunen, maar daar staat [de minderjarige] nog niet voor open. 3.
  17. Voor de moeder is het ook nodig dat zij individuele hulp krijgt. Zij is goed in samenwerking met de jeugdbeschermers en heeft een goed contact met de begeleiders van Wij zijn Sterk!. Zij hebben echter niet de expertise en mogelijkheid om de moeder de ondersteuning te bieden die zij nodig heeft naar aanleiding van alles wat zij heeft meegemaakt. Verder is een zorg dat de ex-partner van de moeder in maart 2025 hoogst waarschijnlijk weer vrij komt. De GI vindt het moeilijk om in te schatten wat dit betekent voor de veiligheid van de kinderen en is hierover nauw in contact met de politie en het openbaar ministerie. 3.
  18. Gezien alle ontwikkelingen acht de GI betrokkenheid in het gedwongen kader noodzakelijk. Er zijn al langere tijd ernstige zorgen om het gezin en het is belangrijk dat de GI de noodzakelijke hulpverlening kan inzetten en monitoren en zicht kan houden op de veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] . Een machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk om het verblijf van [de minderjarige] bij de grootouders te borgen. De moeder kan de zorg voor de kinderen niet aan in haar huidige situatie. Zij heeft nog heel veel te verwerken. Daarnaast zijn er, los van de afgelopen periode, zorgen over de algehele draagkracht van de moeder. De grootouders zijn bereid om [de minderjarige] en zijn halfbroers te verzorgen en op te voeden en de moeder staat hier achter. 3.
  19. Ter zitting heeft de GI de verzoeken gehandhaafd en toegelicht. Er is inmiddels passende hulpverlening gevonden voor de moeder, alleen heeft het kennismakingsgesprek nog niet kunnen doorgaan. De hulpverlening van Wij zijn Sterk! is vooral bedoeld voor de kinderen. Er is niet echt zicht op de veiligheid van de kinderen en hoe het met ze gaat. Dat zullen ze, vanwege door het verleden ontstaan wantrouwen tegen de GI, ook nooit uit zichzelf aan de betrokken jeugdbeschermers vertellen. Gelukkig delen zij dit wel met de moeder en met de grootouders. Wel is te zien dat de kinderen tot rust zijn gekomen en dat ze het goed hebben. 4De standpunten 4.
  20. [de minderjarige] heeft verteld dat het wel goed met hem gaat, ook op school. Hij heeft drie jaar bij zijn vader gewoond, maar het is daar misgegaan en nu woont hij met zijn broertjes en opa en oma tijdelijk bij zijn moeder in huis. Hij wil geen contact met zijn vader, ook in de toekomst niet. Verder wil [de minderjarige] liever niet teveel gesprekken hebben met hulpverleners. Hij heeft geen behoefte om te praten en bovendien heeft hij helemaal geen vertrouwen in de hulpverlening door alles wat er gebeurd is. 4.
  21. De moeder is het eens met de verzoeken. Het gaat nu heel goed met de jongens en de moeder krijgt hulp vanuit het Veiligheidshuis voor haar weerbaarheid. Verder heeft zij hulp van Wij zijn Sterk!, maar zij zijn er vooral voor de kinderen. De moeder heeft nog geen hulpverlening voor zichzelf en is nog niet toegekomen aan de verwerking van wat zij heeft meegemaakt. Er loopt een procedure tegen de ex-partner en de moeder vindt het belangrijk dat als hij vrijkomt, de kinderen veilig zijn. De moeder is bang dat hij naar haar terugkeert en dan is het voor de veiligheid van de kinderen verstandig dat ze naar de grootouders gaan. De moeder wil het beste voor de kinderen en zij denkt dat dit het beste is. 4.
  22. De grootvader heeft aangegeven dat de grootouders op dit moment met de kinderen bij de moeder in huis wonen, in afwachting van een woning in [plaats] . [de minderjarige] gaat in [plaats] naar school en [halfbroertje 2] in het nieuwe schooljaar ook. Bovendien ligt het meer buiten de gevarenzone. De familie is erg betrokken, er is vaak overleg en ze willen dat de kinderen zoveel mogelijk stabiliteit krijgen. Het is vreselijk wat er is gebeurd en de grootvader vindt het belangrijk dat de moeder psychische hulp krijgt. Dat er sprake is van wantrouwen naar de jeugdbeschermers is begrijpelijk omdat ze destijds een grote fout hebben gemaakt door [de minderjarige] uit huis te plaatsen terwijl het juist goed ging. De familie is wel blij met de huidige jeugdbeschermer omdat ze goed met haar kunnen praten en zij hen goed begrijpt. 4.
  23. Mr. Erkens heeft onder meer naar voren gebracht dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] officieel nog bij de vader in [plaats] is, maar dat op 17 februari 2025 bij de rechtbank Assen een verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag wordt behandeld. Verder zou de raadsman graag in de beschikking opgenomen zien dat het een machtiging tot uithuisplaatsing betreft in een netwerkpleeggezin, te weten bij grootouders (mz) in plaats van een pleeggezin. Tot slot stelt de raadsman zich op het standpunt dat veel informatie in de stukken over de moeder en het gezin achterhaald, onvolledig of onjuist is. Hoewel ook de kwaliteiten van de moeder worden benoemd, staan er veel dingen in over vroeger, ook dingen die onjuist zijn en dat is vervelend voor de moeder. Het is voor de moeder belangrijk dat zij zich gezien en gehoord voelt en het is fijn dat de nu betrokken jeugdbeschermers zien dat de moeder krachten en kwaliteiten heeft, maar ook dingen waar aan gewerkt moet worden en dat daarom de bemoeienis van de grootouders en de samenwerking zo belangrijk is. 5De beoordeling 5.
  24. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. verlenging van de ondertoezichtstelling 5.
  25. [de minderjarige] heeft veel meegemaakt in zijn leven. Hij heeft op verschillende plekken gewoond en veel onrust en onveiligheid ervaren. Recentelijk is hij nog getuige geweest van het dreigende en agressieve gedrag van de laatste ex-partner van de moeder en wilde hij zijn moeder daartegen beschermen. Deze zorgelijke relatie heeft ertoe geleid dat [de minderjarige] en zijn twee halfbroers om veiligheidsredenen bij de grootouders (mz) zijn gaan wonen. Op dit moment gaat het goed met [de minderjarige] . Hij heeft een hechte band met zijn familie, voelt zich bij hen op zijn gemak en is tot rust gekomen. Gebleken is dat er een zeer goede samenwerking is tussen de grootouders en de moeder. De kinderrechter vindt het mooi om te horen dat de grootouders en de moeder elkaar goed aanvullen, in die zin dat de grootouders sterk zijn in het bieden van regels en structuur en dat de moeder de kinderen veel liefde en nabijheid biedt. Ook is het positief dat de moeder en de pleegouders een goede klik hebben met de huidige jeugdbeschermers en goed in de samenwerking zijn. Hoewel de kinderrechter met de GI van mening is dat individuele hulpverlening [de minderjarige] zou kunnen helpen, is het verstandig dat de GI wat dat betreft [de minderjarige] meer de regie wil geven. Het is begrijpelijk dat [de minderjarige] , door wat hij allemaal heeft meegemaakt, inmiddels hulpverleningsmoe is en niet open staat voor gesprekken met hulpverleners. De kinderrechter gunt het [de minderjarige] echter dat hij op enig moment weer vertrouwen krijgt in de hulpverlening en hulp aangaat voor het verwerken van de nare gebeurtenissen in zijn leven. Positief is dat er inmiddels passende hulpverlening is gevonden voor de moeder en dat zij ervoor open staat om hieraan mee te werken. Daarnaast is het belangrijk dat er zicht komt op de draagkracht van de moeder en op de mogelijke veiligheidsrisico’s voor de kinderen als de ex-partner van de moeder vrij komt. 5.
  26. Vanwege alle ontwikkelingen acht de kinderrechter betrokkenheid van de GI in het gedwongen kader noodzakelijk. Er is al lange tijd sprake van ernstige zorgen en het is belangrijk dat de GI de noodzakelijke hulpverlening kan inzetten en monitoren en zicht kan houden op de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen. 5.
  27. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW), te weten tot 21 maart
  28. (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing 5.
  29. Ook is de (verlenging van) de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265c, tweede lid, BW. 5.
  30. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij bij zijn grootouders blijft wonen. Het doel van de GI is dat de zorg voor [de minderjarige] uiteindelijk gedeeld wordt tussen de moeder en haar netwerk. De komende periode zal de GI samen met de moeder, het netwerk en de kinderen, zorgvuldig onderzoeken op welke manier dat vorm gegeven moet worden. De kinderrechter vindt het van grote waarde dat [de minderjarige] , die al zo vaak van woonplek is gewisseld, nu binnen de familie kan opgroeien waar hij zich veilig en vertrouwd voelt. Het is mooi om te zien dat de moeder en haar netwerk zo betrokken zijn, goed in contact zijn met de hulpverlening en dat alle neuzen in dezelfde richting staan als het gaat om het welzijn van [de minderjarige] . 5.
  31. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin verlenen tot het einde van de huidige ondertoezicht-stelling, te weten tot 21 maart
  32. Daarnaast zal de kinderrechter, nu de ondertoezicht-stelling met een jaar is verlengd, tot 21 maart 2026, de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot 21 maart
  33. 5.
  34. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  35. Verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een netwerkpleeggezin, te weten grootouders (mz) tot 21 maart 2025; 6.
  36. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 21 maart 2025 tot 21 maart 2026; 6.
  37. verlengt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten grootouders (mz) met ingang van 21 maart 2025 tot 21 maart 2026; 6.
  38. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. van Leeuwen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025, in aanwezigheid van M. Woudman als griffier, en op schrift gesteld op 21 februari
  39. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.