← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:2111

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/360409 / JU RK 24-1939 Datum uitspraak: 11 februari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing verzoek machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen: de GI, wonende in Amsterdam, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , advocaat: mr. L.S. Zomers, kantoorhoudende in Alkmaar. De kinderrechter merkt als informant aan: [de grootouders] , hierna te noemen: de grootouders, wonende in [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 24 december 2024; de brief van de advocaat van de vader met bijlage, ontvangen op 4 februari 2025; het e-mailbericht van de moeder, ontvangen op 11 februari
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2025 . Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] , namens de GI; de grootouders. 1.
  4. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen. 1.
  5. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. 2De feiten 2.
  6. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
  7. Bij beschikking van 1 augustus 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 25 juli
  8. De kinderrechter heeft bij beschikking van 1 augustus 2024 ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de gezaghebbende moeder tot 25 oktober
  9. 2.
  10. Bij beschikking van 26 november 2024 van deze rechtbank is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders, tot 26 januari
  11. 2.
  12. Bij beschikking van 23 januari 2025 heeft de kinderrechter, in afwachting van een mondelinge behandeling, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders, verlengd tot 15 februari 2025 en de beslissing op het verzoek voor het overige aanhouden tot de zitting van 11 februari
  13. 2.
  14. [de minderjarige] woont op grond van voornoemde machtiging bij de grootouders. 3Het verzoek 3.
  15. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht. 3.
  16. De GI heeft met de eerdere verlenging van twee maanden onvoldoende tijd gehad om zorgvuldig te toetsen of [de minderjarige] naar huis kan terugkeren. De toetsing van de mentale gesteldheid van de vader door middel van de GGZ heeft nog niet plaatsgevonden en er is ook nog geen (individuele) hulpverlening ingezet. Verder zijn de aanvraag en de screening in het kader van de netwerkpleegzorg inmiddels stopgezet en de aanvraag voor omgangsbegeleiding en opvoedondersteuning is ook al aantal keer aangepast vanwege de gewijzigde omstandigheden. Dit heeft als gevolg dat er pas in januari 2025 kan worden gestart met deze hulpverlening en de inzet van pleegzorg waarschijnlijk komt te vervallen. De GI vindt het, gezien het wegvallen van pleegzorg, belangrijk dat de thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader op een goede en gestructureerde wijze plaatsvindt en dat er voldoende zicht en ondersteuning is tijdens dit proces. De GI wil idealiter eerst omgangsbegeleiding en opvoedondersteuning inzetten en daarna stapsgewijs de omgang steeds verder uitbreiden. [de minderjarige] verblijft op dit moment al in het eigen netwerk en er is om de dag twee uur begeleide omgang met de vader. Daarbij wordt op dit moment ook een omgangsregeling voor de weekenden gemaakt. Er zijn dus op structurele basis al relatief veel mogelijkheden voor omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Op dit moment heeft de GI nog zorgen over de opvoedsituatie, de opvoedvaardigheden en de opvoedstijl van de vader. Deze zorgen zijn er vanwege zijn verminderde stabiliteit, zijn beperkte ontvankelijkheid voor opvoedondersteuning en mogelijke vervaging van de volwassen- en de kinderwereld. Ook zijn deze zorgen er, omdat het evenwicht in de gezagsverhouding tussen de vader en [de minderjarige] soms onder druk lijkt te staan. [de minderjarige] lijkt ook (onbedoeld) te worden geconfronteerd met volwassenzaken en daarbij lijkt er ook sprake te zijn van enige mate van parentificatie bij [de minderjarige] . De schade die [de minderjarige] inmiddels heeft opgelopen en de (pre)pubertijd waar zij zich in bevindt, is in combinatie met de opvoedstijl van de vader een risico. De GI wenst daarom in een meer voorwaardelijk kader en op een meer gefaseerde wijze naar huis toe te werken. 3.
  17. De GI heeft ter zitting aangevoerd dat er tot op heden geen hulpverlening van de grond is gekomen, omdat de GI de afgelopen twee maanden tegen wachtlijsten is aangelopen. Ook is er nog onvoldoende inzicht in het psychisch welbevinden van de vader. De GI wil een gegrond onderzoek doen, voordat kan worden teruggewerkt naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] . De GI wil opvoedondersteuning inzetten en zicht krijgen op de opvoedvaardigheden van de vader. De GI benadrukt tevens dat de gezaghebbende moeder het niet eens is met de thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader. 4De standpunten Het standpunt van [de minderjarige] 4.
  18. heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het goed gaat bij de grootouders thuis, maar dat zij haar vader erg mist. [de minderjarige] telt de dagen af totdat zij weer bij haar vader kan wonen. [de minderjarige] is nu om het weekend bij de vader en dan overnacht zij daar ook. [de minderjarige] heeft opgemerkt dat de vader zich anders gedroeg ten tijde van de uithuisplaatsing en zij snapt dat daar destijds zorgen over waren. De vader gedraagt zich nu weer zoals hij zich vroeger gedroeg, waardoor [de minderjarige] vindt dat zij weer bij de vader kan wonen. Het standpunt van de vader 4.
  19. Door en namens de vader is het volgende -samengevat- naar voren gebracht. Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden afgewezen. In augustus 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] afgegeven, omdat er zorgen waren over het mentaal welzijn van de vader. De GI wilde hier zicht op krijgen, waardoor de vader op eigen initiatief [thuiszorgorginasatie] heeft benaderd. Aangezien de GI het traject bij [thuiszorgorginasatie] niet voldoende achtte, wenste de vader een afspraak te maken bij de GGZ. Deze afspraak is er echter nooit gekomen, omdat de jeugdbeschermer geen concrete zorgen meer had over het mentale welzijn van de vader en er een stijgende lijn werd waargenomen. De vader begrijpt dan ook niet waarom de GI hier nu op terug lijkt te komen. De rechtbank heeft in haar beschikking van 26 november 2024 terecht overwogen dat [de minderjarige] terug naar de vader kan. De machtiging tot uithuisplaatsing is toen voor de duur van twee maanden verlengd met de bedoeling dat [de minderjarige] binnen die periode gefaseerd terug naar huis zou keren. Sinds deze beschikking zijn de omstandigheden niet gewijzigd. Bovendien kan de hulpverlening die binnenkort zal starten, worden uitgevoerd in het kader van de huidige ondertoezichtstelling. Het standpunt van de moeder 4.
  20. De moeder heeft in een e-mailbericht aan de kinderrechter aangegeven dat er meer tijd nodig is voordat [de minderjarige] weer bij de vader kan wonen. [de minderjarige] is inmiddels gewend geraakt aan de vrije opvoeding van de vader, terwijl er bij de moeder thuis regels zijn. Het geeft de moeder geen vertrouwen dat de vader nog geen psychische hulp heeft ontvangen. De moeder is bang dat de vader een terugval krijgt. 5De beoordeling 5.
  21. De kinderrechter is van oordeel dat niet wordt voldaan aan de vereisten uit artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) en dat het verzoek van de GI moet worden afgewezen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. 5.
  22. De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige] bij de vader uit huis is geplaatst omdat er zorgen waren over het mentale welzijn van de vader. Ook constateert de kinderrechter dat de vader hierop [thuiszorgorginasatie] heeft benaderd, maar dat [thuiszorgorginasatie] niet tot een definitieve diagnose heeft kunnen komen, omdat hierover en over de gevolgen van een diagnose onenigheid bestond. De vader is zodoende niet in behandeling (gegaan). De GI heeft het voornemen gehad om met de vader hierover in gesprek te gaan bij de GGZ. De GI heeft hierin, hoewel de vader daartoe bereid was, niet doorgepakt. De concrete zorgen over het mentale welzijn van de vader zijn inmiddels geruime tijd afgenomen. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de zorgen van de GI op dit moment met name gelegen zijn in de opvoedstijl en de opvoedvaardigheden van de vader. Dit zijn echter geen zorgen die een thuisplaatsing van [de minderjarige] onverantwoord maken. De rechtbank heeft op 26 november 2024 de uithuisplaatsing van [de minderjarige] dan ook slechts met twee maanden verlengd met de bedoeling dat zij binnen die twee maanden terug zou keren naar de vader. De GI heeft inmiddels meer dan twee maanden geleden de daarvoor gewenste opvoedondersteuning aangevraagd, maar deze is nog niet beschikbaar. Weliswaar heeft de vader nog stappen te zetten in het verbeteren van zijn opvoedvaardigheden, maar de kinderrechter ziet hierin onvoldoende aanleiding om de thuisplaatsing van [de minderjarige] uit te stellen voor de relatief korte periode dat er nog op de opvoedondersteuning zal moeten worden gewacht. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat er al sprake is van wezenlijke omgang tussen de vader en [de minderjarige] , waarbij [de minderjarige] ook bij de vader overnacht, en de grootouders zeer betrokken zijn en zicht hebben op [de minderjarige] en de vader. Daarbij blijft de GI toezicht houden en is de vader, indien de GI dat geraden acht, bereid om zich te melden bij de GGZ. 5.
  23. De kinderrechter acht het wel van groot belang dat er zo snel als mogelijk een signaleringsplan wordt opgesteld, zodat er spoedig en adequaat kan worden ingegrepen in het -onverhoopte- geval dat het minder goed zou gaan met de vader. Indien de GI het noodzakelijk acht dat bij de vader alsnog diagnostisch onderzoek plaatsvindt en de GGZ bij hem betrokken blijft, dan dient de GI daartoe de nodige actie te ondernemen en dient de vader daaraan mee te werken. Verder is het nog steeds belangrijk dat de intensieve opvoedondersteuning in de thuissituatie van de vader zo spoedig mogelijk wordt ingezet door de GI. 5.
  24. Uit het voorgaande volgt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet langer noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI afwijzen. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  25. wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025 door mr. C. Maat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Bergmans als griffier, en op schrift gesteld op 26 februari 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.