← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:2182

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/360594 / JU RK 25-3 en C/15/360597 / JU RK 25-4 Datum uitspraak: 11 februari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. F.D. van Damme, kantoorhoudende in Beverwijk, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , [de pleegouders] , hierna te noemen: de pleegouders wonende in [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 2 januari 2025; het toetsingsbesluit van de Raad, ontvangen op 29 januari 2025; de verweerschriften van de advocaat van de moeder, ontvangen op 6 februari
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2025 . Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] , namens de GI. [de pleegouders] . 1.
  4. [ambulant begeleidster] , de ambulant begeleidster van de moeder, is als toehoorder in de zittingszaal aanwezig geweest. 1.
  5. De moeder heeft ter zitting een stuk overgelegd waarin zij haar mening kenbaar maakt over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] . 2De feiten 2.
  6. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . 2.
  7. Bij beschikking van de kinderrechter van 21 februari 2021 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nog voort tot 21 februari
  8. 2.
  9. Bij beschikking van de kinderrechter van 21 mei 2021 is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verleend, met ingang van 21 mei 2021, voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 4 juni 2021 is de machtiging verlengd tot 21 augustus
  10. 2.
  11. Bij beschikking van de kinderrechter van 9 december 2021 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verleend voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 21 december 2021 is deze machtiging verlengd tot 22 februari
  12. 2.
  13. Bij beschikking van de kinderrechter van 21 februari 2022 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verleend, met ingang van diezelfde datum voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 4 maart 2022 is deze machtiging verlengd tot 22 februari
  14. 2.
  15. Bij beschikking van de kinderrechter van 26 januari 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader en/of in een 24-uursverblijf/pleeggezin verleend met ingang van 21 februari 2023 tot 21 februari
  16. 2.
  17. Bij beschikking van de kinderrechter van 26 januari 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] bij de vader verlengd tot 21 februari
  18. Bij beschikking van 11 mei 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 21 februari
  19. 2.
  20. De GI heeft een perspectiefbesluit genomen, hieruit volgt dat niet (langer) zal worden toegewerkt naar de thuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] . Het besluit is besproken met de ouders op 4 december
  21. 2.
  22. Bij beschikking van 14 februari 2024 van de meervoudige kamer van deze rechtbank (drie rechters) is het perspectiefbesluit van de GI beoordeeld in het licht van de door de GI verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank heeft in deze beschikking het perspectiefbesluit onderschreven. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulp en van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg is dan ook verlengd tot 21 februari
  23. 2.
  24. Op basis van laatstgenoemde machtiging verblijft [de minderjarige 2] bij pleegouders in een gezinshuis en [de minderjarige 1] bij een woonvoorziening van [jeugdhulpverlener] in [plaats] . 3Het verzoek 3.
  25. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige 1] 3.
  26. werd aan het begin van de ondertoezichtstelling bedreigd in zijn ontwikkeling, omdat hij in zichzelf was gekeerd, niet naar school ging en zijn trauma’s niet had verwerkt. Daarbij verliep het contact met zijn ouders stroef en was er onduidelijkheid over zijn langdurige verblijfsplek. [de minderjarige 1] heeft tijdelijk bij [zorginstelling] gewoond. [zorginstelling] , [jeugdhulpverlener] en [de minderjarige 1] hebben gezamenlijk gekeken naar de mogelijkheden voor dagbesteding en schoolse activiteiten voor [de minderjarige 1] . [de minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij hiermee graag wil starten, maar dat hem dit tot op heden nog niet lukt. Daarbij komt dat [de minderjarige 1] graag aan zijn trauma's wilde werken door middel van EMDR-therapie. [de minderjarige 1] heeft intensieve therapie gevolgd, hetgeen hem deels heeft geholpen. In augustus 2024 is [de minderjarige 1] verhuisd naar een kleinschalige woonvoorziening van [jeugdhulpverlener] in [plaats] (hierna: KWV). Hoewel [de minderjarige 1] blij is met deze verhuizing, hij nu dichter bij zijn ouders woont en het een plek is waar hij kan blijven wonen, wordt door de GI gezien dat [de minderjarige 1] het lastig vindt om te aarden op zijn nieuwe woonplek. KWV is samen met de ambulant begeleider van [de minderjarige 1] aan het kijken welke dagbesteding [de minderjarige 1] kan gaan starten. [de minderjarige 1] heeft een onderwijsontheffing gekregen, zodat hij op zijn eigen tempo kan werken naar dagbesteding en later eventueel naar school. [de minderjarige 1] heeft sinds juli 2024 geen bezoekafspraken meer met zijn moeder, omdat hij dit als te belastend ervaarde. [de minderjarige 1] had aangegeven dat hij de bezoekafspraken bij de KWV weer wilde oppakken. Begin december is [jeugdhulpverlener] samen met [de minderjarige 1] op bezoek geweest bij de moeder en dit was een positieve ervaring. Ook gaat [de minderjarige 1] eens per twee weken naar zijn vader in het weekend. De GI heeft voorwaarden aan de omgangsmomenten gesteld en hier evaluaties aan gekoppeld. De vader heeft geen eigen hulpverlening en er is weinig zicht op de thuissituatie. Echter is de wens van [de minderjarige 1] om bij zijn vader te overnachten. De GI en [jeugdhulpverlener] zullen dit nauwlettend in de gaten houden. De GI zal de komende periode toezien dat wordt teruggewerkt naar dagbesteding en school en dat wordt gewerkt aan de kwaliteit van het contact tussen [de minderjarige 1] en de ouders en andere familieleden. [de minderjarige 2] 3.
  27. Aan het begin van de ondertoezichtstelling werd gezien dat [de minderjarige 2] behoefte heeft aan erkenning, structuur en ritme. De ouders kunnen haar dat op dit moment niet bieden. In een pleeggezin kan warmte en bescherming worden geboden, zodat zij veiligheid gaat ervaren en zekerder wordt van zichzelf. Sinds de uithuisplaatsing woont [de minderjarige 2] in een langdurig crisisgezin. [de minderjarige 2] voelt zich hier op haar gemak en zij maakt sprongen in haar ontwikkeling. In juli 2024 hebben de crisis-ouders besloten dat zij willen overstappen naar een gezinshuis, waardoor [de minderjarige 2] bij hen kan blijven wonen. Dit was voor [de minderjarige 2] en de ouders erg fijn nieuws. Daarnaast zou [de minderjarige 2] eind juli 2024 starten met EMDR-therapie, maar tijdens dit traject is gebleken dat het nog te vroeg is voor [de minderjarige 2] en dat zij (nog) niet bij haar traumatische herinneringen kan. Daarop is besloten dat [medewerker jeugdhulpverlener] (van [jeugdhulpverlener] ) om de week in gesprek gaat met [de minderjarige 2] , met als doel dat [de minderjarige 2] beter haar emoties kan voelen en benoemen. Verder heeft [de minderjarige 2] één keer per twee weken dertig minuten omgang met de moeder en de vader. Het contact met de moeder heeft een aantal weken stilgelegen, omdat de moeder niet betrouwbaar bleek te zijn in het nakomen van de afspraken. Nadat de GI en [jeugdhulpverlener] afspraken hierover hebben gemaakt met de moeder, is er zichtbaar verbetering gekomen in het nakomen van de bezoekafspraken. De moeder heeft meer zelfvertrouwen gekregen in haar rol als moeder en de bezoeken verlopen ontspannen. De vader komt de bezoekafspraken na. De GI wil de komende periode werken aan de kwaliteit van het contact tussen [de minderjarige 2] en de ouders en andere familieleden. Ook moet [de minderjarige 2] veilig kunnen opgroeien in het gezinshuis en hierdoor de veiligheid voelen om haar trauma's te verwerken. 3.
  28. Hoewel [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] het afgelopen jaar een positieve ontwikkeling hebben laten zien, is de GI van mening dat de ontwikkelingsbedreiging nog niet is weggenomen. De kindeigen problematiek van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is nog steeds aanwezig. Daarnaast acht de GI het van belang dat er een regiehouder bij het gezin betrokken blijft om onder andere te werken aan contactherstel tussen de kinderen en beide ouders, de persoonlijkheidsproblematiek van de kinderen en de persoonlijkheidsproblematiek van de ouders. 4De standpunten Het standpunt van de moeder 4.
  29. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij zich ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] refereert aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de vader 4.
  30. De vader is het eens met het verzoek. Het standpunt van de pleegouder 4.
  31. De pleegouders staan achter het verzoek. Het gaat goed met [de minderjarige 2] en de pleegouders staan voor haar klaar. De pleegouders merken op dat [de minderjarige 2] heftig kan reageren op veranderingen. Ook staan de pleegouders ervoor open om het contact tussen [de minderjarige 2] en de ouders uit te breiden.
  32. De beoordeling 5.
  33. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. 5.
  34. De kinderrechter is van oordeel dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Positief is dat beide kinderen stappen in de goede richting hebben gezet. Bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is er sprake van kindeigen problematiek. [de minderjarige 2] bleek het afgelopen jaar (nog) niet ontvankelijk voor EMDR-therapie, waardoor zij nog niet heeft kunnen werken aan haar trauma’s. Daarbij is er beperkt contact tussen [de minderjarige 2] en de ouders, waarbij zij één keer per twee weken voor dertig minuten omgang heeft met de moeder en de vader. [de minderjarige 1] is in augustus 2024 verhuisd naar de KWV en hij lijkt nog erg te moeten wennen aan zijn nieuwe woonplek. Op dit moment heeft [de minderjarige 1] ook geen dagbesteding. De kinderrechter acht het daarom van belang dat de GI betrokken blijft om de regie te voeren, de ontwikkeling van de kinderen te monitoren en (verdere) noodzakelijke hulpverlening in te zetten. 5.
  35. Gelet op het bovenstaande en de stappen die nog genomen moeten worden, verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de duur van een jaar. 5.
  36. Daarnaast is het de kinderrechter duidelijk geworden dat het perspectief van de kinderen niet bij een van de ouders thuis is. [de minderjarige 2] ontwikkelt zich positief binnen het gezinshuis en [de minderjarige 1] is momenteel nog bezig om zijn plek te vinden bij de KWV. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] krijgen op de plekken waar zij verblijven de rust en structuur geboden die zij nodig hebben en de kinderrechter acht het van belang dat dit wordt geborgd. 5.
  37. Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding en onderzoek van zijn lichamelijke toestand. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. Deze periode is noodzakelijk gelet op het langdurige karakter van zorgen. 5.
  38. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  39. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 21 februari 2026; 6.
  40. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 februari 2026; 6.
  41. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 februari 2026; 6.
  42. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025 door mr. A.S. van Leeuwen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Bergmans als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari
  43. Artikel 1:260, eerste lid, BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.