← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:2343

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/360629 / JU RK 25/15 Datum uitspraak: 14 februari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. M.D. Balesar, kantoorhoudende in Heerhugowaard. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 3 januari 2025; de brief met de producties van de advocaat van de moeder, ontvangen op 12 februari
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 februari
  4. De behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek van de moeder tot vervanging van de GI (zaaknummer: C/15/360298 / JU RK 24/1911). Bij de zitting waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI. 1.
  5. Als toehoorder was aanwezig mr. J.J.C. Engels. 2De feiten 2.
  6. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
  7. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 februari 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 februari
  8. In diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 29 augustus
  9. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is daarna verlengd en duurt nu nog tot 28 februari
  10. In de periode 2016 tot 2020 heeft [de minderjarige] onder toezicht gestaan van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering. 2.
  11. [de minderjarige] verblijft op de groep [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . Eén weekend per maand verblijft [de minderjarige] bij de moeder in [plaats] . 3Het verzoek van de GI 3.
  12. De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  13. Als onderbouwing van het verzoek heeft de GI in het verzoekschrift en op de zitting gesteld dat de samenwerking met de moeder moeizaam verloopt, waardoor het niet voldoende lukt om de behandeling van [de minderjarige] vorm te geven. Dit terwijl [de minderjarige] veel heeft meegemaakt, bij hem sprake is van complexe kindeigenproblematiek en hij daardoor een grote opvoed- en ondersteuningsbehoefte heeft. De moeder ziet de zorgen, maar is nog onvoldoende in staat in het belang van [de minderjarige] te handelen. Daarbij lijkt sprake van een terugkerend patroon waarbij de moeder uit contact treedt of grensoverschrijdend gedrag vertoont op het moment dat haar visie niet overeenkomt met de visie van de GI en de hulpverlening. Zo is de hulpverlening vanuit Actief en Advies in april 2024 gestopt en heeft de moeder in december 2024 een officiële waarschuwing gekregen van Levvel. De houding en het gedrag van de moeder lijken te zijn ingegeven door haar eigen verleden met jeugdzorg en haar wantrouwen richting hulpverlenende instanties, waardoor zowel de GI als de hulpverlening traumasensitief te werk gaan. Dat neemt niet weg dat het van groot belang is dat de moeder in het belang van [de minderjarige] in samenwerking komt. Dat geldt nog meer nu bij de GI twijfels bestaan of [de minderjarige] in de weekenden bij de moeder voldoende veilig is. De GI vindt het belangrijk dat de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder blijft plaatsvinden, maar daarbij is van belang dat dit op een veilige en pedagogisch verantwoorde manier en met inzet van passende hulpverlening gebeurt. Positief is daarom dat de moeder de hulpverlening vanuit Bureau Mars tijdens het laatste omgangsweekend heeft toegelaten. De GI hoopt dat de moeder in staat zal zijn [de minderjarige] ook te steunen in de voor hem noodzakelijke behandeling. Een andere zorg is financiering van de huidige plek door de gemeente. De maatwerkconstructie, waarbij [de minderjarige] 24 uur per dag 1-op-1 wordt begeleid, is al meerdere keren verlengd. Omdat de financiële middelen niet eindeloos zijn, heeft de gemeente aangegeven dat op de lange termijn zicht moet komen op een andere, perspectief biedende plek, zoals een nog te creëren kleinschalige voorziening. De moeder kan zich hier echter niet in vinden, maar wil ook niet meedenken over een andere perspectief biedende plek voor [de minderjarige] .
  14. Het standpunt van de moeder 4.
  15. Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en is verzocht om afwijzing hiervan. Daartoe is – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. 4.
  16. De moeder erkent de zorgen over [de minderjarige] . [de minderjarige] is gebaat bij hulpverlening en de moeder staat daarvoor open, ook als het gaat om hulpverlening in de thuissituatie. Nu de moeder de noodzaak voor de hulpverlening inziet, volstaat het vrijwillige kader. De hulpverlening is al eerder in het vrijwillige kader betrokken geweest, omdat de moeder zelf aan de bel heeft getrokken. Gelet op het voorgaande, in het licht bezien van de moeizame verstandhouding met de huidige jeugdbeschermer, heeft de verlenging van de ondertoezichtstelling geen meerwaarde. Ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing heeft geen meerwaarde en is niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder wil graag dat er perspectief komt voor haar en [de minderjarige] en dat er meer duidelijkheid komt over het terugwerken naar de thuisplaatsing van [de minderjarige] . Alle betrokken hulpverlening kan namelijk ook vanuit de thuissituatie worden ingezet. 5De beoordeling 5.
  17. De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , beide voor de duur van één jaar, toewijzen. Aan de wettelijke vereisten voor de verlenging van de ondertoezichtstelling genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing genoemd in de artikelen 1:265b, eerste lid, BW en 1:265c, tweede lid, BW zijn voldaan. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. de ondertoezichtstelling 5.
  18. Uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is geweest, blijkt dat [de minderjarige] nog zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen, zoals deze naar voren komen in de beschikkingen van de kinderrechter van 29 februari 2024 en 22 augustus 2024, zijn nog onverminderd aanwezig. Bij [de minderjarige] is sprake van zeer complexe kindeigenproblematiek. Hij heeft hierdoor een verzwaarde opvoed- en ondersteuningsbehoefte. Traumabehandeling wordt noodzakelijk gevonden, maar slaat op dit moment nog onvoldoende aan. Het is nog onduidelijk of dit komt doordat de moeder [de minderjarige] hiervoor onvoldoende toestemming geeft. 5.
  19. Het is de kinderrechter verder gebleken dat de zorg die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Hoewel de moeder de zorgen over [de minderjarige] lijkt te erkennen, is gebleken dat de hulpverlening onvoldoende van de grond komt. Met name wanneer sprake is van een verschil in visie tussen de moeder en de GI, treedt de moeder uit contact of is sprake van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag, waardoor de hulpverlening stagneert. Dit terwijl de duurzame en structurele betrokkenheid van de hulpverlening, gelet op [de minderjarige] ’s (forse) gedragsproblematiek, noodzakelijk is. 5.
  20. Op de zitting heeft de GI aangegeven dat zij mogelijk overgaat tot een verzoek tot gezagsbeëindiging van de moeder bij de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter wijst de moeder erop dat het van belang is dat zij zich meewerkend gaat opstellen ten opzichte van de hulpverlening en de jeugdbeschermer. Op dit moment lijkt de verwachting nog wel gerechtvaardigd dat de gezaghebbende moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen een termijn die, gelet op zijn persoon en ontwikkeling, aanvaardbaar te achten is. de machtiging tot uithuisplaatsing 5.
  21. Op [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] wordt in de grotere opvoed- en ondersteuningsbehoefte van [de minderjarige] voorzien. [de minderjarige] krijgt intensieve individuele begeleiding en zet daardoor positieve stapjes in zijn ontwikkeling. Er blijven zorgen over de interactie tussen moeder en zoon en over [de minderjarige] ’s veiligheid in de weekenden bij de moeder. Ook is niet duidelijk in hoeverre de moeder in de verzwaarde behoeften van [de minderjarige] kan voorzien. Het is van belang dat moeder meer in samenwerking treedt, zodat hier meer zicht op komt. Eerder kan van een terugplaatsing bij de moeder, zoals door haar is verzocht, geen sprake zijn. Zodoende is het in [de minderjarige] ’s belang dat zijn verblijfplaats bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] wordt gewaarborgd en voortgezet. Evenwel is de kinderrechter zich ervan bewust dat [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geen duurzame oplossing biedt; er is sprake van een zeer kostbare maatwerkconstructie, waarbij [de minderjarige] 24 uur per dag en 7 dagen per week individueel wordt begeleid. Als een terugplaatsing bij de moeder niet mogelijk blijkt, zal gekeken moeten worden naar een perspectief biedende plek. Eerder is gesproken over een kleinschalige woonvoorziening. In hoeverre een dergelijke plaatsing passend is bij de persoon en problematiek van [de minderjarige] is op dit moment onduidelijk. In ieder geval is [de minderjarige] op dit moment nog niet klaar voor een overplaatsing naar een andere groep. 5.
  22. Zoals door de GI verzocht, zal de kinderrechter de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing, ook als iemand in hoger beroep gaat, direct geldt. 5.
  23. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  24. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], met ingang van 28 februari 2025 tot 28 februari 2026; 6.
  25. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 28 februari 2025 tot 28 februari 2026; 6.
  26. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Beek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgesteld en ondertekend op 28 februari
  27. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.