← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:3075

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 11294872 \ CV EXPL 24-3010 Vonnis van 12 maart 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes, [toevoeging verleend onder nummer [nummer] ], tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. E. Horbeek. De zaak in het kort Deze zaak gaat over de vraag of partijen een vergoeding voor een geldlening zijn overeengekomen. Deze vergoeding is door de uitlener gebaseerd op een bericht via Snapchat en is in verhouding tot het geleende bedrag extreem hoog. De vergoeding verdient, ook vanwege de eerdere en latere berichten tussen partijen op Snapchat, meer onderbouwing dan de uitlener heeft gegeven. Dat partijen een duidelijke afspraak hebben gemaakt over de vergoeding heeft de uitlener daarom niet aannemelijk gemaakt. De conclusie is dat de gevorderde vergoeding wordt afgewezen. De lener moet naast het geleende bedrag wel de wettelijke rente daarover en de proceskosten betalen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. [eiser] leent in de periode van 18 tot en met 26 april 2024 in totaal € 10.484,00 aan [gedaagde] . Op 2 juni 2024 leent [eiser] nog € 200,00 aan [gedaagde] . 2.
  4. In de brief van 31 juli 2024 schrijft [eiser] aan [gedaagde] dat hij € 10.684,00 aan haar heeft betaald en ze hebben afgesproken dat ze dit bedrag met de overeengekomen rente erbij zou terugbetalen en sommeert hij haar “het hele bedrag” binnen 14 dagen te betalen. 3Het geschil 3.
  5. [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 19.875,00, vermeerderd met rente en kosten. 3.
  6. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij in totaal € 10.684,00 heeft geleend aan [gedaagde] . Op 21 april 2024 heeft [gedaagde] toegezegd over het op dat moment geleende bedrag een vergoeding te betalen van € 466,
  7. Op 9 mei 2024 heeft [gedaagde] toegezegd een vergoeding te betalen van € 6.000,
  8. [eiser] heeft er toen mee ingestemd dat het geleende bedrag voor 1 juni 2024 zou worden terugbetaald. Omdat betaling uitbleef, heeft [gedaagde] op 21 juni 2024 toegezegd in totaal € 19.000,00 aan [eiser] te betalen. [gedaagde] is ondanks herhaalde aanmaning niet tot betaling van dat bedrag overgegaan. Hij maakt daarom ook aanspraak op een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 875,00 en de wettelijke rente. 3.
  9. [gedaagde] erkent de verschuldigdheid van het geleende bedrag van € 10.684,00, maar voert verweer tegen en concludeert tot afwijzing van de gevorderde vergoeding, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. 3.
  10. [gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] betwist in de eerste plaats dat een vergoeding is overeengekomen en dat zij een toezegging aan [eiser] heeft gedaan tot betaling van € 19.000,
  11. In de tweede plaats is € 8.316,00 aan rentevergoeding ongeveer 250% rente per jaar, terwijl de maximale kredietvergoeding per 1 januari 2024 15% per jaar is. De gevorderde rente is zo hoog dat deze kwalificeert als (moreel onaanvaardbare) woekerrente en is daarom nietig wegens strijd met de openbare orde en goede zeden. Ten slotte maakt [eiser] misbruik van omstandigheden, omdat hij [gedaagde] heeft bewogen tot het aangaan van een ongunstige overeenkomst. [gedaagde] heeft het geld gebruikt om iemand te betalen die zij heeft leren kennen via een datingapp en haar heeft opgelicht. Daarmee was [eiser] bekend. [gedaagde] verzoekt de kantonrechter daarom het eventuele rentebeding te vernietigen. 3.
  12. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  13. [gedaagde] erkent de hoogte en de opeisbaarheid van de geldlening van € 10.684,
  14. Zij zal daarom worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag. 4.
  15. [eiser] maakt daarnaast aanspraak op een (vaste) vergoeding van € 8.316,00 voor het geleende bedrag van € 10.684,
  16. [eiser] baseert zijn standpunt dat partijen deze vergoeding zijn overeengekomen op met name het bericht van [gedaagde] van 21 juni 2024, waarin zij schrijft dat zij er 19k van maakt en zij dat redelijk vindt omdat [eiser] al lang heeft gewacht op zijn geld. [gedaagde] betwist dit. Het bedrag is niet afgesproken. Volgens haar zijn de overgelegde berichten uit hun context gehaald door slechts fragmenten van de Snapchatberichten over te leggen. Daarbij zou volgens [gedaagde] alleen een vergoeding volgen op voorwaarde dat [gedaagde] schadevergoeding van haar oplichter zou ontvangen, welke voorwaarde niet is vervuld. Ter onderbouwing heeft ook [gedaagde] diverse schermafdrukken uit Snapchat overgelegd. Zij kan de volledige Snapchatgeschiedenis niet overleggen, omdat de berichten automatisch worden verwijderd. 4.
  17. Omdat partijen hun standpunten baseren op door hen overgelegde Snapchatberichten worden de relevante berichten en de betalingen van [eiser] aan [gedaagde] , die volgen uit de bankafschriften, hierna in chronologische volgorde geciteerd of vermeld. Op 19 april 2024 schrijft [eiser] aan [gedaagde] : “So it wil be 2534 total”, waarop [gedaagde] antwoordt: “Yes and i can give 3000 back”. [eiser] betaalt vervolgens op 19 april 2024 € 1.634,00 aan [gedaagde] , waarna op dat moment het uitgeleende bedrag € 2.534,00 is. [eiser] maakt van 22 tot en met 26 april 2024 verschillende bedragen over naar [gedaagde] en heeft op dat laatste moment € 10.484,00 aan haar geleend. Op 26 april 2024 bericht [gedaagde] aan [eiser] dat de bank zegt dat ze vandaag die kosten terugstorten. Op 9 mei 2024 schrijft [gedaagde] : “Ik heb teruggebeld. Voor einde maand heb ik 10.000 + 6.000 schadevergoeding op rekening”, waarop [eiser] antwoordt: “Let me know the results”. Op 2 juni 2024 maakt [eiser] nog € 200,00 over naar [gedaagde] , waarna het uitgeleende bedrag € 10.684,00 is. Daarna schrijft [gedaagde] op 21 juni 2024 aan [eiser] : “Ik maak er 19k van trouwens. Vind ik fair. Ok? Je hebt lang moeten wachten”. [eiser] schrijft op 17 juli 2024 aan [gedaagde] : “I take 10k you can keep 5k. I think that’s fair”. Op 27 juli 2024 vraagt [eiser] aan [gedaagde] : “How much do you intend on paying me back total when al is said and done?” en daarna: “You also still need to tell me the total amount” en: “We also need to discuss the total amount at the end of the month. It is still not clear to me”. [eiser] stuurt de brief van 31 juli 2024 aan [gedaagde] , waarin hij vraagt om betaling van “het hele bedrag”. Vervolgens schrijft [eiser] : “Nothing you can pay me back whatever u want” en op 2 augustus 2024 schrijft hij: “I am doing everything in my power to make things easy for you”. [eiser] schrijft ook op enig moment: “(…) the company that scammed you out of €80000, including my f****** €
  18. I’m filling a claim (…)” en “But then don’t tell me like, well, I’m giving you 6000 extra. Girl, You ruined my whole summer. It’s not, it’s not extra, it’s what you owe me, it’s what you owe me. You pretty much al of it is coming from bank anyway. So you’re not paying any interest from your pocket, it’s all from the bank. You’re pretty much getting a free loan, so don’t give me that b******”. 4.
  19. Vastgesteld kan worden dat [eiser] [gedaagde] heeft willen helpen en betalingen aan haar heeft gedaan waarvan het de bedoeling was dat [gedaagde] deze betalingen op korte termijn zou terugbetalen. Enige tijd na de laatste betaling van [eiser] schrijft [gedaagde] dat zij er 19k van maakt. Een reactie van [eiser] waarin hij daarmee instemt ontbreekt, terwijl hij een paar weken later schrijft dat hij 10k neemt en [gedaagde] 5k kan houden omdat hij dat redelijk vindt en vervolgens in latere berichten herhaaldelijk om duidelijkheid vraagt aan [gedaagde] over hoeveel zij in totaal aan hem gaat betalen en dat ze het totaalbedrag moeten bespreken. Hieruit kan geen afspraak over een (vaste) vergoeding worden afgeleid. De mededelingen zijn daarvoor te vaag en dus onvoldoende. 4.
  20. Verder volgt uit de berichten dat [gedaagde] eerder, op 9 mei 2024, aan [eiser] liet weten dat zij voor het einde van de maand € 6.000,00 aan schadevergoeding op haar rekening heeft. Na de zomer schrijft [eiser] aan [gedaagde] over het bedrijf dat haar voor € 80.000,00 heeft opgelicht inclusief zijn € 11.000,00 en dat de € 6.000,00 die [gedaagde] hem extra wil geven, rente is die de bank in feite betaalt en niet [gedaagde] ; zij krijgt in feite een gratis lening. Dit lijkt het standpunt van [gedaagde] over de voorwaardelijke vergoeding te ondersteunen. Daarbij is [eiser] er op basis van de berichten van [gedaagde] kennelijk (terecht) van uitgegaan dat [gedaagde] door een bedrijf is opgelicht (“scam”) en zij de schade vergoed zou krijgen van de bank, terwijl [gedaagde] in deze procedure stelt dat ze door een persoon (een online date) is opgelicht. De kantonrechter vindt dat op zich niet relevant of doorslaggevend, omdat het erom gaat of partijen een onvoorwaardelijke vergoeding zijn overeengekomen. [eiser] heeft op dat punt de stelplicht. Dat betekent dat het op zijn weg ligt om toe te lichten hoe zijn bericht over de free loan waarbij de rente door de bank wordt betaald, zich verhoudt tot zijn standpunt dat [gedaagde] die vergoeding los daarvan aan hem moet betalen. De gevorderde vergoeding is in verhouding tot het geleende bedrag extreem hoog en verdient, ook vanwege de eerdere en latere berichten van [eiser] op Snapchat, meer onderbouwing. Dat partijen een duidelijke en ondubbelzinnige afspraak over een (vaste) vergoeding hebben gemaakt heeft [eiser] onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd. De conclusie is dat de gevorderde vergoeding wordt afgewezen. 4.
  21. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van € 10.864,00 aan [eiser] . [gedaagde] is in verzuim met terugbetaling van dat bedrag en moet daarom de wettelijke rente betalen. Anders dan [gedaagde] meent, is vergoeding van die rente niet onredelijk. Ze is in gebreke gesteld, de wettelijke rente is aangezegd en ze heeft ondanks herhaalde betalingstoezeggingen geen enkele (deel)betaling gedaan. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente zoals gevorderd vanaf de dagvaarding (30 augustus 2024). 4.
  22. [gedaagde] verzoekt om een redelijke betalingsregeling. De kantonrechter kan echter niet dwingend aan partijen een betalingsregeling opleggen, omdat een betalingsregeling alleen tussen partijen zelf tot stand kan worden gebracht. Voor een eventuele betalingsregeling moet [gedaagde] zich dan ook rechtstreeks bij (de gemachtigde van) [eiser] melden. 4.
  23. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In de aanmaning van 31 juli 2024 is niet het toepasselijke wettelijke tarief vermeld en in de aanmaning van 8 augustus 2024 is geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] , wat wel is vereist. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen. 4.
  24. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De kantonrechter kent voor het salaris van de gemachtigde van [eiser] 1 punt toe, omdat [gedaagde] de hoofdsom bij antwoord heeft erkend en [eiser] haar op nodeloze kosten heeft gejaagd door ten onrechte vergoeding van € 8.316,00 te vorderen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - griffierecht € 87,00 - salaris gemachtigde € 406,00 (1 punt × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 628,
  25. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  26. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.684,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 30 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, 5.
  27. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 628,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen, 5.
  28. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  29. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 12 maart
  30. Conclusie van antwoord, productie 2, screenshot
  31. Conclusie van antwoord, productie 2, screenshot 4 en
  32. Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:29 BW. Artikel 6:96 lid 6 BW en Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.