← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:3110

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/360340 / JU RK 24/1921 Datum uitspraak: 4 maart 2025 Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. I.M. Thieme, kantoorhoudende in Zaandam, [de (pleeg)oma vaderszijde] , de (pleeg)oma vaderszijde, wonende in [plaats] , en [de (pleeg)opa vaderszijde] , de (pleeg)opa vaderszijde, wonende in [plaats] , de (pleeg)oma en de (pleeg)opa, hierna gezamenlijk te noemen: de pleeggrootouders. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 21 januari 2025 en het daarin genoemde verzoekschrift met bijlagen van de GI; de toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) van het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing na twee jaar te verlengen, ontvangen op 24 februari
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart
  4. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de pleeggrootouders; [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordigers van de GI. 1.
  5. De voorzitter van de meervoudige kamer heeft aan [begeleider] , begeleider van de moeder vanuit Leviaan, bijzondere toegang tot de zitting verleend. 2De feiten 2.
  6. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
  7. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2022 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Die ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd en duurt nu nog tot 18 maart
  8. 2.
  9. Bij beschikking van 13 mei 2022 is ook een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 18 maart
  10. 2.
  11. [de minderjarige] verblijft sinds november 2021 in een netwerkpleeggezin, namelijk bij haar grootouders van vaderszijde (de pleeggrootouders). 3Het verzoek van de GI 3.
  12. De GI heeft de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één jaar en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  13. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht. In de voorgeschiedenis heeft [de minderjarige] al veel meegemaakt: zij is getuige geweest van huiselijk geweld tussen haar ouders, heeft te maken gehad met onveiligheid binnen relaties en is al op jonge leeftijd uit huis geplaatst. [de minderjarige] heeft mede daardoor een verzwaarde opvoedbehoefte en is extra gebaat bij structuur en duidelijkheid. Gebleken is dat de pleeggrootouders voldoende kunnen aansluiten bij [de minderjarige] en tegemoet kunnen komen aan haar verzwaarde opvoedbehoefte. [de minderjarige] wordt in de thuissituatie bij de pleeggrootouders ondersteund en geleerd hoe zij om kan gaan met andere kinderen, met haar emoties (bijvoorbeeld niet bijten als je boos bent) en hoe zij zich beter kan concentreren. Voor de pleeggrootouders is ingezet op Video Interactie Begeleiding (VIB). Desalniettemin laat [de minderjarige] nog altijd zeer brutaal en uitdagend gedrag zien, wat zowel door de pleeggrootouders als op school wordt herkend. Gezien wordt dat [de minderjarige] , voor en na de omgang met de moeder, de pleeggrootouders en de leerkrachten op school afwijst door opstandig gedrag te vertonen en daarna weer toenadering zoekt. De GI vindt het zorgelijk dat de moeder dit gedrag van [de minderjarige] bij haar niet herkent. Ook heeft [de minderjarige] in de laatste maanden zowel op school als in de thuissituatie vaker problemen met haar zindelijkheid. Om duidelijkheid te verkrijgen over het gedrag van [de minderjarige] en wat zij nodig heeft, is [de minderjarige] eind november 2024 voor diagnostiek aangemeld bij de Prinsenstichting. 3.
  14. In de afgelopen periode heeft de GI een perspectiefonderzoek laten verrichten, hieruit volgt het advies dat [de minderjarige] niet bij de moeder zal opgroeien. Redengevend daarvoor is dat de moeder het moeilijk vindt om bij de behoeftes van [de minderjarige] aan te sluiten, onvoldoende gebruik maakt van de door de hulpverlening gegeven adviezen en haar eigen belangen boven die van [de minderjarige] lijkt te stellen. Daarbij vertoont [de minderjarige] bij de moeder aangepast gedrag. De GI is daarom van mening dat [de minderjarige] niet bij de moeder kan opgroeien en verzoekt de rechtbank het genomen perspectiefbesluit te toetsen. Nu het perspectief van [de minderjarige] niet bij de moeder ligt, moet onderzocht worden hoe de opvoedrol van de moeder eruit kan komen te zien, aldus de GI. Daarvoor verwacht de GI dan wel dat de moeder haar medewerking verleent aan het hulpverleningstraject NIKA om de gehechtheidsrelatie tussen de moeder en [de minderjarige] te kunnen onderzoeken en mogelijk te verbeteren. De moeder heeft bezwaren om deel te nemen aan dit hulpverleningstraject vanwege het maken van video-opnames, maar er bestaat geen alternatief om de gehechtheidsrelatie te onderzoeken, aldus de GI. Omdat het inzicht in het gedrag van [de minderjarige] en de gehechtheidsrelatie tussen moeder en dochter ontbreekt, wordt het uitbreiden van de omgang nu niet in [de minderjarige] belang geacht. 4De toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming De Raad stemt in met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen. De Raad ziet aanleiding om op dit moment te veronderstellen dat de verlenging van de maatregelen het meest bijdragen aan het welzijn van [de minderjarige] en om ervoor te zorgen dat het goed blijft gaan met haar. Ondanks dat [de minderjarige] bij de pleeggrootouders woont, laat de moeder zien er voor [de minderjarige] te zijn. De moeder heeft de afgelopen periode grote stappen gemaakt door de persoonlijke hulpverlening te accepteren en open te staan voor hulpverlening voor [de minderjarige] . Hoewel de Raad begrijpt dat het voor de moeder verdrietig en moeilijk is dat niet langer wordt teruggewerkt naar de thuisplaatsing van [de minderjarige] , is de Raad van mening dat het voor [de minderjarige] ontwikkeling belangrijk is dat haar perspectief van wonen duidelijk is en dat zij zich nu kan richten op het opgroeien bij de pleeggrootouders. Daarbij kan de inzet van hulpverlening gericht op de (hechtings)relatie tussen de moeder en [de minderjarige] van groot belang zijn voor het versterken van hun onderlinge relatie en het creëren van rust bij [de minderjarige] . 5De standpunten van de belanghebbenden De moeder 5.
  15. Omdat [de minderjarige] het goed heeft bij de pleeggrootouders, refereert de moeder zich aan het oordeel van de rechtbank over de verlenging van de maatregelen. Ook de moeder is van mening dat [de minderjarige] niet zonder meer terug naar huis kan, maar de conclusie voortvloeiende uit het perspectiefonderzoek en daarmee de veranderde grondslag van het verzoek van de GI, vindt de moeder moeilijk te volgen. Daarbij bestaan er twijfels over de onafhankelijkheid van de onderzoekende instantie en daarmee de uitkomsten van het perspectiefonderzoek, terwijl aan het onderzoek vergaande conclusies worden verbonden. Daarom staat de moeder open voor een nieuw, door een onafhankelijke instantie, uitgevoerd perspectiefonderzoek. Anders dan het traject van NIKA, staat de moeder ook open voor andere hulpverlening en/of begeleiding om inzicht te verkrijgen in de hechtingsrelatie tussen moeder en dochter. De pleeggrootouders 5.
  16. Ter zitting hebben de pleeggrootouders toegezegd dat [de minderjarige] bij hen kan blijven wonen tot ze op haar eigen benen kan staan of haar eigen keuzes kan maken. 6De beoordeling 6.
  17. De GI heeft op 18 december 2024 aan de moeder het besluit kenbaar gemaakt waar het opgroeiperspectief van [de minderjarige] moet komen te liggen: het perspectiefbesluit. De GI heeft in dit besluit aangegeven dat [de minderjarige] niet bij de moeder kan opgroeien en er niet meer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. Volgens de GI ligt het perspectief van [de minderjarige] bij de pleeggrootouders. 6.
  18. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsingang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dit arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen indien dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Dit is in dit geval aan de orde bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Hierna zal dan ook worden overgegaan tot het beoordelen van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en het perspectiefbesluit in het licht van de door de GI verzochte verlengingen. 6.
  19. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor de verlenging van de ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 in samenhang met artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Ook is de rechtbank van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleeggrootouders nog steeds noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b, eerste lid, BW in samenhang met artikel 1:265c, tweede lid, BW. Daarvoor is het volgende redengevend. 6.
  20. Reeds eerder is overwogen dat [de minderjarige] al vanaf jonge leeftijd is geconfronteerd met een onstabiele en onveilige opvoedomgeving, de persoonlijke problematiek van de moeder en haar verminderde draagkracht. Dit terwijl bij [de minderjarige] sprake is van een ontwikkelingsachterstand en complexe problematiek, waardoor zij een verzwaarde opvoed- en zorgbehoefte heeft. Als gevolg van de zorgen in de thuissituatie is [de minderjarige] al op jonge leeftijd onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij de pleeggrootouders. De rechtbank is van oordeel dat er sinds de vorige beschikkingen weinig is veranderd wat betreft de bestaande zorgen en dreigingen. Gebleken is dat [de minderjarige] bij de pleeggrootouders de rust, structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid krijgt die zij nodig heeft, waardoor zij toekomt aan haar ontwikkeltaken. Dat neemt niet weg dat de rechtbank ook zorgen heeft over [de minderjarige] . Zij laat nog steeds ingewikkeld, dwars en brutaal gedrag zien en ervaart gevoelens van spanning. Rondom de omgangsmomenten met de moeder lijkt dit bij [de minderjarige] te verergeren. Ook op school zijn er zorgen over [de minderjarige] . Ze komt moeilijk tot leren, is snel afgeleid en heeft één-op-één begeleiding nodig. Voorts is het een zorg dat [de minderjarige] , zowel in de thuissituatie bij de pleeggrootouders als op school, problemen heeft met haar zindelijkheid. 6.
  21. De rechtbank vindt het zeer positief dat de moeder – zoals zij zelf ter zitting naar voren heeft gebracht – meer rust, ruimte en daardoor een toegenomen draagkracht ervaart, waardoor de omgangsmomenten met [de minderjarige] beter verlopen. De rechtbank ziet dat de moeder de afgelopen periode goede stappen vooruit heeft gezet. Evenwel is het de rechtbank niet gebleken dat de moeder (anders dan ten tijde van het perspectiefonderzoek en het daaruit voortvloeiende perspectiefbesluit) nu wel in staat is in de verzwaarde opvoed- en zorgbehoefte van [de minderjarige] te voorzien en haar de structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid te bieden die zij nodig heeft. Daarbij is, naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake van onwil maar van onmacht, nu de persoonlijke problematiek van de moeder op de voorgrond staat en zij daardoor wordt belemmerd in de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . Daar komt bij dat de moeder het zorgelijke gedrag van [de minderjarige] , zoals dit door de pleeggrootouders en op school wordt waargenomen, tijdens de omgangsmomenten niet lijkt te herkennen. Wat ten grondslag ligt aan het aangepaste gedrag van [de minderjarige] , is de afgelopen periode niet onderzocht. Vanwege het wantrouwen van de moeder met betrekking tot het maken van videobeelden, die een vast onderdeel zijn van het NIKA-traject, heeft zij niet kunnen instemmen met een onderzoek van de hechtingsrelatie. 6.
  22. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] dat de plaatsing bij de pleeggrootouders voortduurt en wordt gewaarborgd, zodat [de minderjarige] blijvend profiteert van de veiligheid, stabiliteit en duidelijkheid bij de pleeggrootouders en zij zich in alle rust kan ontwikkelen. Daarvoor dient naar het oordeel van de rechtbank – anders dan door de moeder ter zitting gesteld – het zwaartepunt in de verzorging en de opvoeding van [de minderjarige] duurzaam bij de pleeggrootouders te liggen. In het belang van [de minderjarige] zal de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI van 18 december 2024 dan ook onderschrijven. 6.
  23. Deze beslissing betekent niet dat de moeder geen rol meer kan spelen in het leven van [de minderjarige] . De moeder zal altijd de moeder van [de minderjarige] blijven, ook als [de minderjarige] bij de pleeggrootouders woont. Er wordt vanuit gegaan dat alle betrokkenen zich zullen inzetten voor een betekenisvolle rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] , op een wijze die passend is bij de persoon, ontwikkeling en belastbaarheid van [de minderjarige] . De rechtbank geeft de moeder daarbij in overweging om (samen met de GI) te onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, er niet toch een mogelijkheid is om mee te werken aan het hulpverleningstraject NIKA. Zodoende kan de gehechtheidsrelatie tussen de moeder en [de minderjarige] worden onderzocht en (wellicht) verbeteren, hetgeen ten goede komt aan de omgang tussen hen. 6.
  24. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen. Eerder heeft de rechtbank de maatregelen met toestemming van alle betrokkenen voor korte duur verlengd, daarom zullen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] nu worden verlengd voor de resterende verzochte termijn, te weten elf maanden. 6.
  25. Zoals verzocht door de GI zal de rechtbank de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing, ook als iemand in hoger beroep gaat, direct geldt. 7De beslissing De rechtbank: 7.
  26. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], met ingang van 18 maart 2025 tot 18 februari 2026; 7.
  27. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 18 maart 2025 tot 18 februari 2026; 7.
  28. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. C.E Voskens (voorzitter), mr. M.C.A Onderwater en mr. M.M. Cuypers, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier en op schrift gesteld op 17 maart
  29. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.