RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/363203 / JU RK 25/383 Datum uitspraak: 24 maart 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Velserbroek, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 1] , en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 2] , hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. P.A.J. van Putten, kantoorhoudende in Almere. Als informanten merkt de kinderrechter aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, ingeschreven op een briefadres in [plaats] , en [de oma] , de oma moederszijde, hierna te noemen: de oma, wonende in [plaats] . De moeder en de vader hierna gezamenlijk te noemen: de ouders. 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen ten aanzien van [de minderjarige 1] , ontvangen van de GI op 19 maart 2025; het verzoekschrift met bijlagen ten aanzien van [de minderjarige 2] , ontvangen van de GI op 19 maart 2025; de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) van het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling te beëindigen, ontvangen van de GI op 20 maart
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart
- Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader; - [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordiger van de GI. 1.
- De oma, is hoewel daartoe opgeroepen en zonder bericht van haar afwezigheid, niet ter zitting verschenen. Uit wat de GI ter zitting naar voren heeft gebracht, begrijpt de kinderrechter dat de oma op de twee jongste kinderen uit het gezin past. 1.
- De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] . De moeder is belast met het gezag over [de minderjarige 2] . 2.
- De kinderen wonen bij de moeder. 2.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft de kinderen bij beschikking van 27 maart 2023 onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar. Bij beschikking van 7 maart 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 27 maart
- 2.
- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verbleven vanaf 29 augustus 2022 tot 27 maart 2023 op vrijwillige basis bij de oma. Bij beschikking van 27 maart 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend in een pleeggezin, te weten bij de oma. Deze machtiging is daarna tweemaal verlengd en heeft voortgeduurd tot 27 juni
- 3Het verzoek van de GI 3.
- De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht. De afgelopen twee jaar heeft de moeder hard gewerkt aan het opbouwen van een toekomst met de kinderen en het wegnemen van hun ontwikkelingsbedreigingen. Gelet op de positieve ontwikkelingen die het gezin heeft doorgemaakt, was de GI van mening dat de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen voldoende was weggenomen en heeft zij een borgingsplan opgesteld en de Raad verzocht het voorgenomen besluit tot beëindiging van de ondertoezichtstelling te toetsen. De afspraken in het borgingsplan zien onder meer op het continueren van de hulpverlening vanuit 10 voor Toekomst, het continueren van de betrokkenheid van de oma als vangnet, de inzet van Infant Mental Health (hierna te noemen: IMH) door iHub voor de moeder en [de minderjarige 2] enerzijds en de moeder en [de minderjarige 1] anderzijds en de omgang tussen de vader, de moeder en de kinderen, in die zin dat de kinderen eens in de twee weken een weekend bij de vader en diens vriendin verblijven en de vader niet bij de moeder over de vloer komt. 3.
- Gebleken is dat de situatie, zoals die was ten tijde van het opstellen van het borgingsplan, niet meer aan de orde is, omdat de vader vaker bij de moeder is, daar blijft overnachten en de ouders onderzoeken of zij weer bij elkaar willen zijn. Voor [de minderjarige 1] is dit lastig en onduidelijk, maar ook de oma heeft aangegeven de betrokkenheid van de vader lastig te vinden en niet langer als vangnet te kunnen fungeren. Ondanks dat de GI binnen de ondertoezichtstelling heeft gepoogd in contact te komen met de vader, ontbreekt het aan ieder zicht op hem. Onduidelijk is of, en zo ja, op welke wijze en met behulp van welke hulpverlening de vader de afgelopen periode aan zichzelf heeft gewerkt en of bij de vader nog sprake is van middelengebruik. Vanwege de onduidelijkheid rondom de vader, de impact daarvan op de kinderen, de rol van de oma en het advies van de Raad, is het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd voor de duur van zes maanden. Zo kan de GI de komende periode monitoren hoe het traject van IMH verloopt en nogmaals een poging doen om de vader in beeld te krijgen en (veiligheids-)afspraken te maken. 4De toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming Uit de door de GI overgelegde toetsing van de Raad van het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling te beëindigen blijkt het volgende. De Raad stemt niet in met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling van de kinderen te beëindigen. De Raad heeft er op dit moment onvoldoende vertrouwen in dat de moeder onder eigen regie en zonder dwingend kader in staat is om grenzen te stellen aan de vader en/of afspraken te maken met de vader. Daarom vindt de Raad de inzet en ondersteuning vanuit de GI nog nodig om zicht te krijgen op de vader, de ingezette maar nog niet gestarte hulpverlening door iHub te monitoren en te onderzoeken wat de moeder nodig heeft gericht op haar weerbaarheid.
- Het standpunt van de moeder 5.
- Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en verzocht het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen, dan wel voor drie maanden toe te wijzen, en het overige af te wijzen, dan wel aan te houden. Daartoe is het navolgende aangevoerd. 5.
- Voor de kinderen is geen sprake meer van een ernstig bedreigde ontwikkeling, waarvoor een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Het staat zonder meer vast dat de ouders een turbulent verleden hebben, als gevolg waarvan de kinderen uit huis zijn geplaatst, maar de moeder heeft de afgelopen jaren hard gewerkt om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Daarin zijn dan ook geen zorgen, aangezien de GI voornemens was de ondertoezichtstelling van de kinderen te beëindigen. Anders dan de GI, is de moeder van mening dat de betrokkenheid van de vader niet opnieuw tot een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen leidt. De kinderen hebben immers – zoals ook is opgenomen in het borgingsplan – eens in de twee weken een heel weekend onbegeleide omgang met de vader. Daar komt bij dat de vader de voor de kinderen noodzakelijke hulpverlening accepteert en bereid is daaraan zijn medewerking te verlenen. Er is voldoende zicht op de thuissituatie: 10 voor Toekomst is reeds betrokken in de thuisomgeving en ook IMH zal starten in de thuisomgeving. Vanuit het vrijwillig kader onder regie van de gemeente kan de hulpverlening vanuit 10 voor Toekomst en IMH de situatie voor de kinderen voldoende waarborgen en monitoren. 6De mening van de informanten De vader 6.
- Hoewel mr. Van Putten formeel niet de belangen van de vader behartigt, is het standpunt van de vader ten aanzien van het verzoek (nagenoeg) gelijk aan het hierboven weergegeven standpunt van de moeder. Door de vader is daaraan toegevoegd dat hij vanwege het verloop van de uithuisplaatsing van de kinderen en zijn eigen ervaring in het verleden met jeugdbescherming eerder niet zijn medewerking heeft verleend aan de hulpverlening. De vader heeft nu echter wel ingestemd met de hulpverlening: hij heeft onlangs 10 voor Toekomst gesproken in de thuissituatie bij de moeder en met IMH heeft er al een telefonisch gesprek plaatsgevonden. De oma 6.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de oma bij de GI heeft aangegeven dat zij zich terugtrekt en niet langer als vangnet kan fungeren, omdat de moeder niet eerlijk is en zij over zaken liegt. 7De mening van [de minderjarige 1] In het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige 1] verteld dat zij het niet nodig vindt dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Het gaat goed met haar en ze haalt hoge cijfers op school. [de minderjarige 1] en haar broertje [de minderjarige 2] gaan eens in de twee weken een weekend naar de vader in [plaats] . Daar heeft ze het naar haar zin. Anders dan eerder is [de minderjarige 1] niet bang voor de reactie van haar vader als ze hem wat vertelt en loopt ze niet op haar tenen. [de minderjarige 1] wil het liefst dat haar ouders weer bij elkaar komen. 8De beoordeling 8.
- Uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is geweest, blijkt dat de moeder de afgelopen periode hard, en met positief resultaat, heeft gewerkt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Er is gewerkt aan de doelen gericht op de kinderen en zij hebben geprofiteerd van de geboden behandeling en begeleiding. Toch heeft de kinderrechter ook zorgen. In het verleden zijn de kinderen blootgesteld aan zeer onrustige periodes, die zich kenmerkten door spanningen en huiselijk geweld tussen de ouders en onvoldoende veiligheid in de thuissituatie. Nu de ouders de komende periode zullen gaan onderzoeken of de verbroken relatie hersteld kan worden, is het een zorg dat de kinderen opnieuw worden blootgesteld aan onzekerheid en spanningen in de thuissituatie. Met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat er nog altijd gerechtvaardigde zorgen zijn over de weerbaarheid van de moeder tegen de vader, als gevolg waarvan het risico dreigt dat de stabiliteit, veiligheid, ingezette hulpverlening en ook de samenwerking en de verbinding met de oma in het geding komen. Ten aanzien van de betrokkenheid van de oma geldt dat de oma inmiddels heeft aangegeven onder de huidige omstandigheden niet als vangnet te kunnen fungeren. Gelet op de inspanningen van de moeder de afgelopen twee jaar en de grote stappen die zij heeft gezet, heeft de kinderrechter geen reden om te twijfelen aan de bereidwilligheid van de moeder om de hulpverlening ook in het vrijwillig kader te blijven accepteren. Voor de vader kan die conclusie echter nog niet worden getrokken; de vader heeft in het verleden om hem moverende redenen geen medewerking verleend aan de hulpverlening. Ter zitting heeft de vader aangegeven zich nu wel in te willen zetten voor de hulpverlening in de thuissituatie. De kinderrechter hoopt dat de vader in staat is zich aan zijn toezegging te houden. Op dit moment is echter nog onduidelijk of de vader daadwerkelijk zijn medewerking zal verlenen aan de voor de kinderen noodzakelijke hulpverlening. Dit maakt dat de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in heeft dat de ouders samen in staat zijn de eerder door de moeder positief ingezette lijn in het vrijwillig kader te continueren. 8.
- De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengen voor de duur van zes maanden. Daarbij neemt de kinderrechter in overweging dat een termijn van drie maanden, zoals subsidiair bepleit door de advocaat van de moeder, onvoldoende is om zicht te krijgen op de thuissituatie met de vader als onderdeel van het gezin en het starten en vormgeven van het IMH-traject voor beide kinderen. 8.
- Zoals verzocht door de GI, zal de kinderrechter de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing, ook als iemand in hoger beroep gaat, direct geldt. 9De beslissing De kinderrechter: 9.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], met ingang van 27 maart 2025 tot 27 september 2025; 9.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2025 door mr. E.G. van Roest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgelegd en ondertekend op 1 april
- De griffier is buiten staat om te ondertekenen. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam. Artikel 1:260, eerste lid, BW.