RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/362983 / JU RK 25/361 Datum uitspraak: 24 maart 2025 Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen van de GI op 13 maart 2025; de verslagen van Esdégé-Reigersdaal, ontvangen van de GI op 21 maart
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart
- Daarbij was de vader aanwezig. 1.
- De GI is hoewel daartoe behoorlijk oproepen en zonder bericht van afwezigheid niet ter zitting verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de kinderrechter geprobeerd telefonisch te krijgen met de betrokken jeugdbeschermer. Uit haar voicemail heeft de kinderrechter afgeleid dat de jeugdbeschermer afwezig is. Vervolgens heeft de kinderrechter contact gezocht met de achtervang van de jeugdbeschermer. Ook zij was telefonisch niet bereikbaar. Van de telefoniste van de GI heeft de kinderrechter vernomen dat de datum en het tijdstip van de zitting wel in de agenda van de jeugdbeschermer waren genoteerd. 2De feiten 2.
- Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. [de minderjarige] woont bij de moeder. 2.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft [de minderjarige] bij beschikking van 5 december 2022 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd en duurt nu nog tot 5 augustus
- [de minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan van 6 augustus 2021 tot 6 augustus
- 3Het verzoek van de GI 3.
- De GI heeft de kinderrechter verzocht de aan de vader gegeven schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. In de schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen: Bij de overdracht van Esdégé-Reigersdaal naar u, bent u vriendelijk tegen de hulpverlener; Tijdens de omgangsmomenten wordt er niet gescholden door u; U zorgt ervoor dat u iets te eten of te drinken in huis heeft wanneer [de minderjarige] komt; [de minderjarige] krijgt complimenten van u; U gamet niet wanneer [de minderjarige] er is; U onderneemt een activiteit met [de minderjarige] (binnenshuis of buitenshuis, bijvoorbeeld naar de speeltuin, knutselen, koekjes bakken, bordspelletje); U houdt zich aan de belafspraken met [de minderjarige] zoals deze gemaakt zijn en belt niet later dan 17:00; De begeleiding van Esdégé-Reigersdaal en u hebben de ochtend voor de omgang contact met elkaar. Als u ziek bent gaat de omgang niet door; U maakt geen geluids- of video-opnames van de hulpverlening; U praat niet over volwassenzaken met [de minderjarige] , ook praat u niet over de moeder of over de hulpverlening met [de minderjarige] . 3.
- De GI is niet ter zitting verschenen. Zij heeft haar verzoek dan ook niet verder mondeling toegelicht en evenmin weergesproken wat de vader ter zitting, in het bijzonder over de bekendmaking van de schriftelijke aanwijzing, naar voren heeft gebracht. 4Het standpunt van de vader Ter zitting heeft de vader verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Daartoe heeft de vader gesteld dat hij pas met de e-mail van 12 maart 2025 bekend is geworden met de schriftelijke aanwijzing van 7 februari
- De schriftelijke aanwijzing van 7 februari 2025 heeft hij niet ontvangen. De vader kan zich niet vinden in de schriftelijke aanwijzing en wil daartegen ageren. Hij is bezig om het nodige op papier te zetten. 5De beoordeling het wettelijk kader 5.
- Op grond van artikel 1:263, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven over de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit onder meer doen als de met het gezag belaste ouder niet instemt of meewerkt met uitvoering van het plan van aanpak, of als dit noodzakelijk is om concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het derde lid van artikel 1:263 BW kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. In het onderhavige geval heeft de GI de kinderrechter verzocht de aan de vader gegeven schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. 5.
- Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb) en moet overeenkomstig de eisen uit de Awb worden voorbereid en bekendgemaakt. de beoordeling 5.
- Ter zitting heeft de vader betwist de schriftelijke aanwijzing van 7 februari 2025 te hebben ontvangen en heeft hij gesteld dat hij pas door de e-mail van 12 maart 2025 bekend is geworden met de schriftelijke aanwijzing. 5.
- Vaststaat dat de GI op 31 januari 2025 aan de vader een vooraankondiging van een schriftelijke aanwijzing heeft gestuurd en dat de vader in meerdere e-mails van 31 januari 2025 aan de GI kenbaar heeft gemaakt zich niet te kunnen vinden in de in de vooraankondiging opgenomen aanwijzingen. Het dossier bevat een schriftelijke aanwijzing aan de vader van 7 februari 2025, maar de vader betwist de ontvangst van die schriftelijke aanwijzing. 5.
- Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van een besluit dat tot één of meer belanghebbenden is gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan die belanghebbenden. Blijkens de jurisprudentie over de bekendmaking van besluiten aan belanghebbenden is het, indien de belanghebbende de verzending van het besluit betwist, zoals in dit geval, aan de verzender om die verzending aannemelijk te maken. Dat betekent concreet dat, nu de vader de verzending van het besluit van 7 februari 2025 betwist, de GI aannemelijk had moeten maken dat verzending op voornoemde datum heeft plaatsgevonden. De GI was niet op zitting om dit te onderbouwen. Bij gebrek aan een onderbouwing van de kant van de GI gaat de kinderrechter ervan uit dat de vader pas op 12 maart 2025 bekend is geworden met schriftelijke aanwijzing. Vervolgens is op 13 maart 2025 een verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing aan de kinderrechter verstuurd. Ervan uitgaande dat de vader pas op 12 maart 2025 bekend is geworden met de schriftelijke aanwijzing is de vader in het geheel niet in de gelegenheid geweest om al dan niet te voldoen aan de schriftelijke aanwijzing van de GI. Ook is de vader niet in de gelegenheid geweest om ten volle gebruik te maken van het hem tegen de schriftelijke aanwijzing openstaande rechtsmiddel, te weten het indienen van een verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing. Dit terwijl ter zitting is gebleken dat de vader van die mogelijkheid gebruik wenst te maken. 5.
- Al het voorgaande maakt dat de kinderrechter het verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing zal afwijzen. 6De beslissing De kinderrechter: wijst het verzoek van de GI af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2025 door mr. E.G. van Roest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgesteld en ondertekend op 1 april
- De griffier is buiten staat om te ondertekenen. Op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, r.o. 2.5.1.