← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:3992

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummers: C/15/346757 / FA RK 23/5849 en C/15/361244 / FA RK 25/351 Datum uitspraak: 31 maart 2025 Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging, wijziging gecertificeerde instelling en voogdij in de zaken van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, gevestigd in Haarlem, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, ingeschreven op een briefadres in [plaats] , Stichting Humanitas Inkomensbeheer, hierna te noemen: de curator, gevestigd in Purmerend, de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI, gevestigd in Amsterdam, [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , gevestigd in [plaats] . De rechtbank merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , en [de oma mz] , hierna te noemen: de oma mz, wonende in [plaats] . 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling: het verzoek met bijlagen van de Raad van 30 november 2023, ontvangen op 30 november 2023; het proces-verbaal van de met gesloten deuren gehouden zitting van de kinderrechter van 9 januari 2024; het e-mailbericht met bijlagen van de Raad van 15 februari 2024, inhoudend de actuele stand van zaken, ontvangen op 15 februari 2024; de brief met bijlage van de GI van 27 maart 2024, inhoudend de actuele stand van zaken en het standpunt van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , ontvangen op 2 april 2024; het aanvullende rapport van de Raad van 5 april 2024, ontvangen op 5 april 2024; het proces-verbaal van de met gesloten deuren gehouden zitting van de meervoudige kamer van 10 april 2024; de brief van de Raad van 19 juni 2024, inhoudende de actuele stand van zaken en het verzoek tot aanhouding, ontvangen op 19 juni 2024; de brief met bijlage van de GI van 9 augustus 2024, inhoudende de actuele stand van zaken, ontvangen op 12 augustus 2024; de beschikking van de kantonrechter op een verzoek tot ondercuratelestelling van de moeder van 18 oktober 2024; de beschikking van de rechtbank van 23 oktober 2024 over de voorlopige voogdij en de benoeming van een voogd; het proces-verbaal van de met gesloten deuren gehouden zitting van de enkelvoudige kamer van 31 oktober
  2. 1.
  3. De (verdere) behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 4 maart
  4. Daarbij waren aanwezig: de oma mz; de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ; [vertegenwoordiger van een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en [vertegenwoordiger van een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , als vertegenwoordigers van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . 1.
  5. De curator van de moeder heeft de rechtbank per e-mail van 3 maart 2025 medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Bij diezelfde e-mail heeft de curator de rechtbank eveneens bericht dat de moeder niet ter zitting zal verschijnen. Ook de vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen en zonder bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen. 1.
  6. De moeder en haar curator zijn in het kader van de pilot rechtsbescherming in de jeugdbescherming gewezen op het recht van de moeder om kosteloos te worden bijgestaan door een advocaat. De door de rechtbank toegewezen advocaat heeft geen contact verkregen met de moeder. Ter zitting heeft de rechtbank, uit hetgeen de GI naar voren heeft gebracht, begrepen dat de GI heeft getracht te bemiddelen tussen de moeder, diens curator en de toegewezen advocaat. Deze poging heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid, waarop de advocaat zich heeft teruggetrokken. 2De feiten 2.
  7. De kinderrechter heeft [de minderjarige] bij beschikking van 7 oktober 2020 voorlopig onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is vervolgens definitief uitgesproken en telkens verlengd, voor het laatst tot 20 oktober
  8. 2.
  9. Bij mondelinge beslissing van 21 mei 2021 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is daarna telkens verlengd, voor het laatst tot 20 oktober
  10. 2.
  11. [de minderjarige] verblijft sinds 21 mei 2021 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, namelijk in gezinshuis [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . In de periode maart 2022 tot september 2022 heeft [de minderjarige] tijdelijk in een pleeggezin verbleven. 2.
  12. Bij beschikking van 18 oktober 2024 heeft de kantonrechter in deze rechtbank de moeder onder curatele gesteld vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van Stichting Humanitas Inkomensbeheer tot haar curator. Daarmee is de moeder op grond van artikel 1:246 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) onbevoegd tot het uitoefenen van haar gezag over [de minderjarige] . 2.
  13. Gelet op het ontstane gezagsvacuüm heeft de rechtbank de GI op 23 oktober 2024 belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] . Daarbij is bepaald dat de maatregel na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking van rechtswege zou vervallen, tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag over [de minderjarige] zou zijn verzocht. 3De verzoeken van de Raad 3.
  14. Aan de orde is het aangehouden verzoek van de Raad van 30 november 2023, waarin de Raad de rechtbank heeft verzocht het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te benoemen tot voogd. Tevens is aan de orde het verzoek van de Raad van 14 januari
  15. Daarin heeft de Raad de rechtbank, in de procedure naar aanleiding van het ontstane gezagsvacuüm vanwege de ondercuratelestelling van de moeder, verzocht de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te benoemen tot voogd over [de minderjarige] . In de verzoekschriften heeft de Raad verzocht de beide beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  16. Ter zitting heeft de Raad het verzoek van 5 april 2024, inhoudend het verzoek tot wijziging van de GI, ingetrokken. Daartoe is naar voren gebracht dat er tussen de GI, [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en de Raad een positief herstelgesprek heeft plaatsgevonden, waardoor niet langer sprake is van een impasse tussen de betrokken partijen. Daarnaast verloopt de samenwerking met de GI in het kader van de voorlopige voogdij over [de minderjarige] goed. 3.
  17. De Raad heeft de verzoeken in de overgelegde stukken en ter zitting als volgt toegelicht. Het uitvoeren van het gezag is onmogelijk geworden. In de periode tot op heden is de moeder niet beschikbaar en in beeld bij [de minderjarige] . De moeder is onbetrouwbaar in het nakomen van afspraken en in het contact met [de minderjarige] , maar ook met de GI. De moeder geeft al lange tijd geen invulling aan het gezag, waardoor de basale, praktische en mogelijk medische zorg belemmerd wordt en/of vertraging oploopt. Daarbij is het niet te voorzien dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn weer in staat is om haar verzorging en opvoeding te dragen. Er is geen sprake van een eventuele thuisplaatsing en er dient gekeken te worden naar de toekomst en het perspectief van [de minderjarige] . De GI zal betrokken moeten blijven om de belangen van [de minderjarige] te behartigen en steeds te blijven toewerken naar een vorm van contactherstel tussen [de minderjarige] , haar ouders en verdere familieleden. De Raad acht toewijzing van het verzoek tot beëindiging van het gezag primair aangewezen en meent dat aan de voorwaarden hiervoor is voldaan. 4De standpunten van de belanghebbenden en informanten De moeder 4.
  18. De moeder is niet ter zitting verschenen, waardoor haar standpunt de rechtbank onbekend is gebleven. De curator 4.
  19. Blijkens het e-mailbericht van 3 maart 2025 van de curator van de moeder bestaat er geen bezwaar tegen de benoeming van een voogd, gelet op de ondercuratelestelling van de moeder. De GI 4.
  20. Ter zitting heeft de GI gesteld achter de verzoeken van de Raad te staan. Daartoe is naar voren gebracht dat de moeder al lange tijd niet bereikbaar is, waardoor beslissingen in het belang van [de minderjarige] niet snel genomen kunnen worden. Daar komt bij dat het [de minderjarige] aan ieder contact met de moeder ontbreekt. Zoals uit de bereidverklaring van 1 september 2023 blijkt en ter zitting bevestigt, heeft de GI zich bereid gevonden de voogdij over [de minderjarige] te aanvaarden. Desgevraagd heeft de GI naar voren gebracht dat [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] op haar plek zit. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] 4.
  21. De vertegenwoordigers van het gezinshuis hebben ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige] goede stappen heeft gezet sinds zij weer in het gezinshuis verblijft, hetgeen ook op school wordt waargenomen. [de minderjarige] zoekt weer nabijheid en is blijer. Ook het gezinshuis heeft geen contact met de moeder. Daarentegen is er wel contact met de oma mz en de vader. Desgevraagd hebben de vertegenwoordigers van het gezinshuis naar voren gebracht dat het waarborgen van [de minderjarige] ’s plaatsing in het gezinshuis op dit moment in haar belang is. De vader 4.
  22. In het gesprek met de raadsonderzoeker op 14 november 2023 heeft de vader naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek tot gezagsbeëindiging van de moeder. De vader denkt dat de maatregel in het belang van [de minderjarige] is. Wel hoopt de vader dat [de minderjarige] in het gezinshuis mag blijven en dat hij en de oma mz een rol van betekenis kunnen hebben in het leven van [de minderjarige] . De oma mz 4.
  23. Op 14 november 2023 heeft er ook een gesprek met de oma mz plaatsgevonden. In dat gesprek heeft de oma mz over de gezagsbeëindigende maatregel aangegeven dat zij dit belangrijk voor [de minderjarige] vindt, zodat wanneer het nodig is belangrijke beslissingen over haar genomen kunnen worden. De moeder is daarin geen stabiele en betrouwbare factor en dat is wel wat [de minderjarige] nodig heeft. Verder heeft de oma mz – in het gesprek met de raadsonderzoeker en ter zitting – benadrukt dat zij het belangrijk vindt dat [de minderjarige] verder mag opgroeien in het huidige gezinshuis. 5De (verdere) beoordeling van de rechtbank Ten aanzien van de gezagsbeëindiging (ex artikel 1:266, eerste lid, BW) 5.
  24. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen. Zij overweegt daartoe als volgt. 5.
  25. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. 5.
  26. Uit de overgelegde stukken en de behandeling op de zitting is gebleken dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Als gevolg van de persoonlijke problematiek van de ouders heeft [de minderjarige] al op jonge leeftijd veel gemaakt. [de minderjarige] is getuige geweest van huiselijk geweld in de thuissituatie, geconfronteerd met instabiele en onbeschikbare ouders en langdurig blootgesteld aan onveiligheid in de opvoedsituatie. [de minderjarige] heeft gelet op haar belaste verleden meer dan gemiddeld behoefte aan rust, stabiliteit en veiligheid. 5.
  27. Met de Raad is de rechtbank van mening dat [de minderjarige] nu is gebaat bij een veilige en stabiele opvoedomgeving met betrouwbare en beschikbare opvoeders, waardoor zij zich positief verder kan ontwikkelen en veilige gehechtheidsrelaties kan opbouwen. Gebleken is dat het de moeder, als gevolg van haar persoonlijke problematiek, niet is gelukt om aan te sluiten bij hetgeen [de minderjarige] nodig heeft, namelijk het bieden van veiligheid, rust, structuur en voorspelbaarheid. Het ontbreekt [de minderjarige] al langere tijd aan contact met de moeder, maar ook voor de Raad, de GI, [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , de hulpverlening en de oma mz, is de moeder al lange tijd niet bereikbaar. Dit maakt dat de moeder niet, althans onvoldoende, bekend is met de ontwikkeling van [de minderjarige] , waardoor zij niet in staat is om een afweging te maken over factoren die op dit moment in het leven van [de minderjarige] spelen om tot een goede uitvoering van het gezag te kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank staat de persoonlijke problematiek van de moeder nog steeds op de voorgrond, als gevolg waarvan zij niet in staat wordt geacht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , als bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, structureel en binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. 5.
  28. De rechtbank is van oordeel dat onder bovengenoemde omstandigheden op zichzelf is voldaan aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging, zoals die volgen uit artikel 1:266, eerste lid, onder a BW. Dat betekent echter niet zonder meer dat gezagsbeëindiging van de moeder op dit moment ook de aangewezen maatregel is. Gezagsbeëindiging is een verstrekkende en ingrijpende maatregel, waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van ouder en kind. Op deze inmenging is artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM) van toepassing. Blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen: EHRM) kan van beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake zijn op het moment dat is gebleken dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient derhalve ook te beoordelen of voortduring van het gezag van de moeder schadelijk is voor [de minderjarige] . 5.
  29. De rechtbank is van oordeel dat is onderbouwd en gebleken dat de ontwikkeling van [de minderjarige] (nog verder) zal worden geschaad als de moeder het gezag zou behouden. De moeder geeft al jarenlang geen invulling aan haar gezag en is naar het oordeel van de rechtbank ook niet meer in staat om op gedegen wijze gezagsbeslissingen te nemen, nu zij niet op de hoogte is van de ontwikkeling en behoeften van [de minderjarige] . De moeder staat niet in contact met de hulpverlening, [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en de GI en is ook niet beschikbaar of bereikbaar. Daarmee bestaat het risico dat de beslissingen over [de minderjarige] , bijvoorbeeld over medisch handelen, zoals ook in het verleden is gebleken, niet in het vereiste tempo genomen kunnen worden. De rechtbank acht voortzetting van het gezag van de moeder dan ook schadelijk voor en niet in het belang van [de minderjarige] . 5.
  30. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan zowel het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW, als aan het criterium van artikel 8 EVRM is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van [de minderjarige] is, zodat het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder zal worden toegewezen. 5.
  31. Dat de moeder onder curatele staat en daardoor niet in staat is om haar gezag over [de minderjarige] uit te oefenen, doet tot slot niet af aan de noodzaak tot gezagsbeëindiging, omdat in geval van een eventuele beëindiging van de curatele opnieuw onduidelijkheid zou ontstaan over het perspectief van [de minderjarige] , hetgeen niet in haar belang is. 5.
  32. Nu de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een (duurzame) gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd te benoemen. Ter zitting heeft de Raad het op 5 april 2024 ingediende verzoek tot wijziging van de GI ingetrokken. Daar komt bij dat de GI zich op 1 september 2023 schriftelijk en ter zitting mondeling bereid heeft verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij over [de minderjarige] . 5.
  33. Deze beslissing betekent niet dat de moeder geen rol meer kan spelen in het leven van [de minderjarige] . De moeder zal altijd de moeder van [de minderjarige] blijven. Er wordt vanuit gegaan dat alle betrokkenen zich zullen inzetten voor een betekenisvolle rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] , op een wijze die passend is bij de persoon, ontwikkeling en belastbaarheid van [de minderjarige] . Daarbij is het, gelet op het verleden, vooral aan de moeder om zich hiervoor in te zetten. 5.
  34. Zoals door de Raad verzocht, zal de rechtbank de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing, ook als iemand in hoger beroep gaat, direct geldt. Ten aanzien van de wijziging van de GI 5.
  35. Ter zitting heeft de Raad het verzoek tot wijziging van de GI ingetrokken, zodat daarop niet nader hoeft te worden beslist. Ten aanzien van voogdij (ex artikel 1:253q, derde lid, BW) 5.
  36. Nu de rechtbank het verzoek tot gezagsbeëindiging van de moeder zal toewijzen en de GI op grond van artikel 1:275 BW met de voogdij over [de minderjarige] zal belasten, bestaat er geen belang meer bij het verzoek tot benoeming van een voogd op grond van artikel 1:253q, derde lid, BW. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de ernst van de situatie en de behoefte van [de minderjarige] omtrent duidelijkheid over haar perspectief, de verstrekkende maatregel tot gezagsbeëindiging van de moeder rechtvaardigen. Daarbij komt dat het verzoek tot gezagsbeeïndiging, dat reeds in 2023 was ingediend, nog steeds de primaire insteek van de Raad is, zoals ter zitting toegelicht, aangezien deze meer recht doet aan de situatie. Dit verzoek werd evenwel vanwege de ondercuratelestelling van de moeder ingehaald met een beslissing tot benoeming van een voogd om het ontstane gezagsvacuüm op te heffen. Teneinde de (voorlopige) voogdij in stand te kunnen houden, was de Raad genoodzaakt binnen drie maanden (ook) een verzoek tot benoeming voogd in te dienen. 5.
  37. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De rechtbank: 6.
  38. beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedatum] in [plaats] over [de minderjarige]; 6.
  39. benoemt tot voogd over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam; 6.
  40. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  41. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening van deze beslissing in het centraal gezagsregister te maken; 6.
  42. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.A. Onderwater (voorzitter), mr. C.E. Voskens en mr. M.M. Cuypers, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2025, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.