RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1676 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 april 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder (gemachtigde: L. Edelaar) Inleiding
- Verzoekster heeft op 20 maart 2025 bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van 11 maart 2025 om maatschappelijke opvang voor haar en haar zoon [naam 1] van 10 jaar (zaaknummer: 25/1677).
- Daarnaast heeft verzoekster zich op 20 maart 2025 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer: 25/1676).
- Het verzoek om voorlopige voorziening is ter zitting behandeld op 7 april
- Hieraan hebben deelgenomen verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Ook was aanwezig mevrouw [naam 2] , nicht van verzoekster. Als tolk voor verzoekster was aanwezig mevrouw [tolk] .
- Op de zitting is door de gemachtigde van verweerder een besluit overgelegd van 4 april
- Dat besluit is genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem. In het besluit staat dat het een besluit is op een aanvraag van 11 maart 2025 om maatschappelijke opvang. Ter zitting is duidelijk geworden dat het voormelde besluit is genomen op de bij verweerder ingediende aanvraag van 11 maart
- Volgens verweerder heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem in het besluit van 4 april 2025 abusievelijk niet vermeld dat het besluit is genomen namens verweerder. Daarbij heeft verweerder gewezen op artikel 27, eerste lid, van de Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer
- Daaruit volgt dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van opvang in Haarlemmermeer de centrumgemeente Haarlem is gemandateerd en dus niet gedelegeerd. Dat betekent voor deze zaak dat het besluit van 4 april 2025 door de centrumgemeente Haarlem had moeten worden genomen namens verweerder. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat verweerder de inhoud van het voormelde besluit voor zijn rekening neemt. Ook verzoekster gaat er daarmee vanuit dat het besluit van 4 april 2025 is genomen namens verweerder. De voorzieningenrechter volgt dat.
- Met het besluit van 4 april 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van 11 maart 2025 afgewezen. Dat betekent dat met dat besluit niet tegemoet is gekomen aan wat verzoekster met het beroep waarop haar verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft uiteindelijk bereiken wil, namelijk het verkrijgen van opvang voor haar en haar zoon. Daarom heeft, op de voet van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep waaraan het verzoek om een voorlopige voorziening connex is mede betrekking op het besluit van 4 april
- Verzoekster heeft ter zitting verzocht de gronden van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 11 maart 2025 mede aan te merken als bezwaarschriften tegen het besluit van 4 april 2025 en ter behandeling door te zenden naar verweerder. Aan dat verzoek zal de voorzieningenrechter voldoen tegelijk met de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.
- Verzoekster verzoekt gedurende de behandeling van het bezwaar tegen het primaire besluit een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt de voorzieningenrechter verweerder op te dragen om gedurende die tijd aan haar en haar zoon opvang te verlenen. Achtergrond van de zaak
- Op 4 februari 2025 heeft verzoekster zich bij verweerder schriftelijk gemeld met een hulpvraag. Zij meldt dat ze dakloos is of dreigt te raken. Haar hulpvraag omschrijft ze verder met de woorden dat zij een kind van 10 jaar heeft die in een onveilige thuissituatie zit en dat ze zelf wordt mishandeld door haar eigen broer waar ze bij inwoont. Verzoekster meldt verder dat ze bij de opvang in Haarlem is geweest en die hebben haar verwezen naar verweerder.
- Op 11 maart 2025 schrijft de gemachtigde van verzoekster een brief aan verweerder. Daarin geeft zij aan dat verzoekster zich op 31 januari 2025 gemeld heeft bij de Brede Centrale Toegang (BCT) in Haarlem voor het verkrijgen van maatschappelijke opvang. Door de BCT is verzoekster toen meegedeeld dat zij geen recht heeft op maatschappelijk opvang, maar het besluit daarover is verzoekster toen niet overhandigd. In de voormelde brief van 11 maart 2025 verzoekt de gemachtigde van verzoekster haar dat besluit zo spoedig mogelijk toe te zenden en haar brief van 11 maart 2025 aan te merken als een bezwaarschift tegen dat besluit. Voor zover nodig is verweerder in de brief van 11 maart 2025 verzocht het bezwaarschrift tevens op te vatten als een aanvraag tot het verlenen van (crisis/nood) opvang en een aanvraag voor een tijdelijke maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.3 Wmo.
- In haar brief van 11 maart 2025 heeft verzoekster verder haar aanvraag als volgt toegelicht. Zij is ongeveer een jaar geleden met [naam 1] vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Zij was daar uitgehuwelijkt en werd door haar schoonfamilie uitgebuit. Hieraan kon ze ontsnappen waarna ze bij haar vader verbleef. Ze is gescheiden en voedt [naam 1] alléén op. Toen haar vader kwam te overlijden kon zij niet langer in Marokko blijven en heeft haar broer haar opgehaald. Hij woonde in België en vond een nicht bereid om tijdelijk onderdak aan haar en [naam 1] te verstrekken. Eenmaal in Nederland werd hij echter gewelddadig. Hij mishandelt verzoekster en [naam 1] is hiervan getuige. Hij brengt steeds mannen mee waarmee zij zou moeten trouwen en dit wil verzoekster niet. De situatie is onhoudbaar en dit is ook gemeld bij de politie. Dit heeft geresulteerd in contact tussen verzoekster en Veilig Thuis en de Blijf Groep maar er is geen hulp geboden. Verder verwijst verzoekster naar een verwijzing door de huisarts in verband met psychische klachten door de onveilige situatie. Verzoekster heeft geen opleiding genoten en er zijn aanwijzingen dat zij moeite heeft zaken te begrijpen. Zij werkt als schoonmaakster. Het lukt haar niet om zelfstandig een woning te vinden. Zij is bovendien verlamd van angst. Met [naam 1] gaat het niet goed, op school kan hij niet goed meekomen, hij heeft moeite met leren en onthouden. Hij zit in een onveilige situatie en heeft stabiliteit nodig. Er is geen ander familielid of kennis die verzoekster en zoon kunnen opvangen. Het netwerk is uitgeput.
- Naar aanleiding van de melding van 4 februari 2025 en de aanvraag van 11 maart 2025 om spoedopvang heeft een medewerker van verweerder op 21 maart 2025 telefonisch contact opgenomen met de nicht van verzoekster. Het doel van dat gesprek was de urgentie te bepalen van de hulpvraag bij (dreigende) dakloosheid. In het verweerschrift is door verweerder toegelicht dat in dit soort gevallen gekeken wordt naar wat de ernst is, wat prioriteit heeft en naar de zelfredzaamheid van de inwoner. Omdat tijdens dit gesprek door de nicht van verzoekster zou zijn aangegeven dat zij verzoekster niet op straat zal zetten heeft verweerder geconcludeerd dat er geen sprake is van spoedeisend belang en de melding ter verdere beoordeling doorgestuurd naar de BCT.
- Door de BCT is vervolgens onderzoek verricht naar de situatie van verzoekster. Uit het verslag daarvan blijkt dat het onderzoek heeft bestaan uit een intakegesprek op 28 maart 2025 tussen medewerkers van de BCT en verzoekster en haar nicht. Tijdens dat gesprek is door verzoekster en haar nicht een nadere toelichting gegeven op de situatie van verzoekster zoals die was voor haar komst naar Nederland en sindsdien. Daarbij is onder meer gesproken over de reden waarom verzoekster uit Marokko is vertrokken, haar opleiding in Marokko (alleen basisschool), het verblijf van verzoekster en haar zoon in de woning van haar nicht, het geweld en bedreigingen tegen verzoekster in Nederland door haar broer, de psychische problematiek van verzoekster, de zorgen om haar zoon en het inkomen dat verzoekster met haar werk als schoonmaakster verdient (€ 271,- per week).Aan het slot van voormeld verslag is door de BCT de conclusie getrokken dat verzoekster zelfredzaam is en dat zij geen duidelijke zorgvraag heeft met betrekking tot psychische en/of verslavingsproblematiek naast de huisvestingsvraag. Zij krijgt daarom geen toestemming om gebruik te maken van maatschappelijke opvang. Aan het slot van het verslag vermeldt de BCT ook dat verzoekster door de BCT wordt terugverwezen naar de gemeente van haar herkomst, Haarlemmermeer.
- Op 4 april 2025 is het primaire besluit genomen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Is er een spoedeisend belang?
- Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen getroffen worden als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van spoedeisend belang voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
- Door verzoekster is, in aanvulling op wat bij de aanvraag al is gebeurd, naar voren gebracht dat zij en haar zoon [naam 1] sinds hun komst naar Nederland verblijven in de woning van haar nicht en haar gezin. Dat gezin bestaat verder uit de man van de nicht en hun drie kinderen, waarvan er één autistisch is. Aanvankelijk verbleef ook de broer van verzoekster in die woning, maar inmiddels niet meer. Hij is na de laatste ernstige ruzie uit huis gezet, waarbij verzoekster gewond is geraakt. Hij weet echter waar verzoekster verblijft en valt haar en haar zoon op straat continue lastig. De nicht van verzoekster heeft eerder in de procedure al aangegeven dat zij en haar man verzoekster en haar zoon al veel langer opvang verlenen dan na hun overkomst uit Marokko de bedoeling was, maar dat het nu geen houdbare situatie meer is. Verzoekster en haar zoon kunnen alleen tot de dag van de zitting in de woning van de nicht blijven. Op de zitting heeft de nicht dit herhaald en verklaard dat de koffer met spullen van verzoekster en haar zoon al is ingepakt. Door verzoekster is ter zitting verklaard dat zij met het geld dat zij nog heeft nog enkele dagen met haar zoon in een hotel kan overnachten, maar daarna geen onderkomen meer heeft.
- Door de voorzieningenrechter is nu niet na te gaan of verzoekster en haar zoon daadwerkelijk uit de woning van de nicht en haar gezin zullen worden gezet voordat zij elders een onderkomen hebben gevonden. Ook is nu niet na te gaan of verzoekster inderdaad geen middelen of mogelijkheden heeft om zelf langer dan enkele dagen andere woonruimte voor zichzelf en haar zoon te regelen. Toch neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoekster en haar zoon, gelet op de gestelde en door verweerder niet weersproken omstandigheden, een spoedeisend belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in het bijzonder oog voor het belang van de minderjarige zoon van verzoekster bij een veilige woonsituatie.
- Het bestaan van een spoedeisend belang is op zichzelf niet voldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarvoor is ook nodig dat het bezwaar tegen de afwijzing van de gevraagde voorziening een redelijke kans van slagen heeft. Dat zal de voorzieningenrechter hieronder beoordelen. Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
- In het primaire besluit staat dat besloten is dat verzoekster geen gebruik kan maken van een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang. Daarbij is overwogen dat bij verzoekster niet is gebleken van ernstige somatiek, recidiverende dakloosheid of een combinatie van ernstige verslaving en psychiatrie of van psychiatrie en een licht verstandelijke beperking.
- Hoewel de tekst van het primaire besluit daarover niet duidelijk is, begrijpt de voorzieningenrechter, na discussie hierover op de zitting met partijen, dat met het primaire besluit bedoeld is de bij verweerder ingediende aanvraag van 11 maart 2025 tot het verlenen van spoedopvang als bedoeld in artikel 2.3.3 Wmo af te wijzen in afwachting van de uitkomst van het door verweerder op grond van artikel 2.3.2 Wmo te verrichten onderzoek naar aanleiding van de melding van 4 februari
- Dat onderzoek van verweerder loopt nog. Beoordeeld dient te worden of verweerder deugdelijk heeft onderzocht en gemotiveerd dat verzoekster en haar zoon in afwachting van de uitkomst van dat onderzoek niet in aanmerking komen voor spoedopvang als bedoeld in artikel 2.3.
- Door verzoekster is aangevoerd dat het onderzoek door de BCT dat aan het primaire besluit ten grondslag ligt niet zorgvuldig is gedaan. Zo ontbreekt onderzoek naar het belang van het kind en wat er met verzoekster en haar zoon gebeurt bij weigering van opvang en of dit een bedreiging vormt voor hun fundamentele rechten. Moeder en zoon hebben recht op bescherming en hierbij geldt een humanitaire ondergrens. Er is bovendien geen onderzoek gedaan naar een mogelijk lichte verstandelijke beperking, terwijl hier juist aandacht voor is gevraagd en dit ook belangrijk is voor de vraag of verzoekster op eigen kracht vervangend onderdak kan verzorgen voor haarzelf en haar zoon. De psychische problematiek en de belaste jeugd van verzoekster zijn door de BCT gebagatelliseerd. Zij en haar zoon hebben problemen met zelfredzaamheid op verschillende gebieden. Zij hebben te maken met huiselijk geweld van de broer van verzoekster en er is contact met politie en Veilig Thuis. Er is een zeer beperkt netwerk. Verzoekster heeft geen opleiding genoten en heeft geen taal- of digitale vaardigheden. Met de zoon van verzoekster gaat het niet goed en hij heeft veiligheid en stabiliteit nodig. Zonder hulp kunnen verzoekster en haar zoon niet uit hun dakloze situatie komen.
- De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. Uit het verslag van de BCT komt naar voren dat met verzoekster en haar nicht in het intakegesprek van 28 maart 2025 over veel onderwerpen is gesproken die betrekking hebben op de actuele situatie van verzoekster (zie rechtsoverweging 11). Wat volgens de voorzieningenrechter echter ontbreekt is een deugdelijk gemotiveerde onderbouwing van de conclusie in het verslag en in het primaire besluit dat geen sprake is van een spoedeisend geval in de zin van artikel 2.3.3 Wmo. Volgens dat artikel worden onder spoedeisend gevallen (mede) begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Uit het verslag van de BCT en de motivering in het primaire besluit blijkt niet dat in de beoordeling is betrokken dat de broer van verzoekster, ook nadat die uit het huis van de nicht is gezet, verzoekster nog zou bedreigen en mishandelen. Volgens verzoekster en haar nicht gebeurt dat niet alleen in de buurt van de woning van de nicht, maar, zoals ter zitting is verklaard, komt de broer van verzoekster nog steeds weleens ongevraagd het huis van de nicht binnen om verzoekster lastig te vallen. Omdat de broer van verzoekster sinds een aantal weken niet meer in het huis van de nicht woont is er op dit moment, zoals door verweerder ter zitting is betoogd, strikt genomen misschien geen situatie meer van huiselijk geweld. Echter, als de situatie nog steeds zo ernstig is als door verzoekster gesteld, dan kan, gelet op de tekst van artikel 2.3.3 Wmo, ook het geweld door de broer rond en in het huis van de nicht met zich brengen dat voor verzoekster en haar zoon terstond opvang op een veilige plek noodzakelijk is. Dit al dan niet in combinatie met de psychische- en gestelde verstandelijke beperkingen van verzoekster alsmede het welzijn van haar zoon. In bezwaar tegen het primaire besluit zal verweerder hiernaar, in samenwerking met verzoekster, nader onderzoek moeten verrichten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er een redelijke kans dat dit nadere onderzoek in bezwaar er toe zal leiden dat, anders dan de BCT heeft gedaan, geconcludeerd moet worden dat voor verzoekster en haar zoon toch noodopvang in de zin van artikel 2.3.3 Wmo noodzakelijk is. Is er reden tot het treffen van een voorlopige voorziening?
- Omdat het bezwaar tegen het primaire besluit een redelijke kans van slagen heeft, ziet de voorzieningenrechter reden het belang van verzoekster en haar zoon bij het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de behandeling van het bezwaar tegen het primaire besluit zwaarder te laten wegen dan het belang van verweerder bij het niet treffen van die voorziening. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt opgedragen verzoekster en haar zoon noodopvang te verlenen gedurende de behandeling van het bezwaar tegen het primaire besluit. Omdat het verzoek wordt toegewezen betekent dat, dat verzoekster recht heeft op een proceskostenvergoeding. De hoogte van die vergoeding bedraagt € 1.814,00 (1 punt voor het verzoek om voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting, wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van €53,00 aan haar te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter;- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;- draagt verweerder op verzoekster en haar zoon noodopvang te verlenen gedurende de behandeling van het bezwaar tegen het primaire besluit; - veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten van € 1.814,00;- draagt verweerder op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,00 aan haar te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 april
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.