RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/352, HAA 23/3735 en HAA 23/4222 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2025 in de zaken tussen Lawn Tennis Club Door Eendracht Macht (LTC DEM), uit Beverwijk, eiseres (gemachtigde: mr. K. van Driel), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk, het college (gemachtigde: T. Rutte). en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Inleiding 1.
- Deze uitspraak gaat over drie beroepszaken die eiseres heeft ingesteld. De drie zaken gaan over verzoeken van eiseres op grond van de Wet open overheid (Woo). 1.
- Het college heeft in de zaak HAA 23/3735 een verweerschrift ingediend. 1.
- In de zaak HAA 23/352 heeft eiseres een nader stuk van 23 januari 2025 ingediend. 1.
- De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] van de Omgevingsdienst IJmond (OD IJmond). 1.
- Eiseres heeft op de zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de rechtbank de Staat aangemerkt als partij in dit geding. Gelet op de desbetreffende beleidsregel, hoeft de Staat niet gevraagd te worden om een reactie op het verzoek. Procesverloop 2.
- Op 29 september 2022 heeft eiseres een Woo-verzoek gedaan bij de OD IJmond (Woo-verzoek I). 2.
- Op 11 november 2022 heeft eiseres nog een Woo-verzoek gedaan bij de OD IJmond (Woo-verzoek II). Op 11 november 2022 heeft eiseres ook een Woo-verzoek ingediend bij het college (Woo-verzoek III). 2.
- Op 16 november 2022 heeft de OD IJmond namens het college een primair besluit genomen op Woo-verzoek I en documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. 2.
- Op 29 december 2022 heeft het college een primair besluit genomen op Woo-verzoek III en documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. 2.
- Omdat een besluit op Woo-verzoek II uitbleef, heeft eiseres de OD IJmond op 30 december 2022 in gebreke gesteld en op 19 januari 2023 beroep niet tijdig beslissen ingesteld bij de rechtbank (HAA 23/352). In de ingebrekestelling heeft eiseres een nieuw Woo-verzoek gedaan (Woo-verzoek IV) 2.
- Op 23 februari 2023 heeft de OD IJmond namens het college een primair besluit genomen op Woo-verzoeken II en IV. De OD IJmond verwijst daarin naar de twee eerdere Woo-besluiten en maakt daarnaast extra documenten gedeeltelijk openbaar. 2.
- Eiseres heeft tegen de drie primaire besluiten bezwaar gemaakt. 2.
- Bij besluit van 10 mei 2023 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 december 2022 gedeeltelijk gegrond verklaard en gegevens alsnog openbaar gemaakt. Hiertegen heeft eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld (HAA 23/3735). 2.
- Bij besluit van 30 mei 2023 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2022 gedeeltelijk gegrond verklaard en verwezen naar gegevens die inmiddels bij het besluit van 29 december 2022 openbaar waren gemaakt. Ook hiertegen heeft eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld (HAA 23/4222). 2.
- Bij besluit van 29 augustus 2023 en dus tijdens het beroep niet tijdig beslissen (HAA 23/352) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2023 ongegrond verklaard. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het beroep niet tijdig beslissen en de beroepen tegen de bestreden besluiten van 23 februari 2023, 10 mei 2023 en 30 mei
- Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
- Het beroep niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. De beroepen tegen besluiten in de zaken HAA 23/352, HAA 23/3735 en HAA 23/4222 zijn ongegrond. De rechtbank veroordeelt daarbij de Staat tot eenmalige uitkering van een schadevergoeding van € 500,- aan eiseres vanwege het overschrijden van de redelijke uitspraaktermijn. In het vervolg van deze uitspraak legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het beroep niet tijdig beslissen 5.
- Eiseres heeft op 19 januari 2023 beroep niet tijdig beslissen ingesteld omdat niet tijdig was beslist op Woo-verzoek II. De OD IJmond heeft namens het college op 23 februari 2023 alsnog een besluit genomen. Eiseres heeft dus geen belang meer bij de beoordeling van haar beroep niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Omdat het belang door toedoen van het college is vervallen, ziet de rechtbank aanleiding om het college wel te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met het beroep heeft gemaakt. 5.
- Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Eiseres heeft bij brief van 14 juli 2023 aangegeven dat zij het niet eens is met het besluit van 23 februari
- Het beroep niet tijdig beslissen brengt dus van rechtswege een beroep mee tegen het besluit van 23 februari 2023 voor zover het Woo-verzoek II betreft. De rechtbank behandelt de beroepsgronden tegen het besluit van 23 februari 2023 gezamenlijk met de beroepen tegen de besluiten van 10 en 30 mei 2023 verderop in de uitspraak. Of het voor het beroep niet tijdig beslissen betaalde griffierecht moet worden vergoed, is afhankelijk van de uitkomst van het beroep tegen het besluit van 23 februari
- 5.
- Vast staat dat eiser ook los bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 februari 2023 en de rechtbank stelt vast dat het college op 29 augustus 2023 een beslissing op dat bezwaar heeft genomen. Echter stond gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb geen bezwaarprocedure open tegen het besluit van 23 februari 2023 voor zover het Woo-verzoek II betreft. De rechtbank heeft het in zoverre van rechtswege ontstane beroep tegen dat besluit niet op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb verwezen naar het college om als bezwaar te worden behandeld. De beslissing op bezwaar van 29 augustus 2023 is ten aanzien van Woo-verzoek II dan ook onbevoegd genomen. De rechtbank vernietigt dat besluit in zoverre. De rechtbank zal het bezwaarschrift tegen het besluit van 23 februari 2023 en de reactie van het college daarop in het besluit van 29 augustus 2023 betrekken bij de beoordeling van het van rechtswege ontstane beroep. De Woo-verzoeken 6.
- Eiseres verzocht in Woo-verzoek I (van 29 september 2022 aan de OD IJmond) om “alle informatie die u heeft over de vermeende geluidsoverlast van de padelbanen te DEM. En om alle communicatie die u heeft met de klagers”. 6.
- In Woo-verzoek II (van 11 november 2022 aan de OD IJmond) verzocht eiseres om “alle informatie die ODIJmond heeft over de (vermeende) geluidsoverlast van de padelbanen van DEM t/m heden. Het gaat dan in ieder geval (niet uitsluitend) om het volgende. DEM wil graag alle notulen/verslagen, e-mails, meldingen, verzoeken om handhaving, klachten, registraties, contacten tussen OD-IJmond en het college (ook Fw-mails) die gaan over de padelbanen. Ergo alle informatie. Gemachtigde (ondergetekende) heeft behoorlijk wat e-mails verstuurd aan de omgevingsdienst over DEM. DEM verzoekt om alle informatie over de afhandeling van deze mails, inclusief ook hier e-mails, registraties, contacten tussen OD-IJmond en het college (ook Fw-mails), besprekingen, toetsen van overgelegde stukken, inclusief concepten, interne mails, etc. DEM wil ook graag alle metingen en onderzoeken die de ODIJmond zelf heeft gedaan, inclusief concepten, invoer in systemen, mails, verslagen over de metingen, bespreking van deze onderzoeken, contacten over de onderzoeken en metingen (bijvoorbeeld met derden). Volgens mevrouw [naam 1] van OD kon de meting van 23 september 2022 pas in november definitief worden gemaakt omdat ‘de medewerker’ afwezig was. DEM ontvangt graag alle informatie hierover. DEM benadrukt dat ze ook alle mails wil zien over de herhaalde verzoeken van gemachtigde om dit rapport te overleggen. Op het rapport van 23 september stond de datum 30 september. DEM verzoekt alle informatie hierover. Gemachtigde heeft ook gevraagd hoe dit kon. Ook [hier] wil DEM graag alle informatie over de afhandeling van deze vraag. De heer [naam 2] heeft omwonenden laten weten dat er geen geluidsnormen worden overschreden. De heer [naam 2] verklaarde dit ook al eerder aan de voorzitter van DEM. DEM wil graag alle informatie hierover.” 6.
- In Woo-verzoek III (van 11 november 2022 aan het college) verzocht eiseres om: “alle informatie die het college heeft over de (vermeende) geluidsoverlast van de padelbanen van DEM t/m heden. Het gaat dan in ieder geval (niet uitsluitend) om het volgende. DEM wil alle notulen/verslagen, wethoudersoverleggen, e-mails, meldingen, verzoeken om handhaving, klachten, registraties, contacten tussen OD-IJmond en het college (ook Fw-mails), die gaan over de padelbanen. Ergo alle informatie. Gemachtigde (ondergetekende) heeft behoorlijk wat e-mails verstuurd aan het college en aan de omgevingsdienst over DEM. DEM verzoekt om alle informatie over de afhandeling van deze mails, inclusief ook hier e-mails, registraties, contacten tussen OD-IJmond en het college (ook Fw-mails), besprekingen, toetsen van overgelegde stukken, inclusief concepten, interne mails, etc.” 6.
- Woo-verzoek IV valt buiten de beroepszaken. De beroepszaken HAA 23/4222 en HAA 23/3735 zijn immers gericht tegen besluiten over respectievelijk Woo-verzoeken I en III en in de beroepszaak HAA 23/352 is alleen ten aanzien van het besluit op Woo-verzoek II van rechtswege beroep ontstaan. Bevoegdheid van het college 7.
- Eiseres voert aan dat de bestreden besluiten van 23 februari en 30 mei 2023 onbevoegd door of namens het college zijn genomen. Zij heeft Woo-verzoeken I en II namelijk ingediend bij de OD IJmond. Dan is niet het college bevoegd om beslissingen over die verzoeken te nemen, maar de OD IJmond. 7.
- De rechtbank volgt het standpunt van het college dat het wel bevoegd is om de besluiten te nemen. In artikel 4.1 van de Woo is bepaald: “Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.” Hieruit volgt dat een besluit op een Woo-verzoek behoort te worden genomen door het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de aangelegenheid waarop het Woo-verzoek betrekking heeft. De OD IJmond is weliswaar een afzonderlijke publiekrechtelijke rechtspersoon met eigen bestuursorganen, maar dit sluit niet uit dat een ander bestuursorgaan verantwoordelijk kan zijn voor het besluit op een Woo-verzoek ingediend bij de OD IJmond. In dit geval is het college verantwoordelijk. De Woo-verzoeken hebben namelijk betrekking op een handhavingstraject tegen eiseres. Zoals het college heeft toegelicht, is de OD IJmond daarbij op grond van een mandaat slechts bevoegd om namens het college handhavingsbesluiten te nemen. De besluiten over de Woo-verzoeken zijn dus terecht door of namens het college genomen. De beroepsgrond slaagt niet. Weglakken van persoonsgegevens 8.
- Eiseres voert aan dat het college mogelijk andere gegevens dan enkel persoonsgegevens onleesbaar heeft gemaakt in de openbaar gemaakte stukken. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat zij geen openbaarmaking van persoonsgegevens wenst. 8.
- De rechtbank heeft op grond van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de ongelakte versies van de openbaar gemaakte stukken. De rechtbank stelt vast dat alleen persoonsgegevens onleesbaar zijn gemaakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Overigens zijn namen van personen die vanwege hun functie in de openbaarheid treden, zoals wethouders van de gemeente Beverwijk en de directeur van de OD IJmond, in de stukken wel openbaar gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. Zijn er meer documenten die onder de Woo-verzoeken vallen? 9.
- Eiseres stelt dat het college en de OD IJmond meer documenten onder zich moeten hebben die onder de Woo-verzoeken vallen, dan nu openbaar zijn gemaakt. Hierbij noemt eiseres: - de interne communicatie van en tussen medewerkers van het college en de OD IJmond over de padel- en tennisbanen van DEM, ook met de betrokken wethouders in de portefeuillehouderoverleggen; - de interne communicatie over de e-mail van de geluidsdeskundige van de OD IJmond van 26 september 2022 over de geluidsmeting van 23 september 2022, waaruit zou blijken dat geen sprake was van een overtreding van de geluidsnormen, - de interne communicatie over een e-mail van een medewerker van het college aan een medewerker van de OD IJmond, waarin wordt gevraagd waarom ‘opeens ook geen gebruik mag worden gemaakt van de tennisbanen’, - de interne communicatie in aanloop naar en tijdens de aan DEM opgelegde last onder dwangsom, en - de afhandeling van de e-mails en Woo-verzoeken van eiseres. 9.
- Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde documenten niet of niet meer onder het bestuursorgaan berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. 9.
- Naar het oordeel van de rechtbank is niet ongeloofwaardig gesteld dat het college en de OD IJmond (gezamenlijk) alle documenten openbaar hebben gemaakt, die zij onder zich hebben en onder de reikwijdte van de Woo-verzoeken vallen. Hierbij is niet gebleken dat zij de zoekslag onvoldoende of onvolledig hebben uitgevoerd. Er zijn immers veel e-mails van betrokken medewerkers en andere (interne) documenten openbaar gemaakt. Eiser heeft aangevoerd dat niet is gezocht bij bepaalde medewerkers en de wethouders. In het verweerschrift in bezwaar en beroep inzake HAA 23/3735 en op de zitting hebben het college en de OD IJmond overtuigend uitgelegd hoe is gezocht. Gezocht is bijvoorbeeld in inboxen en mobiele telefoons van betrokken medewerkers, waarbij is gekeken naar DEM en padelbanen in het algemeen. Voor eiseres is het ongeloofwaardig dat bij bijvoorbeeld overleggen met de wethouders geen notities of actielijsten worden gemaakt. Die documenten zijn nu niet openbaar gemaakt. Op de zitting heeft het college toegelicht dat er intern gemaild wordt als er belangrijke dingen zijn, welk mailverkeer openbaar is gemaakt, en dat niet standaard genotuleerd wordt bij interne overleggen. Wel zijn agenda’s van die overleggen geopenbaard. De rechtbank acht deze uitleg niet ongeloofwaardig. Discussies kunnen los van papier gevoerd zijn, wat ook mag. Eiseres klaagt ook over een gebrek aan andere interne documenten over of in reactie op openbaar gemaakte stukken. Volgens eiseres is het aannemelijk dat per e-mail nog gereageerd is op de door haar genoemde e-mails. Over de geluidsmeting van september 2022 heeft de OD IJmond toegelicht dat die meting niet iets baanbrekends was. De informatie daaromtrent was in lijn met andere stukken. Daarom is daar niet nog uitgebreid per e-mail of op een andere manier over overlegd, aldus de toelichting. Deze uitleg acht de rechtbank niet ongeloofwaardig. De enkele veronderstelling van eiseres dat er logischerwijs nog gereageerd moet zijn op bepaalde e-mails, omdat de inhoud van de mails volgens haar juist wel het onderwerp van de discussie is, is onvoldoende om het bestaan van aanvullende documenten aannemelijk te maken. De discussies over de onderwerpen van de e-mails – als die al hebben plaatsgevonden – kunnen evengoed niet in documenten vervat zijn. Dit geldt ook voor de andere onderwerpen die eiseres naar voren heeft gebracht. De rechtbank concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college en de OD IJmond meer informatie onder zich moeten hebben. De beroepsgrond slaagt niet. Samenhangende zaken in bezwaar 10.
- Eiseres voert aan dat in de besluiten van 10 en 30 mei 2023 ten onrechte is besloten dat de desbetreffende bezwaarzaken samenhangende zaken zijn, en dus ten onrechte voor beide zaken samen in totaal slechts 1 punt voor een bezwaarschrift en 1 punt voor een hoorzitting zijn toegekend als proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 10.
- In artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald dat samenhangende zaken voor de vaststelling van het te vergoeden bedrag worden beschouwd als één zaak. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. 10.
- De rechtbank overweegt dat de Woo-verzoeken I en III iets minder dan twee maanden na elkaar zijn ingediend bij achtereenvolgens de OD IJmond en het college. De primaire beslissingen op de Woo-verzoeken zijn van respectievelijk 16 november en 29 december 2022, waarbij documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. Tegen deze besluiten heeft eiseres op respectievelijk 26 december 2022 en 21 januari 2023 bezwaar gemaakt. Op 5 april 2023 vond de hoorzitting voor beide zaken gelijktijdig plaats. De beslissingen op bezwaar van het college zijn van respectievelijk 30 en 10 mei
- Naar het oordeel van de rechtbank vonden beide procedures daarmee nagenoeg gelijktijdig plaats. De temporele verschillen zijn relatief klein en daarom niet doorslaggevend. Verder overweegt de rechtbank dat eiseres eerst bij de OD IJmond verzoekt om “alle informatie die u heeft over de vermeende geluidsoverlast van de padelbanen te DEM. En om alle communicatie die u heeft met de klagers” en daarna bij het college om “alle informatie die het college heeft over de (vermeende) geluidsoverlast van de padelbanen van DEM t/m heden.” De verschillen tussen beide verzoeken zijn de adressaat en de voorbeelden die eiseres benoemt in het verzoek aan het college. Naar het oordeel van de rechtbank omvat het eerste verzoek ook de voorbeelden die eiseres noemt in het tweede verzoek. In essentie gaan de twee Woo-verzoeken dan ook om dezelfde informatie, namelijk alle informatie over de gestelde overlast van de padelbanen van DEM en de daarop gevolgde handhaving. Daarbij is van belang dat de OD IJmond, zoals hiervoor onder 7.2 overwogen, bij deze aangelegenheid onder de verantwoordelijkheid van het college valt. In beide bezwaarprocedures heeft eiseres aangevoerd dat er meer interne communicatie en verslaglegging moet zijn dan zijn geopenbaard en dat in de openbaar gemaakte stukken ten onrechte delen zijn weggelakt. Het enige wezenlijke verschil is dat eiseres in haar bezwaar tegen het besluit van 16 november 2022 de bevoegdheid van het college ten aanzien van Woo-verzoek I heeft betwist. Daarmee heeft het tweede bezwaar in wezen geen extra werk gevergd. Dit leidt tot de conclusie dat de werkzaamheden van de gemachtigde van eiseres in beide zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarom heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat de bezwaarprocedures zodanige gelijkenissen hebben dat voldaan is aan de voorwaarden uit artikel 3, tweede lid, van het Bpb en dus sprake is van samenhangende zaken. Dat eiseres voor beide zaken in totaal twee punten aan proceskostenvergoeding heeft ontvangen, is dus niet oneigenlijk. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het ten aanzien van Woo-verzoek II onbevoegd genomen besluit van 29 augustus 2023 moet in zoverre worden vernietigd. Omdat het belang bij het beroep niet tijdig beslissen door toedoen van het college is vervallen, heeft eiseres op dit onderdeel recht op een proceskostenvergoeding van het college. De proceskosten worden door de rechtbank op grond van het Bpb voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5). Voor het verschijnen op de zitting wordt geen vergoeding toegekend, aangezien op de zitting het beroep niet tijdig beslissen niet meer behandeld hoefde te worden, nu op 23 februari 2023 alsnog op Woo-verzoek II was beslist.
- De beroepen tegen de besluiten van 23 februari, 10 mei en 30 mei 2023 zijn ongegrond. Dit betekent dat het college in verband met de Woo-verzoeken niet meer informatie openbaar hoeft te maken. Omdat laatstgenoemde drie beroepen ongegrond zijn, krijgt eiseres geen vergoeding van het griffierecht of van de in verband met die beroepen gemaakte proceskosten. 13.
- Op de zitting heeft eiseres in de zaken HAA 23/352 en HAA 23/3735 een verzoek gedaan om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in de zaak HAA 23/352 inderdaad is overschreden, aangezien de rechtbank niet binnen twee jaar na het van rechtswege ontstaan van het beroep tegen het besluit van 23 februari 2023 uitspraak heeft gedaan. Ook in de zaak HAA 23/3735 is de redelijke termijn overschreden, want de rechtbank heeft niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 21 januari 2023 uitspraak gedaan. Omdat het college binnen een half jaar op het bezwaarschrift heeft besloten, is de overschrijding niet aan het college maar aan de rechtbank te wijten. Dit betekent dat de Staat tot een schadevergoeding veroordeeld moet worden. Daarbij wordt een bedrag van € 500,- gehanteerd per half jaar of deel daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. In beide zaken is de termijn met minder dan een half jaar overschreden. Omdat het gaat om gezamenlijk behandelde zaken die in hoofdzaak hetzelfde onderwerp betreffen, komt eiser voor beide zaken samen eenmalig in aanmerking voor de schadevergoeding van € 500,-. 13.
- Omdat eiseres een geslaagd verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, dient de Staat hiervoor ook een proceskostenvergoeding te betalen aan eiseres. In aansluiting op wat hiervoor onder 13.1 is overwogen, worden de desbetreffende zaken op grond van artikel 3 van het Bpb samen als één zaak beschouwd. De proceskosten worden door de rechtbank op grond van het Bpb voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,25). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; vernietigt het besluit van 29 augustus 2023 voor zover het Woo-verzoek II betreft; veroordeelt het college tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres; verklaart de beroepen tegen de besluiten van 23 februari, 10 mei en 30 mei 2023 ongegrond; veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 500,- aan eiseres; veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 april
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Stcrt. 2014,
- Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2148, rechtsoverweging 6.
- Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3379, rechtsoverweging
- Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3571, rechtsoverweging
- Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253, en van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:
- Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:382, rechtsoverweging 34.
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:
- Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.
- Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2, en de uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335, van de rechtbank Oost-Brabant van 13 september 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:4255, van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6126, van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10661, van de rechtbank Den Haag van 3 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21860, van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:9000, en van de rechtbank Limburg van 14 januari 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:158.