RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/360227 / JU RK 24-1903 Datum uitspraak: 9 april 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Haarlem, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] , De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , hierna tezamen ook te noemen: de ouders, de gecertificeerde instelling De Jeugd & Gezinsbeschermers, hierna te noemen: de GI, gevestigd te Haarlem. 1Het verdere verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 januari 2025 en de daarin vermelde stukken; het raadsrapport van de Raad van 31 maart 2025, inhoudende de actuele stand van zaken en wenselijke verdere procesgang, ingekomen bij de rechtbank op diezelfde datum. 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april
- Hierbij zijn verschenen en gehoord: - de vader; de moeder; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ; - de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 1.
- Tijdens de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij het niet aankan om de zitting verder bij te wonen en heeft besloten de zitting vroegtijdig te verlaten. 1.
- De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De verdere beoordeling 2.
- Bij verzoekschrift van 13 december 2024 heeft de Raad (onder meer) verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van negen maanden. Bij beschikking van 24 januari 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 24 januari
- De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is bij voornoemde beschikking verlengd tot 25 april 2025 en voor het overige aangehouden tot onderhavige zitting. De Raad en de GI zijn verzocht om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de zitting de rechtbank schriftelijk te informeren over de huidige stand van zaken en gewenste verdere procesgang. De inhoudelijke behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april
- 2.
- De Raad heeft in haar raadsrapport en ter zitting het volgende naar voren gebracht. Voorafgaand aan de spoedverzoeken tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in oktober 2024 lukte het de ambulante spoedhulp en Veilig Thuis niet om met de moeder in contact te komen. Tot op heden is het op geen enkele manier en door geen enkele instantie gelukt om met de moeder in contact te komen, ook niet na herhaaldelijke pogingen vanuit diverse instanties, het geven van een schriftelijke aanwijzing en de bekrachtiging daarvan. Ook de Raad is het de afgelopen periode niet gelukt om met de moeder in contact te komen. De moeder geeft bij [de minderjarige] aan dat zij niet in contact zal treden en niks zal ondertekenen. Dit maakt dat er nog altijd geen zicht is op de opvoedsituatie bij de moeder en haar opvoedvaardigheden. De zorgen die destijds tot de spoedverzoeken hebben geleid en die in januari 2025 grond waren voor de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing na afloop van de spoedverzoeken, zijn daarom niet weggenomen. Het uitblijven van contact en samenwerking met de moeder zorgt daarnaast voor het stagneren van het contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] en de inschatting van de veiligheid bij de moeder thuis. Het is daardoor ook niet mogelijk om te onderzoeken of, en zo ja, met welke stappen en afspraken er een mogelijkheid is om [de minderjarige] , conform haar wens, weer veilig bij de moeder te laten opgroeien. De Raad zou graag meegaan in de wens van [de minderjarige] om weer thuis te wonen en alles weer zo ‘gewoon mogelijk’ te maken. De Raad vindt echter dat als in de wens van [de minderjarige] wordt meegegaan, er te veel verantwoordelijkheid bij haar ligt die niet passend is bij haar leeftijd en rol in het gezin en er daarbij tevens onvoldoende zicht is op haar veiligheid en ontwikkeling. De Raad blijft daarom bij het standpunt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ook de komende periode noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. 2.
- De Raad merkt tevens op dat nog altijd te zien is dat [de minderjarige] klem zit tussen enerzijds hetgeen de rechtbank, de Raad, de GI en de vader belangrijk vinden en anderzijds wat de moeder en zijzelf willen en wat de moeder van haar verwacht. De loyaliteitsproblematiek die al bestond, wordt hiermee meer op scherp gezet en vraagt veel van [de minderjarige] . Deze zorgen nemen alleen maar toe, omdat [de minderjarige] onduidelijkheid ervaart over haar verblijf, zij steeds meer klem komt te zitten maar hier nog geen hulp voor kan krijgen en zij door de spanningen steeds meer verzuimt van school. [de minderjarige] heeft hulpverlening nodig om nare gebeurtenissen uit het verleden te verwerken, maar deze hulp kan pas starten als zij duidelijkheid heeft en rust ervaart door verblijf op een stabiele plek waar zij langere tijd kan blijven. 2.
- Uit het raadsonderzoek is gebleken dat het voortduren van het gezag van de moeder tot problemen leidt. De moeder voert haar gezag op dit moment niet uit, omdat zij zich onbereikbaar houdt voor de instanties die met [de minderjarige] te maken hebben, maar ook omdat zij geen toestemming geeft voor het aanvragen van een identiteitsbewijs en het openen van een bankrekening voor [de minderjarige] . Dit maakt dat de Raad tevens een verzoek heeft ingediend tot schorsing van het gezag van de moeder. Zoals ter zitting besproken zal dit verzoek binnen afzienbare tijd op een ander moment worden behandeld. 2.
- De GI staat achter het verzoek van de Raad tot toewijzing van het aangehouden deel van het verzoek tot het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het is op dit moment niet mogelijk om [de minderjarige] terug te laten keren naar de moeder. De GI heeft op diverse wijze getracht om met de moeder in contact te komen. In eerste instantie is geprobeerd om de moeder te bellen en om onaangekondigd op huisbezoek te gaan. Toen dit niet het gewenste resultaat bereikte, zijn de contactpogingen geïntensiveerd. De GI hoort via [de minderjarige] en haar oudere zus dat de moeder bij haar standpunt blijft en zich niet laat opdragen wat zij moet doen. Ook de schriftelijke aanwijzing heeft niet tot een verandering geleid in de houding van de moeder. 2.
- De vader staat achter de toewijzing van het resterende deel van het verzoek van de Raad. De vader heeft een goede indruk van de begeleiders van [de minderjarige] op de groep, die haar goed ondersteunen. De vader heeft begrepen dat [de minderjarige] er steeds meer voor openstaat om bij de vader in [land] te wonen. De vader vindt het echter belangrijk dat [de minderjarige] eerst een keer op bezoek komt. De vader loopt hierbij echter tegen het probleem aan dat [de minderjarige] op dit moment geen (geldig) identiteitsbewijs heeft en de moeder geen toestemming geeft voor de aanvraag hiervan. 2.
- De moeder is het niet eens met de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft niks verkeerds gedaan en moet weer thuis komen wonen. De moeder vindt de betrokkenheid van de GI niet nodig en heeft hier dan ook grote moeite mee. De GI is eerder in het verleden langdurig bij de moeder betrokken geweest, waardoor haar leven is verwoest. De moeder wenst dan ook geen contact met de GI, die bepaalt of zij wel of niet moeder kan zijn. 2.
- [de minderjarige] heeft in het kindgesprek met de kinderrechter aangegeven dat het goed met haar gaat. Ze is benieuwd waar ze naartoe gaat, omdat de groep waar ze nu verblijft gaat sluiten. Het liefst wil ze weer bij de moeder wonen, maar als dat niet kan dan, dan wil ze naar een groep bij de moeder in de buurt of in [plaats] . Het contact tussen [de minderjarige] en de moeder is goed en ze mag langsgaan wanneer ze wil. Ook heeft [de minderjarige] goed contact met [zus] en de vader. [de minderjarige] vindt het wel lastig dat de ouders onderling geen goede relatie met elkaar hebben en negatief over elkaar kunnen zijn. 2.
- De kinderrechter is op basis van de stukken en het behandelde ter zitting van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van haar opvoeding en verzorging (art. 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De zorgen die bestonden ten tijde van de spoedverzoeken in oktober 2024 en definitieve ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in januari 2025 zijn nog altijd onverminderd aanwezig. Bij beschikking van 24 januari 2025 is het verzoek van de Raad gedeeltelijk aangehouden om de moeder nogmaals in de gelegenheid te stellen haar medewerking te verlenen, zodat de mogelijkheden voor een thuisplaatsing van [de minderjarige] konden worden onderzocht. Ook op dit moment is het echter op geen enkele wijze gelukt om met de moeder in contact te komen. Dit maakt dat er nog steeds geen enkel dan wel onvoldoende zicht is (verkregen) op de opgroeisituatie van [de minderjarige] bij de moeder en op de opvoedvaardigheden van de moeder. Als gevolg hiervan kan de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder niet worden gegarandeerd en is een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder op dit moment niet aan de orde. Gezien wordt dat [de minderjarige] rust en stabiliteit nodig heeft, mede om toe te komen aan het aangaan van de gespecialiseerde en intensieve hulpverlening die zij nodig heeft. Hoewel [de minderjarige] op de groep [groep] haar plek begint te vinden, is het van groot belang dat er voortvarend wordt gezocht naar een toekomstbestendige plek waar zij verder tot rust kan komen en de nodige therapieën en behandelingen aan kan gaan. De moeder heeft nadrukkelijk aangegeven niet achter de uithuisplaatsing van [de minderjarige] te staan en geen samenwerking aan te zullen gaan met de GI. Dit maakt dat het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is om haar huidige plek en de vervolgplek te waarborgen. De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek van de Raad tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] toewijzen zoals verzocht. 3De beslissing De kinderrechter: 3.
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 oktober 2025; 3.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.E. van Veen als griffier, en op schrift gesteld op 15 april
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.