← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:4383

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/363369 / JU RK 25/413 Datum uitspraak: 14 april 2025 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat van de ouders: mr. E.J. Coxon, kantoorhoudende in Utrecht. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 24 maart 2024, ontvangen op 25 maart 2025; de brief van de GI van 24 maart 2025, ontvangen op 25 maart
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april
  4. Hierbij waren aanwezig: - de ouders, bijgestaan door hun advocaat; - [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordiger van de GI. 2De feiten 2.
  5. De ouders zijn met elkaar gehuwd. [de minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . 2.
  6. [de minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 2.
  7. De kinderrechter heeft [de zoon van de ouders] (de zoon van de ouders) en [de minderjarige] bij beschikking van 25 maart 2024 voorlopig onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is vervolgens definitief uitgesproken en duurt nu nog tot 14 juni
  8. 2.
  9. Bij beschikking van 25 maart 2024 heeft de kinderrechter ook een spoedmachtiging verleend om [de zoon van de ouders] en [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. Op 4 april 2024 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen tot 17 april
  10. 2.
  11. Bij beschikking van 17 april 2024 heeft de kinderrechter opnieuw een machtiging verleend om zowel [de zoon van de ouders] als [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 25 juni
  12. Vervolgens heeft de kinderrechter op 14 juni 2024 ten aanzien van [de minderjarige] een machtiging verleend om haar uit huis te plaatsen in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin of gezinshuis) tot 23 juli
  13. 2.
  14. De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 juli 2024 het verzoek tot een machtiging om [de zoon van de ouders] opnieuw uit huis te plaatsen afgewezen. Ten aanzien van [de minderjarige] heeft de kinderrechter een machtiging verleend om haar uit huis te plaatsen in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin of gezinshuis) voor de duur van drie maanden, te weten tot 23 oktober
  15. Bij beschikking van 2 oktober 2024 is voor [de minderjarige] opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 25 maart
  16. 3Het verzoek van de GI 3.
  17. De GI verzoekt de kinderrechter toestemming te verlenen om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te continueren voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 juni 2025, en verzoekt deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aangezien de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] op 25 maart 2025 is verlopen, verzoekt de GI primair het verlengen van de machtiging en subsidiair het verlenen van een nieuwe machtiging. De GI heeft haar verzoek als volgt gemotiveerd. 3.
  18. De GI ziet dat er nog steeds sprake is van de volgende ontwikkelingsbedreigingen: overbelasting van de moeder en haar moeite om grenzen op een passende manier te stellen; alcoholgebruik en beperkte betrokkenheid van de vader; pedagogische onmacht van de ouders, wat leidt tot onvoldoende structuur en begrenzing voor [de minderjarige] ; onvoldoende ondersteuning en stimulans van de ouders in [de minderjarige] ’s ontwikkeling, wat haar groei belemmert. 3.
  19. Op dit moment is de thuissituatie bij de ouders onvoldoende veilig en stabiel, omdat de ouders onvoldoende kunnen aansluiten bij de zorg- en opvoedbehoeften van [de minderjarige] . Daarnaast ontbreekt het in de thuissituatie bij de ouders aan structuur en grenzen. Om zich veilig te voelen en tot ontwikkeling te komen, heeft [de minderjarige] een stabiele en voorspelbare omgeving nodig. Dit wordt haar in het pleeggezin geboden, waardoor zij grote stappen zet in haar ontwikkeling, vooral op het gebied van taal en spraak. Het is onduidelijk of de ouders (met de juiste hulpverlening en begeleiding) in staat zullen zijn [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. De GI heeft de ouders in dat kader aangemeld voor een gezinsbehandeling bij GGZ [provincie] . Ter zitting heeft de GI aangegeven dat vanaf 25 mei 2025 gestart kan worden met de gezinsopname. Om het contact tussen [de zoon van de ouders] en de ouders te herstellen zal vanaf die datum eerst een alternatief traject van vier weken plaatsvinden, daarna zal [de minderjarige] aansluiten bij het gezin en start de opname voor de ouderschapsbeoordeling. Uit deze beoordeling zal blijken of de ouders de kinderen kunnen bieden wat zij nodig hebben en waar de kinderen verder zullen opgroeien. Tot daarover meer duidelijk is, blijft de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om [de minderjarige] ’s veiligheid en ontwikkeling te waarborgen. 4Het standpunt van de ouders Door en namens de ouders is ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De ouders willen graag dat [de minderjarige] weer naar huis komt, maar zien in dat opnieuw een verandering voor [de minderjarige] op dit moment niet in haar belang is. Wel hopen dat de ouders dat in de periode tot de gezinsopname meer omgangmomenten met [de minderjarige] kunnen worden georganiseerd, zodat de band tussen de (individuele) ouders en [de minderjarige] en de gehechtheidsrelatie niet (verder) wordt geschaad. 5De beoordeling 5.
  20. Uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is geweest, volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en dat voldaan is aan de wettelijke criteria, genoemd in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor is het volgende redengevend. 5.
  21. Voor de kinderrechter staat ook nu nog vast dat [de minderjarige] op dit moment niet terug naar de ouders kan. In de thuissituatie bij de ouders kan onvoldoende worden toegekomen aan de zorg- en opvoedbehoeften en de persoon van [de minderjarige] . Daarbij is de opvoedomgeving bij de ouders nog onvoldoende stabiel en veilig, waardoor het risico dreigt dat [de minderjarige] ’s ontwikkeling nog verder ernstig wordt geschaad. [de minderjarige] is in maart 2024 met spoed uit huis geplaatst. Sindsdien heeft zij vele wisselingen meegemaakt en in verschillende (crisis)pleeggezinnen verbleven. De kinderrechter vindt het dan ook heel positief dat [de minderjarige] nu in een bestendig pleeggezin verblijft, waar haar ontwikkeling wordt gestimuleerd. Omdat er nog altijd onduidelijkheid bestaat over de opvoedvaardigheden van de ouders en de mogelijkheden voor een eventuele thuisplaatsing, mede gelet op de aanstaande gezinsbehandeling en ouderschapsbeoordeling bij GGZ [provincie] , acht de kinderrechter het van belang dat [de minderjarige] ’s plaats in het pleeggezin vooralsnog wordt gewaarborgd. 5.
  22. Nu de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verlopen, zal de kinderrechter het subsidiaire verzoek van de GI, te weten het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin), toewijzen, en wel voor de duur van de ondertoezichtstelling. Dit betekent dat de machtiging zal worden verleend tot 14 juni
  23. 5.
  24. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  25. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin), met ingang van 14 april 2025 tot 14 juni 2025, te weten de einddatum van de lopende ondertoezichtstelling; 6.
  26. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2025 door mr. J. Lintjer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgelegd en ondertekend op 17 april
  27. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.