← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:4392

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/357447 / JU RK 24/1452 Datum uitspraak: 17 april 2025 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. A. Krim, kantoorhoudende in Haarlem, en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders. 1Het verdere verloop van de procedure De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 17 december 2024 en de daarin genoemde stukken; de brief van de GI van 1 april 2025, inhoudend de huidige stand van zaken en het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling, ontvangen op 3 april 2025; de brief van de advocaat van de moeder, ontvangen op 3 april 2025; de brief met bijlage van de advocaat van de vader, ontvangen op 9 april

  1. 2De verdere beoordeling De beschikking van 17 december 2024 2.
  2. De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 december 2024 de behandeling van het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] aangehouden voor de duur van vier maanden. Daarbij heeft de kinderrechter de GI en de advocaten van de ouders verzocht de rechtbank voor de nieuwe zittingsdatum te informeren over de huidige stand van zaken, waaronder het verloop van het diagnostisch onderzoek, de standpunten ten aanzien van visiewijziging van de moeder op de thuisplaatsing van [de minderjarige] en de verdere wenselijke procesgang. De standpunten 2.
  3. De GI heeft in haar brief van 1 april 2025 uiteengezet welke stappen er de afgelopen vier maanden zijn gezet. Uit de brief van de GI blijkt dat het diagnostisch onderzoek vanuit Family Supports voor [de minderjarige] is gestart en naar verwachting eind april of begin mei zal worden afgerond. Tegelijkertijd blijkt dat de zorgen over het gedrag van [de minderjarige] de afgelopen periode zijn toegenomen. Gezien wordt dat [de minderjarige] terugvalt in eerder negatief en vermijdend gedrag. Het is onduidelijk of de opvoedsituatie bij de vader voldoende aansluit bij wat [de minderjarige] nodig heeft. De resultaten van het diagnostisch onderzoek zijn noodzakelijk om te kunnen bepalen wat het beste is voor [de minderjarige] , maar laten nog op zich wachten. Gelet hierop meent de GI nog geen standpunt in te kunnen nemen over het aangehouden verzoek en verzoekt de GI de rechtbank de behandeling van het verzoek uit te stellen tot een zitting uiterlijk eind mei
  4. 2.
  5. De moeder heeft zich niet verzet tegen het uitstelverzoek van de GI, zo volgt uit het bericht van de advocaat van de moeder van 3 april. De moeder acht de geplande zitting niet van toegevoegde waarde. De resultaten van het diagnostisch onderzoek van [de minderjarige] dienen te worden afgewacht, zodat deze ook besproken kunnen worden op de zitting. 2.
  6. Ook de vader verzet zich niet tegen het uitstellen van de mondelinge behandeling. Anders dan de GI en de moeder is de vader wel van mening dat de mondelinge behandeling zou moeten worden uitgesteld tot september
  7. Zo is er voldoende tijd voor het doorlopen van het diagnostisch onderzoek, dat naar alle waarschijnlijkheid nog even zal duren. Daarbij geldt verder dat [de minderjarige] na de zomervakantie start op de middelbare school. [de minderjarige] moet in staat worden gesteld in alle rust toe te werken naar het nieuwe schooljaar in de brugklas. Een mondelinge behandeling in deze periode zal onrust teweegbrengen en voorkomen dat [de minderjarige] zich in alle rust kan voorbereiden op deze verandering. Tot slot is redengevend dat de vader in de zomervakantie op vakantie gaat. De beoordeling 2.
  8. De kinderrechter heeft kennisgenomen van de standpunten van de GI, de moeder en de vader en overweegt als volgt. 2.
  9. Gebleken is dat [de minderjarige] in toenemende mate zorgwekkend gedrag vertoont. Om de veiligheid van [de minderjarige] en de moeder te waarborgen, is de omgang tussen hen inmiddels gestaakt. Ook de school van [de minderjarige] maakt zich grote zorgen over het toegenomen negatieve gedrag wat [de minderjarige] laat zien. Het diagnostisch onderzoek van [de minderjarige] vanuit Family Supports bevindt zich in de kinderschoenen, waardoor de oorzaak van de (gedrags)problematiek van [de minderjarige] nog steeds onduidelijk is. Naar het oordeel van de kinderrechter zijn de resultaten van het diagnostisch onderzoek noodzakelijk voor de beantwoording van de voorliggende vraag of de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter wil dan ook de resultaten van het onderzoek afwachten voordat zij een beslissing neemt op het verzoek. In die omstandigheid ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aan te houden. Gelet op de toegenomen (gedrags)problematiek van [de minderjarige] vindt de kinderrechter het van belang dat op korte termijn zal worden bekeken wat in [de minderjarige] belang noodzakelijk is. Anders dan namens de vader verzocht, zal de kinderrechter gelet hierop de beslissing op het verzoek aanhouden tot een zitting uiterlijk begin juni
  10. 2.
  11. De kinderrechter verzoekt de GI de rechtbank uiterlijk twee weken voor de nieuwe zitting te berichten over de actuele stand van zaken, de uitkomsten van het diagnostisch onderzoek en daarbij of het verzoek wordt gehandhaafd. 3De beslissing De kinderrechter: 3.
  12. houdt de beslissing over de uithuisplaatsing aan tot een nader te bepalen zitting uiterlijk begin juni 2025; 3.
  13. verzoekt de GI om de rechtbank schriftelijk te berichten over het verloop van ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, de actuele stand van zaken, de bevindingen uit het diagnostisch onderzoek en of het verzoek wordt gehandhaafd; 3.
  14. bepaalt dat het schriftelijke bericht uiterlijk twee weken voor de nieuwe zitting door de rechtbank ontvangen dient te zijn; 3.
  15. bepaalt dat de griffier de GI, (de advocaat van) de moeder en (de advocaat van) de vader zal oproepen voor de nieuwe zitting en [de minderjarige] zal oproepen voor een gesprek met de kinderrechter. Deze beslissing is gegeven door mr. J. Lintjer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025 in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.