← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:5565

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 22/2440 en HAA 23/6870 uitspraak van de meervoudige douanekamer van 10 april 2025 in de zaken tussen [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigden: mr. M.C. van de Leur en mr. J.M. Wolfs) en de inspecteur van de Douane, verweerder Inleiding Eiseres heeft op 24 oktober 2006, voor zover nu nog van belang, verzocht om terugbetaling op grond van artikel 239 van het Communautair douanewetboek (CDW) van een bedrag van € 254.443,30 uit een uitnodiging tot betaling (utb) van 2 maart

  1. Verweerder heeft op 22 april 2021 het verzoek afgewezen (primair besluit 1). Eiseres heeft op 1 juni 2021 hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft met de uitspraak op bezwaar (uob 1) van 3 maart 2022 het bezwaar gegrond verklaard omdat de voornemenprocedure zoals voorgeschreven in artikel 22, zesde lid, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) niet correct is gevolgd. Verweerder heeft verder meegedeeld dat op het verzoek nogmaals zal worden beslist. Daarnaast ziet verweerder in de door eiseres ingebrachte argumenten geen aanleiding om het verzoek tot terugbetaling te honoreren. Eiseres heeft tegen uob 1 op 31 maart 2022 beroep ingesteld (zaaknummer HAA 22/2440). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 22 december
  2. Verweerder heeft bij primair besluit van 2 december 2022 (primair besluit 2) het verzoek om terugbetaling wederom afgewezen. Het bezwaar van eiseres van 20 december 2022 heeft verweerder met de uitspraak op bezwaar van 6 september 2023 (uob 2) ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen uob 2 op 1 oktober 2023 beroep ingesteld (HAA 23/6870). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 28 januari
  3. Verweerder heeft op 6 februari 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend in het beroep met zaaknummer HAA 22/
  4. Eiseres heeft op 6 februari 2025 in de beroepen een nader stuk overgelegd. Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft plaatsgevonden op 25 februari
  5. Namens eiseres is verschenen [naam 1] , vergezeld van mr. J.M. Wolfs en mr. M.C. van de Leur. Namens verweerder zijn verschenen mr. [naam 2] en [naam 3] . De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld. Feiten Tussen 11 maart 2005 en 13 april 2005 zijn in opdracht van eiseres door [bedrijf 1] B.V. in eigen naam en voor eigen rekening vijf aangiften gedaan voor de invoer van verse knoflook met aangegeven (preferentiële) oorsprong Turkije. Na onderzoek heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de knoflook niet van oorsprong was uit Turkije. Hierop heeft verweerder op 2 maart 2006 een utb van € 254.443,30 aan douanerechten op landbouwproducten aan eiseres uitgereikt, op de grond dat zij de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens had verstrekt terwijl zij wist of had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren (artikel 201, derde lid, van het CDW, gelezen in samenhang met artikel 54 van het Douanebesluit). Eiseres heeft op 24 oktober 2006 een verzoek om terugbetaling ingediend. Conform afspraak tussen partijen is de behandeling van dit verzoek aangehouden totdat de uitspraak op bezwaar over de douaneschuld onherroepelijk vaststond. Met betrekking tot de utb zijn meerdere procedures gevoerd bij de rechtbank, het Gerechtshof en de Hoge Raad. In rechtsoverweging 5.1 van de uitspraak van het Gerechtshof van 21 mei 2019, wordt vastgesteld dat de utb van 2 maart 2006 ten bedrage van € 254.443,30, niet langer in geschil is. Eiseres heeft ter zitting op 25 februari 2025 bevestigd dat deze utb onherroepelijk is komen vast te staan. Hoewel de utb, gelet op de uitspraak van 21 mei 2019 niet langer in geschil was, acht de rechtbank onderstaande feitenvaststelling ook daarvoor van belang.
  6. In het arrest van 26 juni 2020 heeft de Hoge Raad in r.o. 3.5.
  7. het volgende overwogen [schuingedrukt door de rechtbank]: “Opmerking verdient dat vernietiging van de hiervoor in 3.5.4 bedoelde uitnodigingen tot betaling vanwege de schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet betekent dat een aan elk van die uitnodigingen tot betaling ten grondslag liggende boeking van de douaneschuld van rechtswege vervalt. Uit hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, volgt dat onherroepelijk vaststaat dat de bij die uitnodigingen tot betaling geheven douanerechten zijn verschuldigd en dat zij terecht zijn geboekt. Voorts volgt hieruit dat belanghebbende voor die douanerechten schuldenaar is (artikel 201, lid 3, van het CDW in samenhang gelezen met artikel 54 van het Douanebesluit). Het staat de Inspecteur vrij opnieuw uitnodigingen tot betaling vast te stellen en aan belanghebbende te doen uitreiken ter zake van deze douaneschulden.”
  8. In de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 november 2015 heeft het Gerechtshof – voor zover van belang – het volgende overwogen [schuingedrukt door de rechtbank]: 5.7.
  9. Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur naar ’s Hofs oordeel aannemelijk gemaakt dat [naam 1] wist dat de door hem aangekochte knoflook niet van oorsprong was uit de oorsprongslanden vermeld in de handels- en oorsprongsbescheiden. (…) 5.8.
  10. Uit het overwogene onder 5.7 volgt dat belanghebbende niet te goeder trouw was, omdat zij op het moment van aangiften wist dat de opgegeven oorsprong onjuist was, zodat reeds om die reden het beroep op artikel 220 van het CDW faalt.
  11. In de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2019 heeft het Gerechtshof – voor zover van belang – het volgende overwogen [schuingedrukt door het Gerechtshof en de rechtbank]: 3.1 De rechtbank heeft in haar uitspraak de feiten als volgt vastgesteld (belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’): (…) 2.16.
  12. [naam 4] , voormalig adjunct-directeur van eiseres, heeft op 15 september 2005 onder andere het volgende verklaard: “Vanuit het personeel wist iedereen wat er gebeurde met de Chinese knoflook. Het kwam niet uit deze landen maar uit China en het ging dan via deze landen. Administratief was het voor de firma [eiseres] BV geen Chinese knoflook maar knoflook uit een eerder genoemd land. De knoflook werd door [naam 1] gekocht bij zijn Chinese kanaal. Als alternatief land van oorsprong pakte [naam 1] landen waar knoflook werd geteeld. Na Maleisië werd ieder jaar een ander land gezocht. Hierdoor was het eigenlijk altijd goed als er eerder problemen waren geweest met dat land. Dit alles was natuurlijk alleen op papier. Wij zeiden altijd een tomaat, appel of een bolletje knoflook praat toch niet. [naam 5] moest alleen de papieren dan kloppend maken. Op papier was natuurlijk alles voor elkaar maar de knoflook kwam natuurlijk uit China. Hij heeft dit ongetwijfeld bewust gedaan. Hij zocht altijd het randje. Dit gebeurde met alle handel. Hij zocht altijd een betere manier om goedkoop in te kopen of meer marge te zetten dan gebruikelijk was. Dit kan je ook zien in de bedrijfsresultaten van [eiseres] . Hij gaat net zover dat iemand stop zegt. Als niemand dit zegt dan mag het volgens hem. De klanten en de afnemers wisten dit ook. Als ik knoflook verkocht dan wist ik dat dit Chinese knoflook was. De klanten kochten Chinese knoflook die op papier met een ander land van oorsprong werd gekocht. Chinese knoflook herken je aan de blankheid (wit), schoonheid, de geur, loof en wortels kort afgesneden. Iedere klant kan dit zien, ook bijv. [bedrijf 2] ” (…) 3.2.1 Tot de gedingstukken behoort een verklaring van [naam 4] , opgesteld op 12 november 2013 te [vestigingsplaats] , waarin onder meer het volgende is opgenomen: “Middels deze verklaring wil ik [mijn] verklaring van 15 september 2005 (Hof: zie rechtbankuitspraak onder 2.16.4) herzien // verduidelijken. Op 15 september 2005 heb ik gesproken met de FIOD. Vanaf het begin af aan was de toon dreigend. Sterker nog, het gesprek voorafgaand aan de bespreking van 15 september was van dien aard dat als ik niet zou meewerken, zij mij zouden komen halen. Ze waren mijn naam ook tegen gekomen en zeiden dat ik behoorlijke problemen kon gaan krijgen. Volgens de FIOD was er namelijk gefraudeerd en omdat ik er volgens de FIOD van af wist zou ik mij ook bij de strafrechter moeten gaan verantwoorden. Er werd gedreigd met een gevangenisstraf. Om er vanaf te zijn en omdat die [naam 6] ook zei dat ik dan niet vastgehouden zou worden, heb ik wat dingen over knoflook besproken. Hij heeft mij geconfronteerd met valse verklaringen van andere personeelsleden van [eiseres] en hij heeft de woorden in de mond gelegd van hetgeen verklaard moest worden. (…) Ik moet ook bekennen dat het niet zo is dat [naam 1] ieder jaar een alternatief land van oorsprong pakte. Maleisië is door de FIOD genoemd, maar ik wist daar niks van. Dat was voor mijn tijd. Dat geldt ook voor Iran en Turkije. Wel weet ik dat wij een keer zelf Russische knoflook ingekocht hebben. Van de Russische knoflook die [naam 1] . heeft gekocht, weet ik verder niets, alleen maar dat die gekocht is. Wat verder hierover geschreven staat in mijn verklaring is op verzoek van de FIOD. Zij wilden dat allemaal erin hebben. (…) Ik heb ook in de mond gelegd gekregen en toen maar laten opschrijven, hoewel onjuist, dat [naam 1] . dat ongetwijfeld bewust gedaan heeft, dat hij altijd het randje zocht en dat dat gebeurde met alle handel. (…) Dat ze nu zeggen dat [naam 1] . wetenschap had dat de knoflook van een andere oorsprong was dan de aangegeven oorsprong, dan klopt dat niet. Ik kan daarover in elk geval niets verklaren: wat ik daarover heb gezegd, is onjuist.” (…) 6.
  13. (…) Belanghebbende heeft betwist dat zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de door haar aan de aangever verstrekte gegevens onjuist waren. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vereiste wetenschap bij [naam 1] . niet aanwezig was en, zo dit anders mocht zijn, dat de wetenschap van [naam 1] . niet aan haar kan worden toegerekend. Het Hof overweegt ter zake als volgt. 6.
  14. Zoals aangehaald door de rechtbank onder 2.16.4 heeft [naam 4] , voormalig adjunct-directeur van belanghebbende, op 15 september 2005 verklaard dat de door belanghebbende ingevoerde knoflook niet uit de aangegeven oorsprongslanden afkomstig was maar uit China, dat de knoflook werd aangekocht door [naam 1] . en dat [naam 1] . telkens een ander omleidingsland uitzocht. Het Hof hecht geloof aan deze verklaring, nu deze bevestiging vindt in diverse stukken van het geding, waaronder de door de rechtbank onder 2.3 (Turkije), 2.4 (Rusland), 2.5 (Turkije) en 2.10 (Egypte) aangehaalde gedingstukken. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ter verklaring van voormelde en andere belastende gedingstukken kan het Hof niet overtuigen. Het Hof volgt belanghebbende evenmin in haar stelling dat [naam 1] . juist zijn uiterste best heeft gedaan om er voor te zorgen dat de goederen daadwerkelijk van oorsprong waren uit het aangegeven oorsprongsland. Uit de stukken van het geding volgt enkel dat [naam 1] . zich heeft ingespannen om er voor te zorgen dat op papier alles in orde was (vgl. de door de rechtbank onder 2.6 en 2.8 aangehaalde gedingstukken). 6.
  15. Eén van de betrokken opsporingsambtenaren van de FIOD-ECD, [naam 6] , heeft ter zitting van 24 maart 2015 bij het Hof gesteld dat [naam 4] zijn verklaring in alle vrijheid heeft afgelegd en dat hij, nu hij als eerste van alle betrokkenen is gehoord, ook niet kan zijn ‘gestuurd’ in zijn verklaringen. [naam 4] is tijdens het verhoor ‘leeggelopen’, aldus de opsporingsambtenaar. Mede in het licht van voormelde uitlatingen van de opsporingsambtenaar, die het Hof geloofwaardig acht, hecht het Hof geen geloof aan de herroeping door [naam 4] van zijn tegenover de FIOD-ECD afgelegde verklaring (zie 3.2.1). 6.
  16. Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur naar ’s Hofs oordeel aannemelijk gemaakt dat [naam 1] . wist dat de door hem aangekochte knoflook niet van oorsprong was uit de oorsprongslanden vermeld in de handels- en oorsprongsbescheiden. 6.
  17. Ten tijde van de desbetreffende knoflookaankopen en -aangiften was [naam 1] . blijkens het Handelsregister (enig) directeur van [bedrijf 3] BV , welke BV op haar beurt (enig) directrice van belanghebbende was. [naam 1] . was daarmee volledig bevoegd om belanghebbende in rechte te binden, zodat zijn handelen en zijn wetenschap, anders dan belanghebbende heeft betoogd, volledig dient te worden toegerekend aan belanghebbende. (…)” Geschil
  18. In geschil is of verweerder reeds bij gegrondverklaring van het bezwaar tot terugbetaling moet overgaan. Voorts is in geschil of verweerder het verzoek om terugbetaling terecht heeft afgewezen. Beoordeling door de rechtbank Strijd met de goede procesorde/verdedigingsbeginsel?
  19. Eiseres stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door eerst op 28 januari 2025 de stukken van het geding en een verweerschrift over te leggen in het beroep met zaaknummer HAA 23/6870 en vervolgens een aanvullend verweerschrift over te leggen in het beroep met zaaknummer HAA 22/2440 waarin verwezen wordt naar uitspraken die niet gepubliceerd zijn, zonder deze bij te voegen. Hierdoor is het recht op verdediging geschaad.
  20. De rechtbank herhaalt, zoals eiseres ook bij brief van 13 februari 2025 is medegedeeld, dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet de mogelijkheid biedt het verweerschrift buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde, zoals eiseres heeft verzocht. Ten aanzien van de stukken van het geding stelt de rechtbank vast dat deze op 29 januari 2025 zijn ontvangen en vervolgens zijn doorgestuurd naar gemachtigde van eiseres. De rechtbank stelt vast dat eiseres voorafgaand aan de zitting weliswaar heeft verzocht om extra spreektijd, maar niet om een langere voorbereidingstijd (bijvoorbeeld door middel van een verzoek om aanhouding). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de op de zaak betrekking hebbende stukken eiseres uit de procedures voorafgaand aan het beroep bekend waren. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aan de hand van een 30 pagina’s tellende pleitnota, en daarmee de voor de behandeling van de zaken gereserveerde tijd meer dan geheel benuttend, uitvoerig kunnen reageren op alle standpunten van verweerder. Gelet daarop kan niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van strijd met de goede procesorde en strijd met het verdedigingsbeginsel. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Procedureel
  21. In het beroep met zaaknummer HAA 22/2440 stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder nadat hij haar bezwaarschrift bij besluit van 3 maart 2022 gegrond heeft verklaard, daarbij ten onrechte niet heeft besloten op het verzoek tot terugbetaling, zoals door haar verzocht, met vergoeding van rente. In het beroep met zaaknummer HAA 23/6870 is dat standpunt ook ingenomen.
  22. Deze grond slaagt deels. Daartoe wordt het volgende overwogen.
  23. Artikel 7:11 van de Awb luidt als volgt:
  24. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
  25. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
  26. Zoals ook volgt uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechtelijke colleges sinds de inwerkingtreding van de Awb, vereist artikel 7:11, eerste lid, van de Awb een volledige heroverweging van het primaire besluit. Een primair besluit wordt in bezwaar in volle omvang heroverwogen en deze heroverweging op recht- en doelmatigheid biedt de gelegenheid fouten te herstellen. De aard van de bezwaarschriftprocedure brengt mee dat het bestuursorgaan vele gebreken van formele aard in de bezwaarschriftprocedure kan herstellen. Gedacht kan worden aan het alsnog horen van een belanghebbende, of zoals in de onderhavige zaak, het herstellen van een gebrek in de voornemenprocedure (voorafgaand aan de beslissing op het verzoek om terugbetaling).
  27. Daarbij kan worden opgemerkt dat artikel 7:11 van de Awb niet alle ‘dicta’ vermeldt waarmee de bezwaarschriftprocedure kan eindigen. Volstaan wordt met de vermelding van de mogelijkheid van herroeping, eventueel gecombineerd met het nemen van een nieuw besluit. Behoudens de keuze voor het herroepen van het dictum indien een primair besluit naar aanleiding van de heroverweging wordt gewijzigd, is de keuze voor dicta voor het afdoen van een ontvankelijk bezwaar, vrij. Een en ander betekent dat een bezwaarschriftprocedure dient te eindigen met een niet-ontvankelijk verklaren, een herroepen van het primaire besluit en zo nodig nemen van een nieuw besluit, een uitsluitend herroepen van het primaire besluit of een ongegrond verklaren van het bezwaar.
  28. Hoofdregel daarbij is dat herroeping van het bestreden primaire besluit en het zo nodig nemen van een nieuw besluit (daargelaten in dit geval niet van toepassing zijnde uitzonderingen) gelijktijdig moet geschieden. De zogenoemde gesplitste of getrapte besluitvorming, waarbij eerst het primaire besluit wordt herroepen en/of het bezwaar gegrond wordt verklaard en vervolgens op een later moment een vervangend besluit wordt genomen, is in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Daaraan ligt ten grondslag dat na de enkele gegrondverklaring van het bezwaar zonder dat inhoudelijk nieuwe besluitvorming heeft plaatsgevonden, de rechtzoekende niet weet waar hij of zij aan toe is en aldus in zijn of haar belangen is geschaad.
  29. Daargelaten dat uob 1 innerlijk tegenstrijdig is omdat daarin naast de inhoudelijke afwijzing van het verzoek tevens wordt overwogen dat op het verzoek nogmaals zal worden beslist, is de handelwijze van verweerder in dit geval in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb nu sprake is van gesplitste of getrapte besluitvorming zoals hiervoor beschreven. Verweerder had alvorens op het bezwaar van 1 juni 2021 te beslissen het gebrek ter zake van de voornemenprocedure dienen te herstellen, en in één besluit (uob) na een volledige heroverweging ook gelijktijdig op het verzoek om terugbetaling dienen te beslissen. Dat had eiseres aldus het opnieuw doorlopen van een gehele rechtsgang en het tweemaal moeten instellen van beroep bespaard, en zo had zij het materiële geschil eerder aan de rechter kunnen voorleggen. Het beroep in procedure HAA 22/2440 is om die reden gegrond.
  30. Indien tussen het onvolledige besluit op bezwaar (uob 1) en het later genomen vervangende besluit (primair besluit 2) een onverbrekelijke samenhang bestaat, hetgeen zich in dit geval voordoet, vormen zij samen de samenstellende bestanddelen van de in heroverweging genomen uitspraak op bezwaar. Uob 1 in procedure HAA 22/2440 en primair besluit 2 in procedure HAA 23/6870 vormen dus samen de uitspraak op bezwaar waartegen reeds in procedure HAA 22/2440 beroep is ingesteld. Hieruit volgt dat primair besluit 2 in zoverre geen primair besluit betreft, en verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, aangezien het systeem van de Awb, zoals hiervoor omschreven, daaraan in de weg staat. Om die reden is ook het beroep in procedure HAA 23/6870 gegrond.
  31. Voor zover in procedure HAA 22/2440 is aangevoerd dat reeds om de enkele reden dat in uob 1 het bezwaar gegrond is verklaard, het verzoek daarmee is “afgehandeld” en verweerder tot terugbetaling had moeten overgegaan, volgt de rechtbank eiseres niet. Daarvoor is in de Awb noch in de van toepassing zijnde materiële wetgeving een aanknopingspunt te vinden. Daarbij kan worden opgemerkt dat in artikel 7:11 van de Awb aan het dictum gegrond in zoverre geen betekenis toekomt, nu het dat dictum niet kent.
  32. Hetgeen partijen overigens anders dan hiervoor hebben betoogd, kan niet worden gevolgd.
  33. Ten behoeve van de hierna volgende materiële beoordeling van de na bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek om terugbetaling, stelt de rechtbank vast dat daaraan ten grondslag ligt wat verweerder heeft besloten in uob 1 tezamen met het primaire besluit 2, alsook dat wat is besloten in uob
  34. Die beoordeling zal hierna onder “Materieel” plaatsvinden op grondslag van hetgeen in het beroep tegen uob 2 daartegen is aangevoerd. De rechtbank zal echter eerst nog ingaan op de grond dat verweerder nalaat alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Heeft verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
  35. Eiseres stelt zich in 2.1.
  36. van het beroepschrift op het standpunt dat verweerder heeft nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Als gevolg daarvan zijn het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging geschaad, aldus eiseres. Daaraan legt zij ten grondslag dat sprake is van één Belastingdienst, en dat de zich bij de FIOD bevindende stukken, en ook bij derden (bijvoorbeeld de stukken die betrekking hebben op de firma [bedrijf 4] zoals genoemd in pt. 4 p. 24 van het beroepschrift), door verweerder daar dienen te worden opgevraagd.
  37. De rechtbank stelt voorop dat anders dan eiseres kennelijk meent, verweerder niet kan worden vereenzelvigd met de FIOD. Dat verweerder aldus alle zich onder “de Belastingdienst” bevindende stukken ter beschikking zouden staan, is dus onjuist. Uit het betoog van eiseres volgt verder dat niet in geschil is dat de stukken waar eiseres om verzoekt, zich niet onder verweerder bevinden of hem ter beschikking staan. Verweerder heeft ook onweersproken gesteld dat deze stukken hem niet eerder ter beschikking hebben gestaan, en hij deze ook niet heeft gebruikt bij de besluitvorming in deze zaak. De rechtbank heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. In aanmerking genomen dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat tot de door de inspecteur over te leggen stukken niet behoren stukken die zich bevinden onder derden (bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie) en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (Zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, rechtsoverweging 3.4.2 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:29, rechtsoverweging 3.3.1.3), dient dus tot de conclusie te worden gekomen dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gekregen, of alle op de zaak betrekking hebbende stukken bij de inzage zijn getoond. Van een schending van de door haar aangehaalde rechten is dus geen sprake. Tot slot kan hierover worden opgemerkt dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het eiseres vrijstaat zelf stukken bij instanties op te vragen en/of stukken in de procedure in te brengen indien zij van mening is dat die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Materieel
  38. Artikel 239, eerste lid, van het CDW luidt als volgt:
  39. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238 - welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld; - welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
  40. De mogelijkheid van terugbetaling om redenen van billijkheid is in het CDW opgenomen in artikel
  41. Weliswaar wordt de term ‘billijkheid’ in artikel 239 CDW niet genoemd, maar uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat dit artikel een algemene billijkheidsclausule inhoudt (vgl. bijvoorbeeld Hof van Justitie 29 juli 2019, C-89/17, Prénatal SA, ECLI:EU:C:2019:631, punt 37). Artikel 239 van het CDW voorziet in een recht op terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten indien

(1)sprake is van een bijzondere situatie en
(2)geen sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid, noch van een frauduleuze handeling van de zijde van de belastingschuldige. Eveneens volgens vaste rechtspraak is het bestaan van een bijzondere situatie aangetoond wanneer uit de omstandigheden van het concrete geval volgt dat de belastingschuldige in een uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten (vgl. Hof van Justitie 25 februari 1999, Trans-Ex-Import, C-86/97, punt 21 en 22, en 7 september 1999, De Haan Beheer BV, C-61/98, punt 52). Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt ook dat de in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden betrekking moeten hebben op het ontstaan van de douaneschuld.
  1. Bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke nalatigheid moet met name rekening worden gehouden met de complexiteit van de bepaling waarvan de niet-uitvoering de douaneschuld heeft doen ontstaan en met de beroepservaring en de zorgvuldigheid van de ondernemer (vlg. Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) 11 november 1999, C-48/98 (Firma Söhl & Söhlke, r.o. 56).
  2. Eiseres meent dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 239 CDW aangezien sprake is van meerdere bijzondere omstandigheden en eiseres geen nalatigheid dan wel frauduleuze handelingen kan worden verweten. De bijzondere omstandigheden zijn er volgens eiseres in gelegen dat: De utb is opgelegd op 2 maart
  3. Op dat moment was de EUR.1 verklaring nog niet ongeldig verklaard door de Turkse autoriteiten. Hierdoor ontbrak op dat moment een rechtsgrond voor de douaneschuld waarvoor de utb is opgelegd. Er sprake is geweest van een corrupte Turkse ambtenaar. Het EUR.1 certificaat bevatte de echte douanestempels en bevoegde handtekening. Eiseres had niet kunnen ontdekken dat het oorsprongscertificaat vals is. Eiseres verwijst naar het arrest Spedition Wilhelm Rotermund GmbH van 7 juni
  4. De Europese Commissie haar verplichting tot toezicht en controle op de juiste toepassing van de associatieovereenkomst met Turkije niet is nagekomen. Zij heeft geen OLAF-missie naar Turkije gelast, en ook importeurs niet tijdig gewaarschuwd dat sprake was van gegronde twijfel omtrent de oorsprong van knoflook afkomstig uit Turkije.
  5. Er sprake is geweest van een doorlaatactie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat zij geen frauduleuze handelingen heeft gepleegd of klaarblijkelijk nalatig is geweest. Er groeit veel knoflook in Turkije. In 2001 heeft [naam 1] . geprobeerd in Turkije (en Zuid Afrika) knoflook van de Chinese variëteit te planten. Er is geen reden waarom die daar niet zou groeien. In het Publicatieblad van de Europese Unie heeft de Europese Commissie tussen 2002 en 2005 geen waarschuwing gepubliceerd over twijfel aan, of concrete signalen over omleiding van knoflook uit China. Eiseres heeft verzocht om een EUR.1 certificaat, hoewel dit niet verplicht was voor Turkije, om zekerheid te krijgen over de Turkse oorsprong van de knoflook. Eiseres heeft voor een partij van 200 ton knoflook een invoercertificaat aangevraagd, omdat zij niet wist dat zij met een EUR.1 certificaat niet alleen het preferentiële invoerrecht van 0% kon toepassen maar ook onbeperkte hoeveelheden kon invoeren. Dit had tot gevolg dat eiseres vanwege een gebrek aan invoercertificaten slechts 8 van de 20 containers heeft ingevoerd. Eiseres is de zekerheid op de invoercertificaten voor de eerste partij containers met knoflook kwijt geraakt, omdat [bedrijf 5] niet op tijd kon leveren. Noch uit het strafrechtelijke onderzoek bij [bedrijf 4] in Italië, noch bij [bedrijf 6] in Jordanië en [bedrijf 7] in Turkije (de firma’s van [bedrijf 5] ) is door de opsporingsdienst OLAF belastend materiaal aangetroffen ten nadele van eiseres. Eiseres voert aan dat haar fundamentele grondrechten in ernstige mate zijn geschonden. Het strafrechtelijke onderzoek naar de omleiding van knoflook vanuit China via Turkije, is geschreven vanuit een tunnelvisie dat eiseres schuldig moet zijn geweest aan deze smokkel. Daarmee zijn artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en de artikelen 42 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden. Ontlastende informatie is weggelaten, een getuige is onder druk gezet en feiten ten nadele van eiseres zijn verdraaid ten faveure van een strafbaar feit. Essentiële informatie ontbreekt in het strafdossier en wordt niet verstrekt. Indien eiseres van alle feiten op de hoogte was geweest had zij de schikking van het OM van 17 april 2008 nooit geaccepteerd. Eiseres verzoekt om terugbetaling van € 254.443,30 en vergoeding van de rente over dit bedrag, gegrondverklaring van het beroep en een integrale proceskostenvergoeding.
  6. De rechtbank ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding voor een ander oordeel dan het Gerechtshof (zie de onder overweging
  7. en
  8. opgenomen schuingedrukte passages) inhoudende dat eiseres op het moment van de aangiften, en dus vóór het moment van het ontstaan van de douaneschuld, wist dat de opgegeven oorsprong onjuist was. Voor het horen van [naam 4] (punt 2.2.7.5 van het beroepschrift) ziet de rechtbank, mede gelet op hetgeen daarover door het Gerechtshof is overwogen, geen aanleiding. Reeds daarom kan van bijzondere omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden die betrekking hebben op het ontstaan van de douaneschuld zoals bedoeld in artikel 239 CDW geen sprake meer zijn. Hetgeen door eiseres overigens in het beroepschrift onder 2.1, 2.2 en 2.3, zoals hiervoor samengevat, is aangevoerd kan daaraan niet afdoen en zal daarom door de rechtbank niet afzonderlijk worden beoordeeld. Overigens kan de rechtbank zich vinden in hetgeen verweerder daartegenover heeft gesteld. Het beroep van eiseres slaagt in zoverre dus niet. Conclusie en gevolgen
  9. De beroepen zijn gegrond zoals hiervoor onder “procedureel” is overwogen en de uitspraken op bezwaar worden enkel in zoverre vernietigd. Materieel treffen de gronden die eiseres naar voren heeft gebracht echter geen doel. De afwijzing van het verzoek om terugbetaling blijft dus in stand. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraken op bezwaar. Verweerder hoeft dus geen nieuw(e) besluit(en) te nemen. Proceskosten en griffierecht
  10. Nu de beroepen gegrond zijn, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiseres heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst dit verzoek af reeds omdat het verzoek niet is onderbouwd en kent een proceskostenvergoeding toe op basis van het forfait als vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten stelt de rechtbank op basis van dit besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift (HAA 22/2440), 1 punt voor het indienen van het beroepschrift (HAA 23/6870), 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
  11. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, dient verweerder aan eiseres het door haar in de onderhavige zaken betaalde griffierecht ten bedrage van € 365 per zaak te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt beide uitspraken op bezwaar gedeeltelijk, en enkel in zoverre dat volgt uit hetgeen hiervoor onder “procedureel” is overwogen; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.721; draagt verweerder op om aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van 2 x € 365 te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr. E.M.R. Vennekens, leden in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier De beslissing is in het openbaar uitgesproken op griffier voorzitter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Rechtbank Haarlem, 24 februari 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:
  12. Gerechtshof Amsterdam, 3 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:
  13. Hoge Raad, 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:
  14. Gerechtshof Amsterdam, 21 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:
  15. Hoge Raad, 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:
  16. ECLI:EU:T:2001:150, arrest van 7 juni 2001.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.