RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/359079 / JU RK 24-1701 Datum uitspraak: 9 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van De gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. P. van de Pol, kantoorhoudende te Haarlem, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de gezinshuisouder 1] en [de gezinshuisouder 2] , hierna te noemen: de gezinshuisouders, wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 november
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari
- Daarbij waren aanwezig: de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ; de advocaat van de moeder; - de gezinshuisouders. 1.
- De vader en de moeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 1.
- De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
- De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] verblijft in een gezinshuis. 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van 8 juli 2014 is [de minderjarige] met ingang van 5 juli 2014 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Op 6 juli 2016 heeft de kinderrechter [de minderjarige] opnieuw voorlopig onder toezicht gesteld, wat is vastgelegd bij beschikking van 8 juli
- De ondertoezichtstelling is vervolgens bij beschikking van 22 september 2016 definitief uitgesproken en daarna steeds verlengd tot 22 maart
- 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van 29 oktober 2021 is [de minderjarige] met ingang van 28 oktober 2021 wederom voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De kinderrechter heeft [de minderjarige] bij beschikking van 21 januari 2022 definitief onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling telkens is verlengd en nu nog duurt tot 21 januari
- 2.
- De kinderrechter heeft bij voornoemde beschikking van 29 oktober 2021 ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] met ingang van 28 oktober 2021 dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinshuis. Deze machtiging is steeds verlengd en duurt nu nog tot 21 januari
- 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI het schriftelijke verzoek om een verlenging van de uithuisplaatsing mondeling ter zitting gewijzigd naar een verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinshuis te verlengen voor de duur van een jaar met ingang van 20 januari
- De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De GI meent dat het voor [de minderjarige] belangrijk is om duidelijkheid te hebben. In april 2024 heeft de GI derhalve besloten dat de veiligheid en het welbevinden van [de minderjarige] het meest zou worden gediend als zij haar leven kon opbouwen bij het gezinshuis [het gezinshuis] , een plek waar zij zich thuis en geborgen is gaan voelen. Op 28 maart 2024 is dit door de rechtbank bekrachtigd. [de minderjarige] verblijft nu twee jaar in het huidige gezinshuis [het gezinshuis] , waar zij tot haar eenentwintigste kan blijven. [de minderjarige] verblijft daar omdat haar ouders kampen met een verslaving. Dit maakte hen onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige] en het lukte hen niet om [de minderjarige] een veilige opvoedomgeving te bieden. Het is voor de ouders moeilijk gebleken om de onveiligheid die zij door hun middelengebruik in [de minderjarige] ’s leven hebben veroorzaakt te erkennen en deze vertrouwensbreuk te herstellen. De zorgen rondom middelengebruik zijn nog immer actueel en de hulp stagneerde in het verleden door toedoen van de ouders zelf. Daarnaast is het de GI, ondanks herhaaldelijke pogingen hiertoe, niet gelukt om kennis te maken met de moeder. Op initiatief van [de minderjarige] zijn de omgangsmomenten met de ouders ook gestopt. Volgens [de minderjarige] voelen de gezinsouders meer als haar ouders en zij vindt het niet prettig als anderen haar ouders ‘ouders’ noemen. [de minderjarige] is boos na alles wat haar is aangedaan. De vader accepteert dat [de minderjarige] geen contact wil. De moeder doet dit niet. Zij zoekt regelmatig contact met [de minderjarige] via de telefoon en schrijft dat zij haar zo mist en haar graag wil zien. Deze berichten lijken vooral voort te komen uit de eigen behoeften van de moeder. Het is lastig gebleken voor de moeder om aan te sluiten bij wat [de minderjarige] van haar nodig heeft. Sinds het perspectiefbesluit is genomen, heeft [de minderjarige] meer rust ervaren. [de minderjarige] is in september gestart op haar nieuwe (middelbare) school en volgt trauma therapie. [de minderjarige] heeft lieve vrienden van haar basisschool en is gehecht aan haar ‘zus’ in het gezinshuis. De GI concludeert aan de hand van bovenstaande uiteenzetting dat er nog immer sprake is van een ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] . De doelen van afgelopen jaar zijn niet behaald en blijven staan voor komend jaar. De GI acht het van groot belang dat de huidige leefomstandigheden en positieve ontwikkeling van [de minderjarige] geborgd blijven. Ook is het noodzakelijk dat de belangen van [de minderjarige] behartigd worden en dat de hulpverlening gecontinueerd wordt, zodat [de minderjarige] toekomt aan het verwerken van haar traumatische ervaringen. De GI wil aan de hand van gesprekken met [de minderjarige] en de hulpverlening helder krijgen of, en zo ja welke omgang veilig en passend zou zijn voor [de minderjarige] . Om dit goed te kunnen beoordelen is het van belang dat er meer zicht komt op de persoonlijke leefomstandigheden van de ouders. Daarnaast wil de GI onderzoeken of de moeder en/of de vader nog wel belast kunnen blijven met het gezag. 3.
- De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat wordt gezien dat er nog sprake is van boosheid bij [de minderjarige] . [de minderjarige] wil daarom geen contact met de ouders. Op dit moment heeft [de minderjarige] rust en ruimte nodig om zich te richten op haar therapie. Er is daarom met haar afgesproken dat contactherstel de komende drie maanden niet besproken wordt. Mogelijk kijkt zij in de toekomst anders naar de situatie en is er dan ruimte voor contactherstel. Dat blijft het doel van de GI. Bij de vader lijkt hiervoor ook een opening te zijn omdat hij de regie bij [de minderjarige] laat. Bij de moeder ligt dat anders. Ook krijgt de GI nog steeds moeilijk contact met de moeder. De afgelopen maand is er wel telefonisch contact geweest en er wordt door de GI gewerkt aan een fysieke afspraak met de moeder. Daarnaast wil de GI contact houden met [de minderjarige] en haar therapeut. 4De standpunten 4.
- Namens de moeder is door haar advocaat ter zitting naar voren gebracht dat de moeder er veel last van heeft dat [de minderjarige] geen contact wil. De moeder probeert dan ook contact te zoeken, maar daar reageert [de minderjarige] niet positief op. De moeder kan daar niet goed mee omgaan. Bovendien was het contact met [de minderjarige] goed tot een gesprek na de zitting over het perspectiefbesluit. Daar lijkt [de minderjarige] te zijn omgeslagen in haar gedrag richting de moeder. De moeder heeft zich laten opnemen om rust te krijgen, maar dat heeft niet geholpen. De moeder zit er doorheen en vindt het moeilijk dat zij belangrijke momenten in het leven van [de minderjarige] mist. De moeder is het dan ook niet eens met de verzoeken, maar ze stemt wel in omdat ze niet anders kan. Ze houdt van [de minderjarige] en wil het beste voor haar. 4.
- Namens de vader is door de GI ter zitting naar voren gebracht dat hij weer aan het werk is als vrachtwagenchauffeur en al een jaar geen drugs meer gebruikt. De vader is hier blij mee en [de minderjarige] is zelfs al een keer mee geweest op de vrachtwagen. De vader ziet nu ook in dat toen hij nog wel drugs gebruikte, hij verkeerde keuzes heeft gemaakt en daar [de minderjarige] mee heeft belast. De vader geeft aan dat hij nu enkel op het rechte pad kan blijven zodat [de minderjarige] kan zien dat het goed gaat als zij weer contact wil. Verder geeft de vader aan dat hij trots is op [de minderjarige] , omdat zij veel heeft meegemaakt en zich toch goed ontwikkelt. Ook is hij blij met de zorg die [de minderjarige] krijgt van de gezinshuisouders. De vader heeft wel de wens om [de minderjarige] weer te zien en stelt voor om eens langs te komen. 4.
- De gezinshuisouders hebben ter zitting naar voren gebracht dat de pijn en de traumatherapie heftig zijn voor [de minderjarige] en dat zij nachtmerries heeft. De pijn van de moeder is weliswaar ook begrijpelijk, maar het herstel van [de minderjarige] staat voor de gezinshuisouders op de eerste plaats. De gezinshuisouders geven aan dat zij hierin positieve ontwikkelingen doormaakt. [de minderjarige] gaat graag naar school en heeft plezier. Daarnaast heeft zij vrienden die zij ook meeneemt naar huis en heeft zij een goede band met haar ‘zus’ in het gezinshuis. [de minderjarige] lijkt nu echt thuis te komen bij het gezinshuis, wat eerder niet het geval was. Verder is het positief dat, ondanks de gebeurtenissen uit het verleden, blijkt dat [de minderjarige] zich nog kan hechten en van mensen kan houden. [de minderjarige] heeft ook altijd gehouden van haar ouders, maar dat is plotseling omgeslagen in boosheid. Daarnaast vinden de gezinshuisouders het zorgelijk dat de ouders zichzelf centraal blijven stellen en niet [de minderjarige] . De vader heeft weliswaar het boetekleed aangetrokken waardoor daar een kleine opening is voor contactherstel, maar [de minderjarige] blijft bij haar standpunt dat zij nu geen contact wil met haar ouders. Het brengt bij [de minderjarige] ook veel spanning met zich mee als er wel over contactherstel wordt gesproken. Het is daarom beter om dit onderwerp voorlopig te vermijden. 5De mening van [de minderjarige] is het eens met de verzoeken. [de minderjarige] geeft aan dat het goed gaat op school en dat ze bezig is met therapie. Ook vindt zij het fijn bij het gezinshuis en heeft zij een goede band van haar ‘zus’ daar. Het heeft [de minderjarige] rust gebracht dat duidelijk is geworden dat haar toekomst bij het gezinshuis ligt. Hierdoor kan zij zich beter concentreren op school en vrienden. [de minderjarige] heeft er ook voor gekozen om geen contact te hebben met haar ouders. [de minderjarige] vindt het echter wel vervelend dat het voor de gezinshuisouders lang duurt om toestemming te krijgen van de ouders om beslissingen te nemen. Dat zou [de minderjarige] graag anders zien. 6De beoordeling Ondertoezichtstelling 6.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit het trauma dat [de minderjarige] heeft opgelopen door het verleden met haar ouders. De ouders van [de minderjarige] kampen met verslavingsproblemen waardoor zij onvoldoende beschikbaar zijn geweest voor [de minderjarige] en [de minderjarige] veel nare gebeurtenissen heeft meegemaakt die zij nu moet verwerken. Ook nu zijn de ouders onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige] en heeft het verleden en de houding van de ouders voor boosheid gezorgd bij [de minderjarige] waardoor zij haar ouders niet wil zien. [de minderjarige] heeft op dit moment rust en ruimte nodig om zich te richten op haar therapie en staat daarom niet open voor (gesprekken over) contactherstel. Dit roept te veel spanningen bij haar op. 6.
- Tevens blijkt dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval ook nu niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, omdat de ouders door hun eigen problematiek niet in staat om de hulp te accepteren en de problemen weg te nemen. De ouders zijn onvoldoende beschikbaar en zetten zichzelf centraal in plaats van [de minderjarige] . 6.
- Alhoewel duidelijk is dat [de minderjarige] zal opgroeien in het gezinshuis en de verwachting vooralsnog niet meer gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen, vindt de kinderrechter het in het belang van [de minderjarige] en haar ontwikkeling noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. 6.
- Gelet op de aanwezige problematiek zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met een jaar. Uithuisplaatsing 6.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] bij het gezinshuis [het gezinshuis] woont en dat haar perspectief daar ligt. De ouders zijn door hun eigen problematiek namelijk nog steeds onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige] waardoor zij niet bij hen kan opgroeien. Bovendien is er boosheid vanuit [de minderjarige] richting haar ouders door wat er in haar verleden is gebeurd en de houding die de ouders nu aannemen waardoor [de minderjarige] haar ouders niet wil zien. Bij het gezinshuis doet [de minderjarige] het goed. Zij gaat naar school en therapie. Ook heeft zij vrienden en een goede band met haar gezinshuisouders en haar ‘zus’ in het gezinshuis. [de minderjarige] lijkt nu echt thuis te komen in het gezinshuis en daar haar plek te hebben gevonden. [de minderjarige] heeft de rust en ruimte die zij bij [het gezinshuis] ervaart bovendien nodig om zich te richten op haar school en therapie. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] dat zij bij gezinshuis [het gezinshuis] kan blijven. 6.
- Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). 7De beslissing De kinderrechter: 7.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 21 januari 2026; 7.
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in gezinshuis [het gezinshuis] tot 21 januari 2026; 7.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes als griffier, en op schrift gesteld op 22 januari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.