← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:5919

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15-029353-21 (P) Uitspraakdatum: 25 februari 2025 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 februari 2025 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.G.T. Kramer, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.P. Vroegh, advocaat te ’s-Hertogenbosch, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 30 januari 2021 te Haarlem, althans in Nederlandopenlijk, te weten, [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/ofop een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [slachtoffer]door te bellen en/of de locatie van die [slachtoffer] door te geven en/of te schoppen en/ofte trappen tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of te slaan en/ofte stompen en/of te duwen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die[slachtoffer] en/of aan te moedigen en/of te schreeuwen en/of slaande en/of dreigendebewegingen te maken richting [slachtoffer] ; 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.

  1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.
  2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.
  3. Oordeel van de rechtbank 3.3.
  4. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezen verklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten: de bekennende verklaring van de verdachte die ter terechtzitting van 11 februari 2025 is afgelegd; het proces-verbaal van aangifte door aangever [slachtoffer] van 30 januari 2021 (dossierpagina 17 tot en met 23); het proces-verbaal van bevindingen van 31 januari 2021 (dossierpagina 44 tot en met 76), inhoudend een beschrijving van de camerabeelden; het proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2021 (dossierpagina 86), inhoudend een nadere beschrijving van de camerabeelden 3.
  5. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 30 januari 2021 te Haarlem openlijk, te weten, op [adres] , in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door te schoppen en/of te trappen tegen het hoofd van die [slachtoffer] en te slaan en te stompen en te duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en te schreeuwen en slaande en dreigende bewegingen te maken richting [slachtoffer] . De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.
  6. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand geheel voorwaardelijk met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel moet een proeftijd van twee jaren worden verbonden met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangever [slachtoffer] en zijn partner [naam] . De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren. 6.
  7. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring af te zien van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw acht een contactverbod niet noodzakelijk, omdat de verdachte heeft aangegeven dat hij wegblijft bij [adres] en de slachtoffers. 6.
  8. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit Op 30 januari 2021 ontstaat een hevige woordenwisseling op straat tussen de schoonzus van de verdachte en haar buren, [slachtoffer] en [naam] . Nadat de schoonzus van de verdachte haar broer over deze ruzie heeft gebeld, is de verdachte samen met zijn zwager en zoon naar het huis van zijn schoonzus gereden. Daar aangekomen hebben zij direct de confrontatie met het slachtoffer opgezocht. Hierbij is op het slachtoffer buitensporig geweld toegepast. Het slachtoffer is meermaals met gebalde vuist geslagen, geduwd en met kracht tegen zijn hoofd geschopt terwijl hij op de grond lag. De verdachte heeft, mede door zich verbaal agressief uit te laten en duwende bewegingen te maken in de richting van [slachtoffer] , zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer] . Door zijn bijdrage aan het geweld heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . De rechtbank acht het onaanvaardbaar dat de verdachte zijn emoties vanwege een langlopende burenruzie, waarbij hij niet direct was betrokken, heeft laten uitmonden in een geweldsituatie als deze. De persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 23 november 2023, opgesteld door [reclasseringswerker] verbonden aan Reclassering Nederland. De reclassering heeft gerapporteerd dat de verdachte diverse malen is uitgenodigd voor een intakegesprek, maar zonder tegenbericht niet is verschenen. Een inschatting van het risico op recidive heeft de reclassering dan ook niet kunnen maken aangezien zij over onvoldoende informatie beschikte. Voor zover de reclassering bekend is, zijn er geen contra-indicaties voor oplegging van een taakstraf of geldboete en adviseert zij de bijzondere voorwaarden van een contact- en locatieverbod op te leggen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in augustus 2023 een beroerte heeft gehad en een klinisch intensief revalidatietraject bij Heliomare heeft doorlopen. Nadien heeft hij ook meerdere keren een hartstilstand gekregen. Overschrijding van de redelijke termijn Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het aanvangstijdstip van de redelijke termijn wordt in deze zaak door de rechtbank bepaald op 30 januari 2021, zijnde het moment dat de verdachte in verzekering werd gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijzondere omstandigheden. De zaak stond op 28 december 2023 gepland voor inhoudelijke behandeling, maar is op verzoek van de verdediging aangehouden vanwege de medische situatie van de verdachte. Wanneer de inhoudelijke behandeling had plaatsgevonden, zou de zaak op 11 januari 2024 zijn afgedaan. Dit zou een overschrijding van de redelijke termijn zijn van bijna één jaar. Gezien deze beperkte overschrijding volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder hieraan verdere consequenties te verbinden. De rechtbank neemt voorts in overweging dat het na de aanhouding op 28 december 2023, nog ruim één jaar heeft geduurd voor de zaak op zitting werd ingepland. De op te leggen straf De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat rekening gehouden met straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen. Gelet op het tijdsverloop, de rol van de verdachte tijdens de openlijke geweldpleging, zijn blanco strafblad, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die aan medeverdachten zijn opgelegd, acht de rechtbank een taakstraf een passende straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om ook een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij betrekt de rechtbank dat zij geen reden aanwezig acht om als bijzondere voorwaarde een contactverbod op te leggen, omdat niet is gebleken dat de verdachte in de vier jaren na het feit contact heeft gezocht met de aangevers. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 60 uren passend en geboden. 7Vordering benadeelde partijen 7.
  9. Vordering benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft op 8 februari 2023 een vordering tot schadevergoeding van € 74.078,37 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De raadsvrouw heeft de vordering ter terechtzitting van 10 juli 2023 (de rechtbank begrijpt: de terechtzitting waarop de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] is behandeld) aangevuld met een bedrag ad € 78,21 en nadien gewijzigd, waardoor de vordering op de terechtzitting van 28 december 2023 een bedrag van € 74.032,34 bedroeg. Ter terechtzitting van 11 februari 2025 is deze vordering verhoogd met een bedrag van € 770,00 aan eigen risico in 2024 en 2025, € 284,93 voor eigen bijdrages in 2024 en 2025 aan psychologische zorg en reiskosten à € 221,84, zodat de vordering in totaal neerkomt op een bedrag van € 75.309,
  10. De gestelde schade bestaat uit € 22.534,11 aan materiële schade en € 52.775,00 aan immateriële schade. De materiële schade is onderverdeeld in een veelheid aan verschillende schadeposten. - medische kosten à € 2.829,05, bestaande uit: o € 294,96 aan eigen risico in 2021 voor ambulancevervoer; o € 385,00 aan eigen risico in 2022 voor medicatie en psychologische zorg; o € 277,26 aan eigen bijdrage voor tandheelkundige behandelingen; o € 348,10 aan fysiotherapeutische kosten; o € 75,42 aan eigen risico in 2023 voor het trekken van tandelementen; o € 8,38 aan eigen bijdrage voor het trekken van tandelementen; en o € 385,00 voor toekomstig te betalen eigen risico vanwege een te volgen revalidatietraject; o € 770,00 aan eigen risico in 2024 en 2025 voor psychologische zorg; o € 284,93 aan eigen bijdrage in 2024 en 2025 voor psychologische zorg; - tandheelkundige kosten à € 428,57; - toekomstige tandheelkundige kosten à € 641,50; - hulpmiddelen (wandelstok, wandelstokhouder en rugkussen) à € 73,83; - kledingschade à € 244,00; - ziekenhuisdaggeldvergoeding à € 62,00; - huishoudelijke hulp à € 8.167,50; - toekomstige huishoudelijke hulp à € 8.034,00; - zelfwerkzaamheid à € 386,40; - toekomstige kosten zelfwerkzaamheid à € 608,40; - kosten plaatsen beveiligingscamera à € 239,95; - zonnebril à € 180,80; - reiskosten à € 377,06 + € 211,84 = € 588,90; - toekomstige reiskosten à € 60,19 - boodschappen à € 66,95; - apotheekkosten à € 41,
  11. Verder is verzocht de verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de schade en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.266,77 moet worden toegewezen, nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Dit bedrag bestaat uit de volgende schadeposten: eigen risico in 2024 à € 385,00; eigen risico in 2025 à € 385,00; eigen bijdrage psychologische zorg 2024 à € 147,89; eigen bijdrage psychologische zorg 2025 à € 137,04; reiskosten met betrekking tot het ziekenhuis, de psycholoog, de oogarts en Medinello ten bedrage à € 211,
  12. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van het reeds door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betaalde deel van de gevorderde materiële schade, te weten € 5.599,11, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-. Ten aanzien van het resterende deel van de vordering heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering, omdat beoordeling daarvan een onevenredige belasting oplevert voor het strafgeding. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen, omdat een deel van de schade reeds door de medeverdachten betaald is en het overige deel van de vordering een onevenredige belasting oplevert voor het strafgeding. Beoordeling van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat er inmiddels sprake is van een complexe vordering. De in eerste instantie ingediende vordering was omvangrijk met vele pagina’s aan bijlagen. Tijdens de procedures in de strafzaken tegen de medeverdachten zijn hierop omvangrijke aanvullingen gedaan. Ook ter terechtzitting van 11 februari 2025 is een aanvulling ingediend, met een grote hoeveelheid bijlagen. Pas op de zitting van 11 februari 2025 is desgevraagd gebleken dat een deel van de schade door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] reeds is vergoed, waarmee in de vordering geen rekening is gehouden. Daarnaast hebben er blijkens de bijlagen bij de vordering ook civiele procedures gelopen en worden deze nog reeds gevoerd. Dit alles roept bij de rechtbank veel vragen op met betrekking tot de verschuldigdheid en (daarmee) de omvang van de vordering. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek naar de verschuldigdheid en de exacte omvang van de gestelde schade een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. 7.
  13. Vordering benadeelde partij [naam] De benadeelde partij [naam] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.500,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade, te weten shockschade, die zij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering moet worden afgewezen, omdat de aard en de toedracht van de openlijke geweldpleging zich in dit specifieke geval niet lenen voor toewijzing van shockschade. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie en verzoekt om afwijzing van de vordering van deze benadeelde partij. Beoordeling van de rechtbank Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele shock wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele shock is teweeggebracht moet onder meer worden meegenomen a) de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed, b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958). Gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit, de toedracht en de gevolgen van de gepleegde onrechtmatige daad jegens het primaire slachtoffer (de heer [slachtoffer] ), is de rechtbank van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de aard en de toedracht van het bewezenverklaarde – te weten openlijke geweldpleging na een langlopende burenruzie – zich in dit specifieke geval niet lenen voor toewijzing van shockschade. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder
  14. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 60 (zestig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht. Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering. Wijst af de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam] geleden schade. Bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer] en [naam] alsmede de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. I. Groenendijk, voorzitter, mr. H.H.E. Boomgaart en mr. G.D. Kleijne, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.D.C. Schoenmaker, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 februari 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.