RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 11308463 \ CV EXPL 24-3048 Vonnis van 30 april 2025 in de zaak van [eiser] , H.O.D.N. [naam 1], te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. D.A.E. Potveer, tegen de besloten vennootschap BOUWDAN AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ B.V., te Alkmaar, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: Bouwdan, gemachtigde: mr. D.S. Hennes van Legalec Nederland B.V., rolgemachtigde: dR&W de Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders en Incasso. De zaak in het kort In deze zaak gaat het om de vraag of een betalingsregeling tussen een aannemer en een onderaannemer tot stand is gekomen onder invloed van bedreiging. De aannemer moet haar standpunt dat sprake was van bedreiging onderbouwen en heeft dat gedaan met WhatsApp-berichten van de onderaannemer en een opgenomen telefoongesprek. De kantonrechter oordeelt dat daarvan niet een zodanig bedreiging uitgaat dat de aannemer daardoor is beïnvloed tot het aangaan van een betalingsregeling. De aannemer wordt daarom veroordeelt tot nakoming van de overeengekomen betalingsregeling. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 september 2025 - de conclusie van antwoord en eis in reconventie - het tussenvonnis van 27 november 2024 - de conclusie van antwoord in reconventie - de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bouwdan heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [naam 1] voert in opdracht van Bouwdan bouwwerkzaamheden uit en levert materialen voor verschillende projecten. 2.
- Voor projecten in Alkmaar, Naarden en Broek op Langedijk verstuurt [naam 1] vier facturen naar Bouwdan van in totaal € 45.439,
- 2.
- Bouwdan laat op 8 mei 2024 via WhatsApp aan [naam 1] weten “ [eiser] al sla je alles er uit het is er niet laatste voorstel wat ik doe is 3 termijnen. 10k morgen 10k over een maand en 7k over 3 maanden.”. Op dat moment was een bedrag van € 27.414,97 van de facturen van [naam 1] niet betaald. 2.
- [naam 1] antwoordt dat hij het niet eens is met het voorstel, omdat Bouwdan al betaald heeft gekregen van haar opdrachtgevers en schrijft verder dat als Bouwdan per direct betaalt, hij het door hem geplaatste werk er niet uit zal halen. 2.
- [naam 1] gaat op 9 mei 2024 akkoord met het betalingsvoorstel en Bouwdan betaalt € 10.000,00 aan [naam 1] met omschrijving bij de betaling “1e deel regeling”. 2.
- Op 13 mei 2024 stuurt de gemachtigde van Bouwdan een brief naar [naam 1] waarin zij de overeengekomen betalingsregeling buitengerechtelijk vernietigt, omdat deze tot stand is gekomen onder invloed van bedreiging. Ook laat zij aan [naam 1] weten dat de facturen niet kloppen en Bouwdan een vordering heeft op [naam 1] . 2.
- Vervolgens corresponderen partijen verder via hun gemachtigden. 3Het geschil in conventie 3.
- [naam 1] vordert - samengevat - veroordeling van Bouwdan tot betaling van € 18.364,12, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- [naam 1] vindt dat Bouwdan niet voldoet aan de overeengekomen betalingsregeling en maakt daarom aanspraak op nakoming daarvan. Als niet komt vast te staan dat een rechtsgeldige betalingsregeling is overeengekomen, vindt [naam 1] dat Bouwdan tekort is geschoten in haar betalingsverplichting die voortvloeit uit de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. In beide gevallen moet Bouwdan € 17.414,97 betalen aan [naam 1] . Bouwdan maakt verder aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten van € 949,15 en de wettelijke handelsrente. 3.
- Bouwdan voert verweer. Bouwdan concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [naam 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [naam 1] , met veroordeling van [naam 1] in de kosten van deze procedure. 3.
- Bouwdan vindt dat de betalingsregeling onder invloed van bedreiging tot stand is gekomen en heeft daarom de betalingsregeling vernietigd, zodat deze niet meer geldt. Bouwdan vindt ook dat de facturen van [naam 1] niet kloppen, omdat partijen voor het project in Alkmaar een vaste prijs zijn overeengekomen en bovendien het aantal in rekening gebrachte uren te hoog is. Ook voor het project in Broek op Langedijk heeft [naam 1] voor zijn werkzaamheden te veel uren in rekening gebracht. Rekening houdend met het juiste aantal uren is Bouwdan in totaal € 21.617,44 aan [naam 1] verschuldigd. Bouwdan heeft echter € 28.025,00 en dus € 6.407,56 te veel betaald. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.
- Bouwdan vordert - samengevat - veroordeling van [naam 1] tot betaling van € 6.407,56, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- [naam 1] voert verweer. [naam 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Bouwdan, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Bouwdan, met veroordeling van Bouwdan in de kosten van deze procedure. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.
- Deze zaak gaat over de vraag of de tussen partijen gesloten betalingsregeling, waarvan [naam 1] nakoming vordert, onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Dit wordt als volgt toegelicht. 4.
- Volgens Bouwdan is de betalingsregeling onder invloed van een wilsgebrek, namelijk bedreiging, tot stand gekomen. Van bedreiging is sprake als iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen, waarbij de bedreiging zodanig moet zijn dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed. Het is aan Bouwdan, die de vernietiging van de betalingsregeling vanwege het bestaan van een wilsgebrek inroept, te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake was van bedreiging en dat de betalingsregeling onder invloed daarvan tot stand is gekomen. 4.
- Ter onderbouwing van de gestelde bedreiging heeft Bouwdan een usb-stick met daarop een geluidsopname van een telefoongesprek tussen [naam 1] en een opdrachtgever van Bouwdan (de heer [naam 2] ) op woensdagavond 8 mei 2024 en een video opname van 9 mei 2024 overgelegd. Ook heeft Bouwdan verwezen naar de WhatsApp-berichten van [naam 1] op 8 mei
- [naam 1] betwist dat sprake was van bedreiging en wijst erop dat partijen over en weer op een dergelijke manier met elkaar communiceerden en de correspondentie niet de indruk werkt dat Bouwdan zich tot het aangaan van een betalingsregeling onder druk gezet voelde. 4.
- Vanwege de betwisting door [naam 1] had het op de weg van Bouwdan gelegen om nadere feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de betalingsregeling onder invloed van bedreiging tot stand is gekomen. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Volgens Bouwdan bedreigde [naam 1] haar met de WhatsApp berichten, door telefonisch contact met haar opdrachtgever de heer [naam 2] op te nemen over het weghalen van een schutting en door daar langs te gaan en wilde zij escalatie voorkomen. Uit de geluidsopname blijkt echter dat [naam 1] en de heer [naam 2] zonder stemverheffing daarover praten. [naam 1] zegt dat hij de door hem geplaatste schutting zal verwijderen als Bouwdan hem niet betaalt. [naam 2] lijkt daarvan niet onder de indruk en wijst op de geringe waarde van de schutting. Ook [bestuurder] , de middellijk bestuurder van Bouwdan, lijkt niet onder de indruk van de berichten van [naam 1] . Hij schrijft immers “ [eiser] al sla je alles eruit, het is er niet” en doet vervolgens het betalingsvoorstel. Eerder schrijft [bestuurder] “Pas je toon even aan. Bedreigen heeft geen zin.”. Dat de berichten en het telefonisch contact Bouwdan hebben bewogen op 8 mei 2024 een betalingsvoorstel te doen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. [naam 1] reageert daarna dat hij het niet eens is met het voorstel en de schutting zal weghalen. Daarbij stuurt hij een plaatje van een klok met de tekst “tik tak tik tak” en de volgende dag gaat hij naar de woning van de betreffende opdrachtgever. Bouwdan had daarvoor echter al het betalingsvoorstel gedaan. Wat daarna is gebeurd kan niet ter onderbouwing dienen van haar standpunt dat zij door bedreiging is beïnvloed. Omdat Bouwdan niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt niet toegekomen aan bewijslevering en wordt haar verweer dat de betalingsregeling onder invloed van bedreiging tot stand is gekomen en rechtsgeldig is vernietigd, verworpen. 4.
- De conclusie is dat een rechtsgeldige betalingsregeling is overeengekomen. Op grond van de betalingsregeling heeft Bouwdan een eerste betaling gedaan van € 10.000,00 en is hij nog € 17.000,00 verschuldigd aan [naam 1] . Dat deel van de vordering zal worden toegewezen. Het gevorderde restantbedrag van € 414,97 wordt afgewezen. [naam 1] vordert primair nakoming van de betalingsregeling en partijen zijn een betalingsregeling overeengekomen voor het eerst vermelde bedrag. Omdat de vordering op die grondslag wordt toegewezen, ontbreekt een grondslag voor het gevorderde restantbedrag. 4.
- [naam 1] maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke handelsrente vanaf 24 maart
- De betalingsregeling waarvan zij nakoming vordert is echter tot stand gekomen op 9 mei
- Omdat Bouwdan in de brief van 13 mei 2024 de vernietiging van de betalingsregeling inroept, mocht [naam 1] daaruit afleiden dat zij in de nakoming daarvan zou tekortschieten en is op dat moment verzuim ingetreden. De wettelijke handelsrente zal daarom worden toegewezen vanaf 13 mei
- 4.
- [naam 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de gevorderde vergoeding van € 949,15 is in overeenstemming met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen. [naam 1] heeft niet gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden. Daarom zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. 4.
- Bouwdan is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [naam 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 115,77 - griffierecht € 706,00 - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.768,77 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie 4.
- De tegenvordering van Bouwdan wordt afgewezen onder verwijzing naar wat daarover in conventie is overwogen. 4.
- Bouwdan is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [naam 1] worden vanwege de samenhang met de zaak in conventie begroot op nihil. 5De beslissing De kantonrechter in conventie 5.
- veroordeelt Bouwdan om aan [naam 1] te betalen een bedrag van € 17.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 mei 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt Bouwdan om aan [naam 1] te betalen een bedrag van € 949,15 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt Bouwdan in de proceskosten van € 1.768,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Bouwdan niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt Bouwdan tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.
- wijst de vorderingen van Bouwdan af, 5.
- veroordeelt Bouwdan in de proceskosten die tot en met vandaag worden vastgesteld op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 30 april
- Artikel 3:44 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:119a BW. Artikel 6:119 BW.