RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9121236 \ CV FORM 21-2132 Uitspraakdatum: 11 juni 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: 1 [verzoeker 1], wonende te [plaats 1]
- [verzoeker 2]
- [verzoeker 3] beiden wonende te [plaats 2] verzoekende partij verder te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff (EUclaim B.V.) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Air France gevestigd te Roissy, Frankrijk verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.) De zaak in het kort De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk een latere opgelegde vertrektijd van de luchtverkeersleiding aan zowel de voorgaande vlucht als de vlucht in kwestie en het onwel worden van een passagier. Het verweer van de vervoerder slaagt en het verzoek van de passagiers wordt afgewezen. 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A); het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift. 2De feiten 2.
- De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 15 en 16 maart 2019 vervoeren van Miami, Verenigde Staten, via Parijs, Frankrijk, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtcombinatie AF99 en AF
- 2.
- De vervoerder heeft vlucht AF99 van Miami naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. 2.
- De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht. 2.
- De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
- De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 300,- voor passagier sub 1 en € 600,- per persoon voor passagiers sub 2 en sub
- 3.
- De vervoerder voert verweer. Hij stelt dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van de (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
- Vast staat dat de passagiers met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. 4.
- De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Parijs – Miami – Parijs (vluchtnummers AF90 en AF99). De luchtverkeersleiding heeft aan vlucht AF90 van Parijs naar Miami een latere vertrektijd opgelegd dan gepland. Dit heeft een vertraging van 40 minuten opgeleverd. Tijdens deze vlucht is een passagier onwel geworden. Door de inzet van de hulpdiensten moesten de overige passagiers wachten met uitstappen en heeft vlucht AF90 nog 21 minuten aanvullende vertraging opgelopen. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. Vervolgens moest de vlucht in kwestie eveneens wachten op toestemming van de luchtverkeersleiding om te vertrekken, wat extra vertraging heeft opgeleverd. Uiteindelijk is de vlucht met 1 uur en 21 minuten uitgevoerd. Daardoor hebben de passagiers de aansluitende vlucht gemist. Ter onderbouwing verwijst de vervoerder onder meer naar berichten van de luchtverkeersleiding en een interne e-mail. 4.
- Het verweer van de vervoerder slaagt. De kantonrechter oordeelt dat hij met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop, voldoende heeft onderbouwd dat de vertraging van vlucht AF90 van Parijs naar Miami het gevolg was van een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding en de inzet van hulpdiensten vanwege een medisch incident. Als de luchtverkeersleiding een latere vertrektijd oplegt aan een toestel, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dergelijke beperkingen zijn niet inherent aan de normale bedrijfsuitoefening van de vervoerder en hij heeft daar ook geen invloed op. Daarom geldt de latere opgelegde vertrektijd als een buitengewone omstandigheid. Datzelfde geldt voor de inzet van de medische hulpdiensten vanwege het onwel worden van een passagier. Ook dat is immers niet inherent aan de bedrijfsvoering van de vervoerder en ook daarop kon hij geen invloed uitoefenen. Dit betekent dat de gehele vertraging van vlucht AF90 het gevolg was van buitengewone omstandigheden. 4.
- De vervoerder heeft eveneens voldoende onderbouwd dat de vertraging van vlucht AF90 doorwerkte op de vlucht in kwestie en dat deze vervolgens nog extra vertraging heeft opgelopen vanwege een verlate toestemming van de luchtverkeersleiding om te vertrekken. Zoals hiervoor overwogen, is dit laatste een buitengewone omstandigheid. Al met al was daarmee de gehele vertraging van de vlucht in kwestie het gevolg van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. 4.
- Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen of te beperken. De vervoerder stelt dat hij de vertraging niet kon voorkomen maar de passagiers na aankomst heeft omgeboekt naar de snelst mogelijke alternatieve vlucht naar de eindbestemming. 4.
- De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de vervoerder bij de planning onvoldoende overstaptijd tussen de vluchten heeft aangehouden. Op de luchthaven van Parijs geldt een minimumoverstaptijd van 60 minuten. De vervoerder heeft een overstaptijd van precies 60 minuten ingepland. Daarnaast heeft de vervoerder ook onvoldoende buffer in de omdraaitijd van de rotatievlucht aangehouden, aldus de passagiers. De vervoerder heeft hier onder meer tegenin gebracht dat de minimumoverstaptijd 35-50 minuten betrof. 4.
- De kantonrechter overweegt dat een luchtvaartmaatschappij bij de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging die het gevolg kan zijn van buitengewone omstandigheden. Daarom moet zij in een bepaalde reservetijd voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden. In dit geval kan echter in het midden blijven wat de minimumoverstaptijd is en in hoeverre de vervoerder daar voldoende reservetijd bovenop heeft gepland bij de overstap. Vast staat immers dat de vlucht in kwestie met 1 uur en 21 minuten vertraging is uitgevoerd. De kantonrechter acht een reservetijd van 20 minuten bovenop de minimumoverstaptijd redelijk. Daarom zouden de passagiers ook hun aansluitende vlucht hebben gemist als de vervoerder voldoende reservetijd had ingepland. Ook is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder niet is gehouden om een bepaalde omdraaitijd aan te houden, nog daargelaten of de passagiers wel hun overstap zouden hebben gehaald bij een langere omdraaitijd. Omdat de passagiers voor het overige niets hebben aangevoerd, heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. 4.
- Dit betekent dat het verweer van de vervoerder slaagt en het verzoek van de passagiers zal worden afgewezen. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat deze ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking. 5De beslissingDe kantonrechter: 5.
- wijst het verzochte af; 5.
- veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 204,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking; 5.
- verklaart deze beschikking, wat de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:
- HvJEU 12 mei 2011, C-294/10, ECLI:EU:C:2011:303.