RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaatsen Alkmaar, Haarlemmermeer en Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/025128-23 (zaak A) en 15/223312-24 (zaak B) (P) Uitspraakdatum: 11 juni 2025 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 22 april 2024 (Alkmaar), 8 juli 2024 (Haarlem), 13 augustus 2024 (Haarlem), 4 november 2024 (Alkmaar), 27 januari 2025 (Alkmaar), 14 april 2025 (Haarlem) (alle pro forma), 6 en 7 mei 2025 (Haarlemmermeer, inhoudelijke behandeling) en 11 juni 2025 (Haarlem, sluiting onderzoek en uitspraak) in de zaak tegen: [verdachte 1] , geboren op [geboortedatum en -plaats], thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad, hierna te noemen: de verdachte of [verdachte 2]. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de regiezitting van 13 augustus 2024 gevoegd. De zaak met parketnummer 15/025128-23 wordt hierna aangeduid als zaak A. De zaak met parketnummer 15/223312-24 wordt hierna aangeduid als zaak B. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. Fikkers, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvouw, mr. T. Urbanus, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlasteleggingen De verdachte wordt verweten drie strafbare feiten te hebben gepleegd. Deze komen – kort gezegd – op het volgende neer. Onder zaak A wordt de verdachte verweten dat hij samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne in de periode van 18 oktober 2023 tot en met 16 januari 2024. Onder zaak B wordt de verdachte verweten dat hij zich samen met anderen op 21 mei 2023 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 25,5 kilogram cocaïne (feit 1). Dit is subsidiair ten laste gelegd als een poging. Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 20 mei 2023 tot en met 26 mei 2023 samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 25,5 kilogram cocaïne (feit 2). De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3De standpunten 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit in zaak A en van de tenlastegelegde feiten 1 primair en 2 in zaak B. 3.2. Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van zaak A heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen, met uitzondering van – kort gezegd – het ‘bewegen van een of meer anderen’ en het raadplegen van de track and trace module van [naam 1]. Ten aanzien van zaak B heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij de invoer en/of wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne, en omdat zijn handelen niet kwalificeert als een bijdrage van voldoende gewicht aan de invoer. De raadsvrouw heeft betoogd dat de gedragingen van de verdachte niet wijzen op opzettelijke betrokkenheid. Zo kwam hij pas in de loods enkele uren nadat de cocaïne was gearriveerd. Daarnaast is het passend bij de werkzaamheden van de verdachte dat hij door de loods wandelt. Dit kan niet worden geïnterpreteerd als zoekend rondkijken. Verder is het niet vreemd dat de verdachte twee mannen (medeverdachten [naam 2] en [naam 3]) de loods heeft binnengelaten en ze kort de loods heeft laten betreden. Er kwamen wel vaker chauffeurs of klanten aan een zijdeur. Ook uit de telefoongegevens van de verdachte en de medeverdachten kan niet worden afgeleid dat de verdachte betrokken was bij, of een bijdrage heeft geleverd aan de invoer van cocaïne. Het telefoongesprek van 26 mei 2023 tussen de verdachte en de getuige [naam 4] wordt door de politie ten onrechte geïnterpreteerd als belastend. De raadsvrouw heeft tot slot als ‘alternatief scenario’ naar voren gebracht dat er concrete aanwijzingen zijn dat andere personen die werkzaam zijn bij [naam 1], namelijk ‘Oostblokkers’, betrokken zijn bij de invoer van de cocaïne op 21 mei 2023. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1. De bewijsmiddelen in zaak A en zaak B De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit in zaak A en de feiten 1 primair en 2 in zaak B op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen. De bewezenverklaring in zaak A volgt uit de bewijsmiddelen en behoeft – mede gelet op de standpunten van de verdediging en de officier van justitie – geen nadere motivering. De rechtbank zal hierna motiveren hoe zij tot de bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 van zaak B is gekomen. 4.2. Bewijsmotivering zaak B Op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen is besproken op de terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 21 mei 2023, rond 00:45 uur, wordt in een loods van het bedrijf [naam 1] B.V. (hierna: [naam 1]) in Aalsmeer op een vrachtplaat met nummer [nummer 1] een bloemendoos met airwaybillnummer [nummer 2] gevonden die met vluchtnummer [nummer 3] vanuit Bogota (Colombia) naar Luik (België) en vervolgens met luchtvervangend vervoer (vrachtwagen) naar [naam 1] in Aalsmeer is gestuurd. Deze bloemendoos hoort niet op deze vrachtplaat te liggen en is dan ook als zogenoemde ‘bijpak’ vervoerd. De inhoud van de doos zou moeten bestaan uit bloemen, maar in de doos zitten 26 met zwarte folie omwikkelde pakketten. Ook blijken er twee gps-trackers in de doos te zijn geplaatst. Na het aantreffen van de afwijkende inhoud van de doos wordt de directeur van [naam 1] geïnformeerd en wordt de doos apart gezet in het kantoor van de directie. Omstreeks 07:15 uur komt de Koninklijke Marechaussee ter plaatse en rond 09:40 uur wordt de bloemendoos met inhoud voor nader onderzoek overgebracht naar het Joint Inspection Centre Schiphol. De inhoud van de pakketten wordt getest en gewogen en het blijkt te gaan om ongeveer 25,5 kilogram cocaïne. Om 5:17 uur diezelfde dag begint [verdachte 2] aan zijn dienst: hij klokt in en loopt door de loods. Om 5:44 uur komt een witte Opel Vivaro bestelbus aanrijden bij een zijdeur van de loods van [naam 1]. Deze bus is op 20 mei 2023 gehuurd op naam van de vriendin van medeverdachte [naam 2] (hierna: [naam 2]). Om 5:45 uur opent [verdachte 2] de zijdeur, kijkt naar buiten en sluit de deur weer. Enkele seconden later opent [verdachte 2] de deur opnieuw en laat hij een man binnen. Dit blijkt later medeverdachte [naam 3] (hierna: [naam 3]) te zijn (de rechtbank leidt dit af uit bewijsmiddel 12 – kort gezegd: signalement – in combinatie met de telefoongegevens zoals opgenomen in bewijsmiddel 13 en 22 en 27). [verdachte 2] en [naam 3] lopen samen langs verschillende locaties in de loods. Om 5:49 uur komen [verdachte 2] en [naam 3] terug bij de zijdeur, gaan enkele seconden naar buiten en komen direct daarna opnieuw de loods binnen met een derde persoon. Deze derde persoon blijkt [naam 2] te zijn (de rechtbank leidt dit af uit bewijsmiddel 11 – kort gezegd: signalement – in combinatie met bewijsmiddel 32 betreffende na te noemen video waarop de stem van [naam 2] wordt herkend). Van 5:50 uur tot 6:04 uur lopen [verdachte 2], [naam 3] en [naam 2] gezamenlijk langs verschillende vrachtpallets in de loods. [naam 3] en [naam 2] hebben beiden een papier in hun hand. Het papier in de hand van [naam 2] betreft een air cargo manifest van Qatar Airways. Dat is te zien op een video die is aangetroffen in de telefoon van [naam 2]. In deze video is de loods van [naam 1] zichtbaar en zegt [naam 2]: ‘we zijn binnen’. Daarna worden er pallets met dozen gefilmd en komt het manifest in beeld. Op dit manifest staat dat de betreffende vracht vanuit Bogota (Colombia) via Luik (België) naar [naam 1] is verstuurd met vlucht [nummer 3]. Daarnaast is het nummer van de vrachtplaat van de betreffende vracht leesbaar: [nummer 1]. Dit is het nummer van de vrachtplaat waarop de bloemendoos met de 26 pakketten cocaïne is aangetroffen. Verder is op de telefoon van [naam 2] een video aangetroffen waarop zichtbaar is dat iemand vrachtplaten met bloemendozen filmt. Eén doos wordt specifiek in beeld gebracht: dit betreft een bloemendoos met airwaybillnummer [nummer 2]. Daarna wordt het nummer van de vrachtplaat in beeld gebracht. De vrachtplaat heeft het nummer [nummer 1]. De vloer en de rollerbanen die zichtbaar zijn in de video komen niet overeen met de loods van [naam 1]. Kennelijk is deze video op een andere locatie gemaakt. De nummers van de doos en de vrachtplaat zijn wel gelijk aan de nummers van de doos en de vrachtplaat waarin de 26 pakketten met cocaïne zijn aangetroffen bij [naam 1]. Verder wordt op de telefoon van [naam 2] een schermafbeelding van Flightradar 24 aangetroffen. Op de schermafbeelding is een vlucht weergegeven. De weergegeven vlucht betreft Qatar Cargo vliegtuig met vluchtnummer [nummer 3]. Dit vluchtnummer is eveneens weergegeven op het manifest en betreft kennelijk de vlucht waarmee de 26 pakketten met cocaïne zijn vervoerd. Nadat [verdachte 2], [naam 3] en [naam 2] gezamenlijk gedurende ongeveer 14 minuten door de loods hebben gelopen, verlaten [naam 3] en [naam 2] de loods en rijden zij om 6:05 uur samen weg in de Opel Vivaro. Om 6:35 uur komt de Opel Vivaro terug naar de loods en rijdt heen en weer over de parkeerplaats van [naam 1]. Ook om 06:53 uur is de Opel Vivaro rijdend op de openbare weg gezien op de camerabeelden van [naam 1]. Op 25 mei 2023 wordt de directeur van [naam 1], [naam 5], bij zijn huis benaderd door een man. Hij vraagt [naam 5] waar de in beslag genomen bloemendoos zich bevindt, wil weten hoeveel kilo er in beslag was genomen en verzoekt om een bewijs van inbeslagname. Een dag later, op 26 mei 2023, neemt [naam 2] telefonisch contact op met [naam 5] en vraagt of het klopt dat er gisteren ‘iemand van ons’ is langs geweest en of [naam 5] de verklaring kan toesturen via de app. Op 26 mei 2023 voert [verdachte 2] een telefoongesprek met [naam 4]. In dit gesprek meldt [verdachte 2] dat het ‘sinds vandaag wel weer rustig is’. Wanneer [naam 4] wordt gevraagd naar dit gesprek, verklaart [naam 4] dat dit gesprek met [verdachte 2] ging over ‘gezeik tussen [verdachte 2] en een gozer die [bijnaam] wordt genoemd’. [naam 4] verklaart ook dat ‘[bijnaam]’ in een gele Mercedes AMG A45 rijdt. De haardracht van [naam 2] past bij de omschrijving ‘[bijnaam]’, uit de politiesystemen blijkt dat deze bijnaam vaker voor [naam 2] wordt gebruikt. Verder rijdt [naam 2] in een (opvallende) gele Mercedes AMG A45. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte 2] en [naam 3] elkaars nummers in meerdere telefoons hebben opgeslagen als contact, zij hebben in 2022 reeds contact met elkaar gehad en hebben na 21 mei 2023 opnieuw contact met elkaar gezocht. De rol van [verdachte 2] De rechtbank stelt voorop dat bij de invoer van cocaïne vanuit het buitenland naar Nederland per vrachtvliegtuig, op de wijze zoals die in dit geval aan de orde is, meerdere personen betrokken moeten zijn. Er zijn in het bronland personen die het transport organiseren en de doos met cocaïne verzenden, terwijl aan de ontvangstzijde personen nodig zijn die de doos met cocaïne onderkennen, veiligstellen en buiten het besloten systeem van de douane brengen. De personen aan de ontvangstzijde zullen op de hoogte moeten zijn van het moment van aankomst van de cocaïne en moeten ook de mogelijkheid hebben om de cocaïne in bezit te krijgen. Het is immers volstrekt onwaarschijnlijk dat de verzendende partij de cocaïne ‘op goed geluk’ verstuurt zonder zekerheden te hebben over de ontvangst en het veiligstellen van de cocaïne. In een besloten (douane)systeem, waar luchttransport onder valt, zullen in een geval als het onderhavige dan ook personen betrokken moeten worden die werkzaam zijn binnen een dergelijk systeem. De rechtbank is van oordeel dat het [verdachte 2] is geweest die deze rol op zich heeft genomen. De rechtbank overweegt daartoe dat [naam 1] onderdeel uitmaakt van een besloten douanesysteem in luchttransport, dat [verdachte 2] hier werkzaam was en was belast met de afhandeling van de vracht. [verdachte 2] is gestart aan zijn dienst kort nadat de cocaïne [naam 1] had bereikt. Op het moment dat [verdachte 2] aan zijn dienst begon, was de doos met cocaïne weliswaar onderschept door werknemers van [naam 1], maar bevond deze doos – waarin ook twee gps-trackers zaten – zich nog in de loods van [naam 1] (het kantoor van de directie). Immers, de Koninklijke Marechaussee is pas rond 7:15 uur naar de loods gekomen en heeft vervolgens de doos in beslag genomen. De persoon die de gps-trackers kon volgen, kon daardoor denken dat de cocaïne zich nog binnen het bereik van [verdachte 2] bevond op het moment dat hij zijn dienst begon en vervolgens met [naam 2] en [naam 3] door de loods liep. Nu de doos niet op de vrachtplaat behoorde te liggen – maar als ‘bijpak’ werd verzonden (zie bewijsmiddel 5) – en deze doos daarom, zo begrijpt de rechtbank de eigen verklaring van [verdachte 2], apart zou worden gezet, is het niet relevant dat [verdachte 2] pas enige uren nadat de cocaïne was gearriveerd, aan zijn dienst begon. [verdachte 2] heeft [naam 2] en [naam 3] – die kennelijk een bekende was van [verdachte 2], zo leidt de rechtbank af uit de hiervoor weergegeven ‘telefoongegevens’ – via een zijdeur de loods heeft binnengelaten, terwijl zij niet bevoegd waren om de loods te betreden, nu zij geen werknemers zijn van [naam 1] en nergens uit blijkt dat zij zich als klant of chauffeur hebben gemeld bij [naam 1]. [verdachte 2] loop vervolgens met deze twee personen gedurende ongeveer veertien minuten door de loods. Daarbij is van belang dat [naam 2] op dat moment een air cargo manifest vasthield met daarop informatie over de vrachtzending met de doos met cocaïne en dat in zijn telefoon – kort gezegd – video’s en afbeeldingen zijn gevonden die kennelijk in relatie staan tot de vlucht en bloemendoos waarmee de cocaïne is ingevoerd. De rechtbank trekt op grond van dit alles de conclusie dat [verdachte 2], [naam 2] en [naam 3] door de loods liepen met als doel de doos met cocaïne te vinden. Verder leidt de rechtbank uit het telefoongesprek tussen [verdachte 2] en [naam 4] en de verklaring van Nieuwenhuis daarover, af dat [verdachte 2] en [naam 2] ‘gezeik’ hadden en dat dit ‘gezeik’ op 26 mei 2023 weer rustig was. In aanmerking genomen dat [naam 2] en [verdachte 2] samen in de loods waren waar op 21 mei 2023 de cocaïne in beslag is genomen en de omstandigheid dat [naam 2] op 26 mei 2023 van [naam 5] (de directeur van [naam 1]) de bevestiging heeft gekregen dat er een bewijs van inbeslagname van de cocaïne is en dat hij ([naam 2]) daarvan een ‘kopie’ (schermafbeelding) kan krijgen, gaat de rechtbank ervan uit dat dit ‘gezeik’ betrekking had op de verloren partij cocaïne. De rechtbank stelt op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, vast dat [verdachte 2] wist (vol opzet) dat bij de vrachtzending die op 21 mei 2023 bij [naam 1] aankwam, een doos met cocaïne als ‘bijpak’ aanwezig was, en dat hij handelingen heeft verricht met als doel die doos met cocaïne in handen van hemzelf en [naam 2] en [naam 3] te stellen. Hierin ligt logischerwijs besloten dat [verdachte 2] vóórdat de cocaïne werd verzonden, afspraken heeft gemaakt met anderen over zijn aanwezigheid in de loods van [naam 1] zodat hij de cocaïne na aankomst kon veiligstellen. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven bijdrage van [verdachte 2] van dusdanig gewicht is dat sprake is van medeplegen. [verdachte 2] was een onmisbare schakel bij het invoeren van cocaïne vanuit Colombia naar Nederland: zonder hem was er geen mogelijkheid voor de organisatie om in Nederland weer te kunnen beschikken over de cocaïne. De conclusie van de rechtbank ten aanzien van zaak B , feit 1 primair Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 2] zich met zijn handelen als medepleger heeft schuldig gemaakt aan de invoer van 25,5 kilogram cocaïne. De rechtbank merkt nog op dat hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht als ‘alternatief scenario’, te weten dat er aanwijzingen zijn dat er mogelijk bij [naam 1] werkzame ‘Oostblokkers’ betrokken zijn geweest bij het transport, geenszins afbreuk doet aan hetgeen hiervoor over betrokkenheid van [verdachte 2] is overwogen. Dit verweer wordt reeds daarom verworpen. De overige door de raadsvrouw gevoerde verweren vinden weerlegging in hetgeen hiervoor is overwogen en in de bewijsmiddelen, of zullen onbesproken blijven nu de rechtbank de onderdelen waartegen verweer is gevoerd niet heeft gebruikt in de bewijsvoering. De conclusie van de rechtbank ten aanzien van zaak B, feit 2 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van feit 1 primair en de bewijsmiddelen in de bijlage, acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 2] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd - voorbereidingshandelingen met betrekking tot het invoeren van 25,5 kilogram cocaïne. Dit maakt dat de rechtbank feit 2 ook bewezen zal verklaren. 4.3. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A ten laste gelegde feit en de feiten 1 primair en feit 2 van zaak B heeft begaan, met dien verstande dat: ten aanzien van zaak A hij in de periode van 18 oktober 2023 tot en met 16 januari 2024, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen om (telkens) (een) feit(en), bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen, - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.