RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 11497762 \ CV EXPL 25-209 (PA) Vonnis van 18 juni 2025 in de zaak van [eiser] H.O.D.N. [naam 1], te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: [gemachtigde], tegen [gedaagde] , H.O.D.N. [naam 2], te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: Dennis Guldemond Juridisch Adviesbureau, mr. D.H. Guldemond. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 7 januari 2025 - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie - het tussenvonnis van 5 maart 2025 - de conclusie van antwoord in reconventie - de mondelinge behandeling van 20 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] verhuurt begin maart 2024 een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan [gedaagde] . [gedaagde] gaat APK werkzaamheden verrichten in de garage van [eiser] . 2.2. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van drie jaren. De huurprijs bedraagt € 725,00 per maand. 2.3. Bij aanvang van de huurovereenkomst betaalt [gedaagde] aan [eiser] een borgsom van in totaal € 1.950,00. 2.4. Ingevolge artikel 2.1. van de huurovereenkomst maken de ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’ (hierna: Algemene Bepalingen) deel uit van de huurovereenkomst. 2.5. [gedaagde] start met zijn werkzaamheden per 1 maart 2024. 2.6. [gedaagde] ontruimt voor 1 mei 2024 zijn eigendommen uit het gehuurde. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert - samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 5.800,00 aan achterstallige huur, € 242,64 aan rente en € 804,65 aan buitengerechtelijke incassokosten. 3.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde] vordert - samengevat – betaling van € 1.950,00 aan niet geretourneerde waarborgsom en een bedrag van € 1.050,00 aan niet geretourneerde lening. 3.5. [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. Partijen twisten over de vragen (
- i)of de huurovereenkomst is beëindigd en zo ja wanneer, en (
- ii)of [gedaagde] uit hoofde van de huurovereenkomst nog iets moet betalen aan [eiser] . 4.2. Tussen partijen staat vast dat tussen hen een huurovereenkomst ex. artikel 7:230a BW voor bepaalde tijd is overeengekomen, de maandelijks te betalen huur € 725,00 bedroeg en deze huur door [gedaagde] sinds 1 mei 2024 niet meer is betaald. Het uitgangspunt is dan ook dat [gedaagde] de huur aan [eiser] moet betalen gedurende de huurovereenkomst. 4.3. De kantonrechter is van oordeel dat de huurovereenkomst tussen partijen in onderling overleg is beëindigd per 1 mei 2024. Dat oordeel wordt als volgt toegelicht. 4.4. Vast staat dat [gedaagde] per 1 mei 2024 uit het gehuurde is vertrokken. Verder staat vast dat [eiser] op 6 mei 2024 zijn RDW-diploma heeft gehaald ten behoeve van het uitvoeren van Apk-keuringen. Uit de door [gedaagde] overgelegde en niet betwiste stukken blijkt verder dat [eiser] vanaf begin mei 2024 daadwerkelijk Apk-keuringen heeft verricht. [eiser] heeft dus vrijwel meteen na het vertrek van [gedaagde] uit het gehuurde de Apk-werkzaamheden van [gedaagde] overgenomen.Verder blijkt uit de overgelegde brief van [vastgoedbedrijf] van 14 juli 2024 dat zij vindt dat [gedaagde] te veel fouten maakt, dat er een aantal voorvallen zijn geweest ‘die niet door de beugel konden’ en dat toen is ‘besloten om er mee te stoppen’. [vastgoedbedrijf] is de eigenaar van de roerende zaak waar de garage van [eiser] in zit. De eigenaar van [vastgoedbedrijf] is de heer [naam 3] , de vader van [eiser] . 4.5. Op zitting heeft [eiser] gezegd dat [gedaagde] zelf uit het gehuurde is vertrokken omdat de omzet tegenviel. Dit staat haaks op de overgelegde – niet betwiste – WhatsApp-communicatie die [gedaagde] met zijn moeder heeft gehad omtrent zijn vertrek uit het gehuurde. Daarin staat immers dat [eiser] erover na zit te denken om te stoppen met zijn bedrijf en dat zijn vader ook dwars ligt. Verder staat de stelling van [eiser] dat [gedaagde] zelf is vertrokken omdat de omzet tegenviel haaks op hetgeen zijn vader ter zitting heeft aangevoerd en hetgeen in de brief van 14 juli 2024 van [vastgoedbedrijf] staat, namelijk dat de werkzaamheden van [gedaagde] ondermaats waren en dat hij daarom niet langer gehandhaafd kon worden als Apk-keurmeester. 4.6. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de huurovereenkomst in onderling overleg is geëindigd per 1 mei 2024. Dit strookt ook met het feit dat [gedaagde] op geen enkele wijze door [eiser] is aangemaand om van het gehuurde gebruik te (blijven) maken. 4.7. Dit betekent dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde worden afgewezen. Omdat de huurovereenkomst in onderling overleg is geëindigd per 1 mei 2024 en [gedaagde] de huur heeft betaald tot 1 mei 2024, is geen sprake van een huurachterstand. De vordering tot betaling van die huurachterstand wordt daarom afgewezen. Ook de toekomstige termijnen worden afgewezen omdat geen sprake meer is van een huurovereenkomst. 4.8. Omdat de hoofdvorderingen worden afgewezen, zullen ook de nevenvorderingen worden afgewezen. 4.9. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 813,00 in reconventie 4.10. [gedaagde] vordert terugbetaling van de waarborgsom van € 1.950,00. In dat verband ligt ter beoordeling voor de vraag of [gedaagde] bij het einde van de huur zijn opleveringsverplichtingen naar behoren is nagekomen. Bij die beoordeling komt het erop aan om de feitelijke gang van zaken te spiegelen aan hetgeen partijen blijkens de overgelegde overeenkomst hebben afgesproken en hetgeen zij daarbij over en weer als goed huurder en verhuurder mochten verwachten. De beoordeling kan in het licht van hetgeen in de zaak van de conventie is overwogen en beslist kort zijn. De huurovereenkomst is in onderling overleg beëindigd. [gedaagde] heeft voor 1 mei 2024 het gehuurde ontruimd. [eiser] heeft niet gesteld dat [gedaagde] zijn opleveringsverplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Dit betekent dat [eiser] het bedrag van € 1.950,00 aan [gedaagde] dient terug te betalen. 4.11. De door [gedaagde] vanaf 1 mei 2024 gevorderde wettelijke rente over de terug te betalen waarborgsom wordt toegewezen, omdat [eiser] daartegen geen zelfstandig verweer heeft gevoerd. 4.12. [gedaagde] vordert daarnaast een bedrag van € 1.050,00. Hij stelt daartoe dat hij voornoemd bedrag heeft geleend aan [eiser] voor de aanschaf van een autotransporteur. Dit bedrag zou volgens [gedaagde] op enig moment onderling worden verrekend indien [gedaagde] kosten had binnen de samenwerking met [eiser] . Omdat de samenwerking is gestopt, is het hier niet van gekomen, aldus [gedaagde] . [eiser] betwist dat sprake is van een lening. [eiser] erkent wel dat sprake is van gezamenlijk eigendom van de autotransporteur. 4.13. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een geldleningsovereenkomst. [gedaagde] heeft daartoe, mede gelet op de betwisting door [eiser] , onvoldoende gesteld. Wel stelt de kantonrechter vast dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom van de autotransporteur. Dat de autotransporteur kennelijk op naam van [eiser] staat dan wel op naam van [naam 1] brengt niet mee dat [eiser] dan wel [naam 1] daarom ook eigenaar is van de autotransporteur. Kort gezegd is tenaamstelling iets anders dan eigendom. Omdat de autotransporteur gemeenschappelijk eigendom is van partijen, kan [gedaagde] verdeling vorderen. De kantonrechter vat zijn vordering daarom op die manier op. Gelet op het feit dat de samenwerking binnen enkele weken na de start is beëindigd, acht de kantonrechter het redelijk dat [eiser] het door [gedaagde] ingebrachte, en niet betwiste, bedrag terugbetaalt. De vordering tot betaling van € 1.050,00 wordt daarom toegewezen. 4.14. De door [gedaagde] vanaf 1 mei 2024 gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 1.050,00 wordt toegewezen, omdat [eiser] daartegen geen zelfstandig verweer heeft gevoerd. 4.15. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 169,50 (0,5 punt × € 339,00) Totaal € 169,50 5De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.5. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2024 tot de dag van volledige betaling, 5.6. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2024 tot de dag van volledige betaling, 5.7. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 169,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af, Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.