Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 23/4068 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2025 in de zaak tussen [eiseres] S.à.r.l., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigden: mr. H.C. Reinoud en S. Abkenar), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder. Procesverloop Aan eiseres is voor het jaar 2018 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 31.866.342 (hierna: de aanslag) en is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 1.090.
(2016)aan aftrekbare renten (en kosten) van geldleningen bij banken in aanmerking genomen. Verweerder heeft die rente (en kosten) niet gecorrigeerd op de voet van artikel 13l van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) bij het opleggen van de aanslagen voor die jaren. Uitstaande schulden en rente 2018 34. Het ten aanzien van eiseres in aanmerking te nemen gemiddelde totale bedrag aan geldleningen in de zin van artikel 13l Wet Vpb bedraagt in 2018 € 545.000.000 en het totale bedrag aan renten en kosten dat toerekenbaar is aan [bedrijf 18] bedraagt voor de toepassing van deze bepaling € 22.598.000. Geschil 35. In geschil is of verweerder terecht een bedrag van € 16.010.543 aan bovenmatige deelnemingsrente niet in aftrek heeft toegelaten op grond van artikel 13l Wet Vpb. Meer specifiek is in geschil of voor toepassing van artikel 13l Wet Vpb de verkrijgingsprijs van de aandelen [bedrijf 17] dient te worden bepaald aan de hand van de wettelijke bepalingen voor de vaststelling van het opgeofferd bedrag (met name artikel 13d, zesde lid, en artikel 13i Wet Vpb), zoals eiseres voorstaat, dan wel dat de verkrijgingsprijs een autonoom begrip is, waarbij de tegenprestatie voor de bij de aandelenfusie ingebrachte aandelen in aanmerking moet worden genomen, zoals verweerder voorstaat. Eiseres heeft zich voorwaardelijk, namelijk indien zij voor wat betreft de uitleg van het begrip verkrijgingsprijs in het gelijk wordt gesteld, op het standpunt gesteld dat bij de toepassing van artikel 13l van de Wet Vpb de in artikel 15, lid 16, van de Wet Vpb opgenomen per-elementbenadering buiten beschouwing dient te blijven wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts is de hoogte van de verkrijgingsprijs alsmede de hoogte van het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs ingevolge artikel 13l Wet Vpb in geschil. Meer subsidiair is in geschil of verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door niet aftrekbare deelnemingsrente in aanmerking te nemen en tot slot is in geschil of de belastingrente, voor zover geheven naar een tarief van 8%, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. 36. Ter zitting heeft eiseres haar stellingen ten aanzien van de op de zaak betrekking hebbende stukken in bezwaar en beroep en het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten ingetrokken. Beoordeling van het geschil 37. Opmerking vooraf: bij de beoordeling van het geschil zullen eiseres en haar rechtsvoorgangers worden aangeduid als eiseres, tenzij het voor de context nodig is de afzonderlijke benamingen te hanteren. Bovenmatige deelnemingsrente, wettelijk kader 38. Artikel 13l Wet Vpb bevat bepalingen op grond waarvan bovenmatige deelnemingsrenten en -kosten van aftrek op de winst worden uitgesloten. Daarbij wordt eerst met behulp van rekenregels de zogenoemde deelnemingsschuld bepaald, en vervolgens de bovenmatige deelnemingsrente en de niet aftrekbare rente. Vereenvoudigd weergegeven is de deelnemingsschuld de verkrijgingsprijs van de deelnemingen minus het eigen vermogen van de belanghebbende (waarbij de deelnemingsschuld nooit meer bedraagt dan het gezamenlijke bedrag van de geldleningen en het gezamenlijke bedrag van de verkrijgingsprijs van de deelnemingen). Het bovenmatige deel van de deelnemingsrente is vervolgens gelijk aan de verhouding tussen de gemiddelde deelnemingsschulden en de gemiddelde geldleningen ((gemiddelde deelnemingsschulden/gemiddelde geldleningen) * totale rente (en kosten) = bovenmatige deelnemingsrente). De bovenmatige deelnemingsrente is niet aftrekbaar voor zover die meer bedraagt dan € 750.000. 39. Om het ondernemings- en vestigingsklimaat zoveel mogelijk te ontzien, is in artikel 13l, vijfde lid, Wet Vpb een bepaling opgenomen op grond waarvan uitbreidings-investeringen bij de bepaling van de verkrijgingsprijs buiten aanmerking blijven. De bepaling luidt als volgt: “Voor de toepassing van het derde lid blijft de verkrijgingsprijs van een deelneming buiten aanmerking voor zover het belang in het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden is verworven of uitgebreid of daarin eigen vermogen is gebracht in verband met een uitbreiding op dat moment dan wel in de daaraan voorafgaande of daarop volgende periode van twaalf maanden van de operationele activiteiten van de groep bestaande uit de belastingplichtige tezamen met de met hem verbonden lichamen en de verkrijgingsprijs is toe te rekenen aan de hiervoor bedoelde uitbreiding van operationele activiteiten.” 40. In het zesde lid van artikel 13l Wet Vpb is een drietal “misbruik”-situaties omschreven waarin (onder meer) deze uitzonderingsregeling geen toepassing vindt. 41. In het elfde lid van artikel 13l Wet Vpb is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld voor de toepassing van dit artikel ingeval de belastingplichtige is betrokken bij een reorganisatie. Deze regels zijn opgenomen in het Besluit van 16 januari 2013, houdende vaststelling van het Besluit aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente (Stb 2013, 22), zoals gewijzigd bij Besluit van 17 december 2014 (Stb 2014, 579) en Besluit van 21 december 2016 (Stb 2016, 549) (Besluit). De artikelen 2 tot en met 5 van het Besluit (geldend van 1 januari 2017 t/m 31 december 2018) luiden: “Artikel 2 Reorganisatie Van een reorganisatie is voor de toepassing van dit besluit sprake: a. ingeval: 1°. de bezittingen van een tot het concern behorend lichaam zich wijzigen als gevolg van een verkrijging van aandelen van een ander tot het concern behorend lichaam, of 2°. aandelen worden verkregen in een lichaam waarin door een tot het concern behorend lichaam aandelen zijn ingebracht of waarop door een tot het concern behorend lichaam gehouden aandelen zijn overgegaan, dan wel aandelen worden verkregen in een met het eerstbedoelde lichaam verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de wet, en de verkregen aandelen een deelneming vormen en de ingebrachte of overgegane aandelen een deelneming vormden van een tot het concern behorend lichaam of een deelneming van een tot het concern behorend lichaam zouden hebben gevormd ingeval dat tot het concern behorende lichaam in Nederland zou zijn gevestigd; b. ingeval vermogensbestanddelen, niet zijnde aandelen, worden verkregen door, dan wel ingebracht tegen uitreiking van aandelen in een lichaam waarin een tot het concern behorend lichaam een deelneming heeft of als gevolg van de uitreiking van de aandelen verkrijgt, dan wel een deelneming zou hebben of verkrijgen indien laatstgenoemd lichaam in Nederland zou zijn gevestigd. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval de inbreng in de vorm van een storting van kapitaal in het verkrijgende lichaam plaatsvindt waarbij de verhoging van het gestorte kapitaal gelijk wordt gesteld met een uitreiking van aandelen. Artikel 3 Kwalificerend deel verkrijgingsprijs Het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs van aandelen is het volgens dit besluit te bepalen deel van de verkrijgingsprijs van aandelen dat voor de toepassing van artikel 13l, vijfde lid, van de wet geacht wordt verband te houden met een uitbreiding van de operationele activiteiten. Artikel 4 Verkrijging van aandelen 1. Bij een reorganisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen gesteld op de verkrijgingsprijs van de aandelen die deel uitmaken van de reorganisatie bij eerste verkrijging daarvan door het concern vermeerderd met de op die aandelen gedane kapitaalstortingen en verminderd met de terugbetalingen van kapitaal, doch ten hoogste op het bedrag van de verkrijgingsprijs op het tijdstip van de verkrijging door de belastingplichtige, voor zover: a. de hiervoor bedoelde eerste verkrijging en de kapitaalstortingen verband hielden met een uitbreiding van de operationele activiteiten, en b. de activiteiten van het lichaam waarin de aandelen worden verkregen onmiddellijk of middellijk als operationele activiteiten kunnen worden aangemerkt. 2. Ingeval de aandelen die door de belastingplichtige in het kader van een reorganisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, worden verkregen voor een groter deel met geldleningen worden gefinancierd dan het geval was bij eerste verkrijging, wordt het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs van die aandelen bij de belastingplichtige naar evenredigheid verminderd. 3. Bij een reorganisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 2°, die tegen uitreiking van aandelen plaatsvindt, wordt het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs van de uitgereikte aandelen vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het eerste en tweede lid. 4. Indien bij eerste verkrijging door het concern van aandelen in een lichaam, tot de bezittingen van dat lichaam onmiddellijk of middellijk aandelen behoren, wordt, ingeval laatstgenoemde aandelen door een tot het concern behorend lichaam worden verkregen in het kader van een reorganisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor de toepassing van het eerste lid de verkrijgingsprijs van die aandelen bij eerste verkrijging gesteld op een evenredig deel van de verkrijgingsprijs van de aandelen in het door het concern verkregen lichaam. Ingeval de eerste volzin toepassing vindt, wordt de laatstgenoemde verkrijgingsprijs verminderd met het in die volzin bedoelde evenredige deel. (…) Artikel 5 Inbreng van vermogensbestanddelen tegen uitreiking van aandelen In geval van een reorganisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen gesteld op de fiscale boekwaarde van de in verband met de uitreiking van die aandelen ingebrachte vermogensbestanddelen, verminderd met de fiscale reserves en met de financiering met geldleningen die met de overgedragen vermogensbestanddelen samenhangt en geen deel uitmaakt van de ingebrachte vermogensbestanddelen. In geval van een reorganisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen gesteld op de verkrijgingsprijs, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid verminderd met de fiscale boekwaarde van de overgedragen vermogensbestanddelen die niet worden aangewend voor de uitoefening van de operationele activiteiten.” 42. Met ingang van 1 januari 2018 is de toepassing van artikel 13l Wet Vpb gewijzigd in die zin dat in artikel 15, zestiende lid, Wet Vpb vanaf die datum is bepaald dat artikel 13l Wet Vpb moet worden toegepast “als ware er geen fiscale eenheid”. Begrip verkrijgingsprijs 43. Tussen partijen is ten eerste in geschil hoe het begrip verkrijgingsprijs in de zin van artikel 13l Wet Vpb dient te worden uitgelegd. 44. Eiseres voert in dit verband – kort weergegeven – aan dat voor de bepaling van de verkrijgingsprijs het opgeofferd bedrag in de zin van de liquidatieverliesregeling (artikel 13d Wet Vpb) het uitgangspunt vormt. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst zij ten eerste naar de wetsgeschiedenis van artikel 13l Wet Vpb, alsmede naar het Besluit en de toelichting van de wet- en besluitgever daarop. De voor de aandelenruil specifieke reorganisatiebepalingen van (onder meer) artikel 13d, zesde lid, en artikel 13i Wet Vpb moeten ook voor de bepaling van de verkrijgingsprijs van artikel 13l Wet Vpb worden toegepast, aldus eiseres. 45. Verweerder heeft zich daartegenover (kort weergegeven) op het standpunt gesteld dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 13l Wet Vpb juist volgt dat de wetgever in die bepaling bewust heeft gekozen voor een autonoom begrip verkrijgingsprijs en niet heeft willen aansluiten bij het begrip opgeofferd bedrag in de zin van artikel 13d Wet Vpb. 46. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit geschilpunt als volgt. Het begrip verkrijgingsprijs zoals opgenomen in artikel 13l Wet Vpb is voor de toepassing van die bepaling niet nader gedefinieerd. De rechtbank acht (evenals partijen) voor de invulling van dit begrip, de wetsgeschiedenis van artikel 13l Wet Vpb van belang. In deze wetsgeschiedenis is ten aanzien van het begrip verkrijgingsprijs het volgende opgenomen (cursivering door de rechtbank): “De verkrijgingsprijs voor de toepassing van artikel 131 is een dynamisch begrip. Dat wil zeggen dat transacties in de kapitaalsfeer tussen de belastingplichtige en het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden de verkrijgingsprijs van die deelneming beïnvloeden. Onder de verkrijgingsprijs van een deelneming wordt in ieder geval begrepen de tegenprestatie bij de verwerving of de uitbreiding van de deelneming vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten. Tot de verkrijgingsprijs behoren bijvoorbeeld ook na de verwerving gedane kapitaalstortingen (waaronder informele kapitaalstortingen) in het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden, alsmede de daarmee samenhangende te activeren kosten.” (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 287, nr. 3, blz. 24.) “De leden van de fractie van het CDA vragen om een toelichting waarom niet is gekozen voor het begrip opgeofferd bedrag in plaats van het begrip verkrijgingsprijs. Aan deze leden kan worden toegegeven dat de begrippen opgeofferd bedrag en verkrijgingsprijs niet ver uit elkaar liggen. Het begrip opgeofferd bedrag komt slechts naar voren ingeval er sprake is van een liquidatieverlies in de zin van artikel 13d van de Wet Vpb 1969. Het opgeofferde bedrag wordt in dit kader vermeerderd, zoals kan plaatsvinden ingevolge artikel 13e, en verminderd met een aantal bedragen, zoals dividenduitdelingen. Deze vermeerderingen en verminderingen zijn niet relevant voor de bepaling van de verkrijgingsprijs. Om verwarring te voorkomen, is gekozen voor een ander begrip dan opgeofferd bedrag en is aangesloten bij de verkrijgingsprijs. Het begrip verkrijgingsprijs is ook bij de overnameholding van artikel 15ad van de Wet Vpb 1969 gebruikt.” (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 287, nr. 7, blz. 26.) “De NOB heeft ten aanzien van de verkrijgingsprijs een aantal vragen. Deze vragen hebben onder andere betrekking op het meegekochte dividend, de informele kapitaalstortingen en voorzieningen die toerekenbaar zijn aan de deelneming. Bij de bepaling van de hoogte van de verkrijgingsprijs en de invloed daarop in de situaties als door de NOB beschreven vormt de jurisprudentie inzake de bepaling van het opgeofferde bedrag in de zin van artikel 13d van de Wet Vpb 1969 het uitgangspunt. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat de correcties van het opgeofferde bedrag die in verband met een liquidatieverlies moeten worden aangebracht, niet van toepassing zijn op de verkrijgingsprijs.” (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 287, nr. 7, blz. 39.) 47. De rechtbank leidt uit de wetsgeschiedenis (met name de gecursiveerde passages) af dat de wetgever met de keuze voor het begrip verkrijgingsprijs in artikel 13l Wet Vpb juist onderscheid heeft willen aanbrengen ten opzichte van het begrip opgeofferd bedrag zoals gebruikt in de liquidatieverliesregeling. Alhoewel er parallellen bestaan tussen deze begrippen, heeft de wetgever gekozen voor een autonoom begrip verkrijgingsprijs. Daaronder wordt in ieder geval begrepen de tegenprestatie bij de verwerving of de uitbreiding van de deelneming vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten, alsmede na de verwerving gedane (informele) kapitaalstortingen. Anders dan eiseres heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat dus niet het opgeofferde bedrag van artikel 13d Wet Vpb tot uitgangspunt dient bij de bepaling van de verkrijgingsprijs en dat ook niet de ‘doorschuifbepalingen’ van artikel 13d, zesde lid, en/of artikel 13i Wet Vpb daarbij van (overeenkomstige) toepassing zijn. Weliswaar verwijst de wetgever voor wat betreft het meegekochte dividend, de informele kapitaalstortingen en voorzieningen die toerekenbaar zijn aan de deelneming expliciet naar de jurisprudentie inzake de bepaling van het opgeofferde bedrag in de zin van artikel 13d van de Wet Vpb, maar naar het oordeel van de rechtbank strekt deze verwijzing niet verder dan die specifieke onderdelen. Uit de verwijzing door de wetgever naar de jurisprudentie op die onderdelen kan, anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, niet worden afgeleid dat de wettelijke bepalingen van artikel 13d, zesde lid, en/of artikel 13i Wet Vpb van overeenkomstige toepassing zijn bij de bepaling van de verkrijgingsprijs. Uit het feit dat de wetgever in de wetsgeschiedenis niet expliciet heeft afgezien van de toepassing van deze bepalingen, kan ook niet (a contrario) worden afgeleid dat het de bedoeling is geweest deze bepalingen toe te passen bij de bepaling van de verkrijgingsprijs, zoals eiseres heeft bepleit. 48. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt mede naar de door de wetgever en besluitgever gegeven toelichting op het Besluit. Daarbij heeft zij aangevoerd dat de wet- en besluitgever hierin de wens heeft uitgedrukt om obstakels voor interne reorganisaties te voorkomen en dat daarom de doorschuifbepalingen van artikel 13d, zesde lid, artikel 13i Wet Vpb en de aandelenfusiefaciliteit van artikel 3.55 Wet IB 2001 van toepassing zijn bij de bepaling van de verkrijgingsprijs. In de Memorie van Antwoord bij de totstandkoming van artikel 13l Wet Vpb is onder meer de volgende toelichting gegeven op het destijds nog tot stand te brengen Besluit (cursiveringen door de rechtbank): “De leden van de fracties van de VVD en D66 vragen inzicht te bieden in de hoofdlijnen van de algemene maatregel van bestuur (AMvB). (…) Voorts vragen de leden van de fractie van de VVD bij de beschrijving van de hoofdlijnen onder meer in te gaan op de omstandigheden waaronder interne verhangingen kunnen blijven kwalificeren als een uitbreiding van de operationele activiteiten, de kwalificatie van de verkrijgingsprijs en de voorziene regels met betrekking tot de financiering in dat geval. (…) Wat betreft de hoofdlijnen van de AMvB wordt het volgende opgemerkt. (…) Wat betreft de hoogte van de verkrijgingsprijs zijn twee omstandigheden van belang. Inzake de hoogte van de verkrijgingsprijs waaraan de kwalificatie uitbreidingsinvestering kan worden gegeven, zal worden aangesloten bij het vaststellen van het opgeofferd bedrag in de verschillende reorganisatiebepalingen. Zo zal worden aangesloten bij artikel 13d, zesde lid, van de Wet Vpb 1969. Dit brengt met zich mee dat de door te schuiven verkrijgingsprijs niet kan uitgaan boven de verkrijgingsprijs bij het lichaam van wie de aandelen in het kader van de reorganisatie worden verkregen. De situatie kan zich echter voordoen dat de aandelen die in het kader van een interne verhanging worden verkregen een hogere aankoopprijs (verkrijgingsprijs) hebben dan het bedrag dat was gemoeid met de eerste verwerving van de aandelen. In die situatie zal het verschil tussen de verkrijgingsprijs die kan worden doorgeschoven en de feitelijke verkrijgingsprijs niet als uitbreidingsinvestering kunnen worden aangemerkt.” (Kamerstukken I, 2011-2012, 33 287, D, blz. 22 en 23.) En in de toelichting bij het Besluit (Stb 2013, 22) is onder meer opgenomen: “Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 13l, elfde lid, en 15ad, negende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969). Het betreft de werking van de aftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente in geval van reorganisaties van een concern, zoals een verkoop van een deelneming binnen het concern, een fusie of een splitsing. Het begrip reorganisatie wordt in dit kader ruim uitgelegd. Hiermee worden obstakels voorkomen voor herstructureringen die niet binnen de wettelijke twaalfmaandsperiode van artikel 13l, vijfde lid, van de Wet Vpb 1969 zijn gerealiseerd. Nu is gekozen voor een ruime uitleg van het begrip reorganisatie, is het besluit zodanig opgesteld dat conform de strekking van artikel 13l van de Wet Vpb 1969 wordt voorkomen dat additionele rentelasten naar Nederland worden verschoven. Verder wordt de werking van de aftrekbeperking geregeld bij het aangaan of verbreken van een fiscale eenheid. Dit besluit regelt welke verkrijgingsprijs van een deelneming voor de toepassing van artikel 13l van de Wet Vpb 1969 dient te worden gehanteerd en welk deel daarvan op basis van het vijfde lid van dit artikel, voor de toepassing van de rekenregel van het derde lid hiervan, achterwege gelaten mag worden. (…). Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat de in artikel 13l, vijfde lid, van de Wet Vpb 1969 opgenomen periode van twaalf maanden los moet worden gezien van de regels van dit besluit. Dit betekent dat het besluit slechts van toepassing is ten aanzien van reorganisaties die plaatsvinden nadat de periode van twaalf maanden is verstreken. Heeft zich echter een reorganisatie voorgedaan binnen deze periode en na het verstrijken van deze periode vindt wederom een reorganisatie plaats, dan is voor de bepaling van de verkrijgingsprijs en de financiering van de aandelen de reorganisatie binnen de twaalf maanden niet meer relevant. Voor de verkrijgingsprijs van de aandelen en de financiering daarvan wordt voor de toepassing van dit besluit dan uitgegaan van de situatie bij eerste verkrijging van de aandelen door het concern.” 49. Gelijk verweerder heeft gesteld, moeten deze toelichtingen, alsmede de toelichting bij artikel 4, derde lid, Besluit waarnaar eiseres heeft verwezen, worden gezien in het licht van de uitzonderingsbepaling van artikel 13l, vijfde lid, Wet Vpb en (voor zover hier van belang) artikel 4 Besluit dat specifiek ziet op de bepaling van het deel van de verkrijgingsprijs dat voor de toepassing van artikel 13l, vijfde lid, Wet Vpb geacht wordt verband te houden met een uitbreiding van de operationele activiteiten (het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs) en dat daarom buiten beschouwing mag blijven bij de bepaling van de deelnemingsschuld. De door de wet- en besluitgever in dat verband gegeven toelichtingen geven dan ook geen inzicht in de definitie van de verkrijgingsprijs sec (van artikel 13l, derde lid, Wet Vpb) en leiden niet tot een ander oordeel dan hiervoor weergegeven. Overigens volgt ook uit het door de wetgever in de Memorie van Antwoord gegeven voorbeeld in de laatste vijf zinnen van het citaat dat de ‘feitelijke verkrijgingsprijs’ los staat van de bepaling van het deel van de verkrijgingsprijs dat als uitbreidingsinvestering buiten beschouwing mag blijven in het kader van een interne verhanging (het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs). De rechtbank merkt verder op dat het Besluit voor wat betreft de bepaling van het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs een eigen ‘doorschuifregeling’ kent en dat dat hier dus – anders dan eiseres heeft betoogd – evenmin artikel 13d, zesde lid, Wet Vpb op van toepassing is. Aan de opmerking in de Memorie van Antwoord dat zal worden “aangesloten bij artikel 13d, zesde lid, Wet Vpb”, kan, anders dan eiseres kennelijk meent, niet de betekenis worden toegekend dat die bepaling zou worden opgenomen in het Besluit of dat daarnaar rechtstreeks zou worden verwezen. Bovendien geldt dat voor zover dat al initieel de bedoeling zou zijn geweest van de wetgever, daar kennelijk later bij de totstandkoming van het Besluit van is afgezien. Ook in zoverre komt aan de toelichting bij het Besluit geen betekenis toe. 50. Eiseres haar stelling dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door artikel 13l Wet Vpb in strijd met de bedoeling van de wetgever uit te leggen, stuit reeds af op hetgeen hiervoor is overwogen. De door verweerder gegeven wetsuitleg is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de bedoeling van de wetgever. De stelling van eiseres dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat de toepassing door verweerder van artikel 13l Wet Vpb een zeer nadelige uitwerking voor haar heeft, slaagt evenmin. Bij de toepassing van artikel 13l Wet Vpb heeft verweerder geen discretionaire bevoegdheid; het is een gebonden beslissing waarbij geen belangenafweging aan de orde is. 51. Voor zover eiseres ter onderbouwing van haar standpunt heeft verwezen naar artikel 5 Besluit en daarmee een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. Deze bepaling in het Besluit ziet specifiek op de inbreng van vermogensbestanddelen tegen uitreiking van aandelen en niet op een aandelenfusie zoals hier aan de orde. Er is geen sprake van rechtens dan wel feitelijk gelijke gevallen, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel om die reden niet opgaat. 52. De conclusie van het voorgaande is dat het gelijk in zoverre aan verweerder is en dat de ‘doorschuifbepalingen’ van artikel 13d, zesde lid, en artikel 13i Wet Vpb, noch de aandelenfusiefaciliteit van artikel 3.55 Wet IB 2001 van toepassing zijn bij de bepaling van de verkrijgingsprijs. 53. Voor zover eiseres heeft gesteld dat deze uitleg van het begrip verkrijgingsprijs niet in overeenstemming is met de Richtlijn 2009/133/EEG (Fusierichtlijn), omdat de onderhavige interne reorganisatie tot een significant fiscaal nadeel voor eiseres leidt, faalt die stelling eveneens. Artikel 13l van de Wet Vpb beperkt de aftrek op de winst van bovenmatige deelnemingsrenten en -kosten en betreft geen bepaling waarbij overdrachtswinst ter zake van een aandelenfusie in de winst wordt betrokken. De aftrekbeperking waar eiseres mee wordt geconfronteerd, vindt ook niet zijn oorzaak in de aandelenfusie, maar in de verhouding tussen het eigen en vreemd vermogen waarmee de deelnemingen van eiseres (worden geacht
- te)zijn gefinancierd. Voor de toepassing van artikel 13l Wet Vpb maakt het verder geen verschil of sprake is van een binnenlandse aandelenfusie of een grensoverschrijdende aandelenfusie. Eiseres zou dus met dezelfde renteaftrekbeperking zijn geconfronteerd als (bij overigens gelijke omstandigheden) sprake zou zijn geweest van inbreng van Nederlandse aandelen. De rechtbank ziet dan ook niet in dat de hiervoor gegeven uitleg van het begrip verkrijgingsprijs in artikel 13l Wet Vpb in strijd komt met een van bepalingen of de doelstellingen van de Fusierichtlijn, zodat de stelling om die reden faalt. Opmerking verdient nog dat, zoals verweerder heeft aangevoerd, een aandelenfusie in beginsel geen nadelige gevolgen heeft voor de toepassing van artikel 13l Wet Vpb. Dit omdat het eigen vermogen van de belanghebbende toeneemt met de verkrijgingsprijs van de (door aandelenfusie verkregen) deelneming, zodat de deelnemingsschuld voor en na de aandelenfusie gelijk blijft. Dat kan evenwel anders uitwerken indien het eigen vermogen van de belanghebbende (en zoals in het geval van eiseres) voor de aandelenfusie negatief is. In zo’n geval kan een aandelenfusie er toe leiden dat de deelnemingsschuld hoger wordt, met als gevolg dat er meer beperking van renteaftrek ontstaat. Die beperking wordt zoals gezegd niet veroorzaakt door de aandelenfusie, maar door de verhouding tussen het eigen en vreemd vermogen waarmee de deelnemingen (worden geacht
- te)zijn gefinancierd. Rechtszekerheidsbeginsel artikel 15, zestiende lid, Wet Vpb 54. De standpunten van eiseres met betrekking tot het buiten toepassing laten van de in artikel 15, zestiende lid, Wet Vpb opgenomen per-elementbenadering wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel (alsmede het daarmee samenhangende beroep op het gelijkheidsbeginsel) heeft zij voorwaardelijk ingenomen, namelijk alleen voor zover zij in het gelijk gesteld zou worden voor wat betreft de uitleg van het begrip verkrijgingsprijs. Nu aan die voorwaarde niet wordt voldaan, komt de rechtbank aan deze standpunten niet toe. 55. De toepassing van artikel 15, zestiende lid, Wet Vpb betekent voor de onderhavige zaak dat het geschil aangaande artikel 13l Wet Vpb zich verder toespitst op [bedrijf 18] en (de verkrijgingsprijs van) haar enige deelneming in [bedrijf 17] , aangezien vrijwel alle rentelasten van de fiscale eenheid verschuldigd zijn door [bedrijf 18] . Hoogte verkrijgingsprijs aandelen [bedrijf 17] 56. Verweerder heeft gesteld dat de verkrijgingsprijs van de deelneming in [bedrijf 17] BV per l januari 2018 dient te worden gesteld op € 544.248.000. Dit bedrag is volgens verweerder als volgt samengesteld: De tegenprestatie van € 382.000.000 bestaande uit de waarde in het economische verkeer van de aandelen [bedrijf 17] ter gelegenheid van de aandelenfusie op 29 augustus 2013 waarbij [bedrijf 16] de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 17] ten titel van storting van agio inbrengt in [bedrijf 18] . Een agiostorting in contanten van € 159.055.000 op of omstreeks 30 september 2013 door [bedrijf 18] op de aandelen [bedrijf 17] . De tegenprestatie van € 3.193.000 bestaande uit de waarde in het economische verkeer van de aandelen [bedrijf 2] SA ter gelegenheid van een storting in 2015 door [bedrijf 18] van de aandelen in [bedrijf 2] SA in de vorm van agio op de aandelen [bedrijf 17] . Per 31 december 2018 bedraagt de verkrijgingsprijs volgens verweerder € 288.248.000 vanwege een (tussen partijen niet in geschil zijnde) terugbetaling van agio van € 256.000.000 in 2018 (€ 544.248.000 - € 256.000.000). 57. Eiseres heeft bij een uitleg van het begrip verkrijgingsprijs waartoe de rechtbank hiervoor is gekomen, gesteld dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn bewijslast voor zover hij bij
- i)en iii) gebruik heeft gemaakt van interne verrekenprijzen als tegenprestatie ter zake van de aandelen [bedrijf 17] en [bedrijf 2] SA. De rechtbank volgt deze stelling niet. Verweerder heeft aan zijn bewijslast voldaan door de door eiseres zelf gehanteerde interne verrekenprijs als tegenprestatie aan te merken. Voor zover eiseres in haar nadere stuk van 24 januari 2025 stelt dat de door haar zelf gehanteerde interne verrekenprijzen niet overeenkomen met de waarde in het economische verkeer van de aandelen [bedrijf 17] en [bedrijf 2] SA en dat daarom toch van een lagere tegenprestatie dient te worden uitgegaan, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast naar het oordeel van de rechtbank mee, dat eiseres daarvan de bewijslast heeft. Eiseres heeft geen enkele onderbouwing gegeven voor haar stelling, zodat zij niet in haar bewijslast is geslaagd. Voor wat betreft de aandelen [bedrijf 17] geldt bovendien dat in de beschrijving ex artikel 204b Boek 2 BW (zie 7) expliciet door het bestuur van [bedrijf 18] is verklaard dat de onderneming is gewaardeerd op basis van ‘fair market value’, dat de waarde van de in te brengen aandelen € 382.000.000 bedraagt op 29 augustus 2013 en dat de bij de vaststelling van deze waarden toegepaste waarderingsmethoden voldoen aan normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. 58. Eiseres heeft ten aanzien van de verkrijgingsprijs verder aangevoerd dat [bedrijf 17] in 2017 een terugbetaling van kapitaal heeft gedaan ten bedrage van € 45.000.000 aan [bedrijf 18] , welke in mindering dient te komen op de verkrijgingsprijs. 59. Verweerder heeft gesteld dat dit bedrag geen terugbetaling van kapitaal betreft, maar een dividenduitkering. Verweerder verwijst hierbij naar de feiten opgenomen onder 17-24. 60. Uit het feitencomplex en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het begrip verkrijgingsprijs volgt dat de verkrijgingsprijs van [bedrijf 17] per 1 januari 2017 € 544.248.000 bedraagt. Vast staat dat de uitkering van € 45.000.000 in 2017 door [bedrijf 17] aan [bedrijf 18] blijkens de verwerking in de administratie van die vennootschappen (zie 21) en de aangifte van [bedrijf 1] (zie 24), geheel ten laste van de agioreserve is gedaan, hetgeen ook niet anders mogelijk was aangezien [bedrijf 17] een significante negatieve winstreserve had per 31 december 2017 (zie 24). Deze uitkering dient naar het oordeel van de rechtbank voor de toepassing van artikel 13l Wet Vpb, gelet op het dynamische karakter van het begrip verkrijgingsprijs (zie MvT in 40), dan ook te worden gezien als de terugbetaling van een deel van de verkrijgingsprijs van [bedrijf 17] . Dat eiseres voornemens was een dividend uit te keren en dat in de verschillende stukken van eiseres deze uitkering wisselend is aangeduid als ‘profit distribution’, ‘transfer of funds’ en dividend, doet daaraan niet af, aangezien de uitkering feitelijk geheel ten laste is gekomen van de agioreserve, die voor ten minste het bedrag van € 45.000.000 is gevormd met agiostortingen die (direct of indirect) onderdeel uitmaken van de verkrijgingsprijs. Dit bedrag dient dan ook in mindering te komen op de verkrijgingsprijs van [bedrijf 17] per 1 januari 2018 en 31 december 2018. Kwalificerend deel/buiten aanmerking blijvend deel van de verkrijgingsprijs 61. Eiseres heeft betoogd dat het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs 90% bedraagt van de verkrijgingsprijs van de aandelen [bedrijf 17] bij de verkrijging van [bedrijf 16] op 1 januari 2011, derhalve 90% van € 235.933.000 is € 212.339.700. Eiseres ontleent deze berekening aan (een overeenkomstige toepassing van) artikel 4, vijfde lid, Besluit. Zij stelt dat deze bepaling (overeenkomstig) moet worden toegepast, omdat er méér dan zeven jaar en dus langer dan de wettelijke bewaartermijn in de tijd moet worden teruggegaan voor het bepalen van de verkrijgingsprijs en het kwalificerende deel ervan. Dit wordt veroorzaakt door de werking van artikel 15, zestiende lid, Wet Vpb, waardoor voor het jaar 2018 artikel 13l Wet Vpb moet worden toegepast als ware er geen fiscale eenheid. Door (overeenkomstige) toepassing van artikel 4, vijfde lid, Besluit wordt voorkomen dat eiseres in een onmogelijke bewijspositie komt te verkeren, zo vervolgt zij. 62. Verweerder stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat het kwalificerende deel dan wel het buiten aanmerking blijvende deel van de verkrijgingsprijs op beide peildata € 12.031.000 bedraagt. 63. Bij de invoering van artikel 13l Wet Vpb in 2013 is een bewijsrechtelijke verlichting opgenomen in artikel 4, vijfde lid, Besluit die er kortweg op neerkomt dat voor deelnemingen die al op 31 december 2006 deel uitmaken van een tot het concern behorend lichaam, het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs van die aandelen wordt gesteld op 90% van de verkrijgingsprijs van de aandelen. Niet in geschil is dat [bedrijf 17] is opgericht op 23 maart 2007. Aangezien [bedrijf 17] dus pas na 31 december 2006 deel is gaan uitmaken van het concern, wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor deze bewijsrechtelijke verlichting. Voor zover eiseres overeenkomstige toepassing van deze bepaling heeft bepleit, gelet op de werking van artikel 15, zestiende lid, Wet Vpb, volgt de rechtbank dat niet. In een NOB commentaar van 6 juli 2018 is het volgende opgemerkt in verband met de spoedreparatie fiscale eenheid: “Als de staatssecretaris volhardt in handhaving van dit zeer controversiële wetsvoorstel, kan de staatssecretaris het bedrijfsleven (en de Belastingdienst) een praktische oplossing aanreiken om de vaststelling van de fiscale verplichtingen ten aanzien van de toepassing van art. 131 Wet Vpb 1969 na spoedreparatie te vergemakkelijken? De Orde denkt hierbij aan een regeling waarbij de vaststelling van de bruto verkrijgingsprijs van een deelneming in een gevoegde dochtermaatschappij kan worden gebaseerd op de balans van de desbetreffende dochtermaatschappij, en aan een regeling op grond waarvan voor een fiscale eenheid die ten miste zeven jaren bestaat het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs optioneel kan worden vastgesteld op 90% van de aldus bepaalde bruto verkrijgingsprijs. De Orde wijst er hierop op dat destijds bij de invoering van art. 131 Wet Vpb 1969 met recht is gekozen voor een eerbiedigende werking voor wat betreft deelnemingen die reeds voor de aanvang van boekjaar 2006 bestonden. Naar de mening van de Orde kan de Inwerkingtreding van het spoedreparatieregime worden gezien als een zodanig grote uitbreiding van het bereik van art. 131 Wet Vpb 1969 dat een vergelijkbare eerbiedigende werking voor bestaande structuren gerechtvaardigd is. Deze eerbiedigende werking kan bijvoorbeeld inhouden dat de verkrijgingsprijs en het kwalificerende deel daarvan wordt gefixeerd naar de toestand op 25 oktober 2017, 11.00 uur.” 64. In de wetsgeschiedenis bij de Wet spoedreparatie fiscale eenheid is ten aanzien van de verkrijgingsprijs van artikel 13l Wet Vpb opgenomen: “De leden van de fractie van 50PLUS vragen om een reactie op de vraag van VNONCW en MKB-Nederland over hoe de verkrijgingsprijs van de deelneming wordt bepaald voor de toepassing van de spoedreparatie met betrekking tot de renteaftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente. Voor de toepassing van deze renteaftrekbeperking als ware er geen fiscale eenheid is de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de deelneming het uitgangspunt en moet het Besluit aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente dienovereenkomstig worden toegepast. Aangezien de verkrijgingsprijs een dynamisch begrip is, zijn transacties in de deelnemingssfeer na verwerving van een deelneming - zoals een (informele) kapitaalstorting - van invloed op de omvang van de verkrijgingsprijs van die deelneming. Doordat voor de toepassing van deze renteaftrekbeperking als ware er geen fiscale eenheid ook alle deelnemingsverhoudingen binnen fiscale eenheid zichtbaar worden, is de hoogte van de verkrijgingsprijs van de deelnemingen bij de aandeelhouder van invloed op de omvang van het eigen vermogen van de aandeelhouder voor de toepassing van deze bepaling”. En “Daarnaast vraagt de NOB om een praktische oplossing aan te reiken voor de vaststelling van de verkrijgingsprijs bij de toepassing van de renteaftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente. De oorspronkelijke verkrijgingsprijs is het uitgangspunt, maar de belastingplichtige kan kiezen voor een forfaitaire benadering op grond van artikel 13l, tiende lid, Wet Vpb 1969. Voor deelnemingen die zijn verworven of uitgebreid of waarin eigen vermogen is ingebracht in een boekjaar dat is aangevangen vóór of op 1 januari 2006 (oude deelnemingen) kan een optionele forfaitaire benadering worden gebruikt. Als de belastingplichtige kiest voor deze forfaitaire benadering kan 90% van de verkrijgingsprijs van de oude deelnemingen buiten aanmerking worden gelaten bij het bepalen van de deelnemingsschuld, dit mede in antwoord op de vraag van VNO-NCW.” (Kamerstukken II, 2018-2019, 34 959, nr. 7, blz. 42 en 62) 65. De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om de bij invoering van artikel 13l Wet Vpb opgenomen bewijsrechtelijke verlichting van artikel 4, vijfde lid, Besluit (alsmede die van artikel 13l, tiende lid, Wet Vpb) niet uit te breiden of te wijzigen naar aanleiding van de Wet spoedreparatie fiscale eenheid. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor een uitbreiding of ‘overeenkomstige toepassing’ van deze bepaling op de wijze die eiseres heeft voorgesteld. Uitbreiding operationele activiteiten 66. Verder heeft eiseres aangevoerd dat van de agiostorting in 2013 van € 159.055.000 (agiostorting 2) een bedrag van € 91.242.000 ziet op de uitbreiding van de operationele activiteiten van de groep in een periode van 12 maanden voorafgaand aan of volgend op die storting. Volgens eiseres ziet een bedrag van € 78.200.000 op de aankoop van de ondernemingen [bedrijf 24] en [bedrijf 25] van derden, en een bedrag van € 13.042.000 op de aankoop van [bedrijf 6] BV van derden. 67. Verweerder heeft betwist dat in zoverre sprake is van een uitbreiding van de operationele activiteiten die in mindering kan komen op de verkrijgingsprijs. Ter onderbouwing heeft verweerder aangevoerd dat de in de loop van 2011 door [bedrijf 21] SA extern verworven belangen in onder meer [bedrijf 24] sro en [bedrijf 25] SA weliswaar zijn aan te merken als een uitbreiding van de operationele activiteiten van het concern, maar dat deze verkrijgingen (ruim) meer dan twaalf maanden voorafgaand aan agiostorting 2 hebben plaatsgevonden en dat daarom de tegemoetkoming van artikel 131, vijfde lid, Wet Vpb niet geldt. Het Besluit biedt volgens verweerder evenmin soelaas, omdat een agiostorting in contanten niet kwalificeert als een reorganisatie als bedoeld in artikel 13, elfde lid, Wet Vpb juncto artikel 2, onderdeel b, Besluit. De verwerving van de aandelen in [bedrijf 6] BV door [bedrijf 17] op 2 januari 2014 leidt volgens verweerder evenmin tot het in aanmerking nemen van een bepaald bedrag als kwalificerend deel van de verkrijgingsprijs van de aandelen van [bedrijf 18] in [bedrijf 17] , omdat de verwerving is gefinancierd met een lening verstrekt door [bedrijf 18] aan [bedrijf 17] . Er is daarom geen verband tussen de agiostorting in contanten door [bedrijf 18] in [bedrijf 17] op of omstreeks 30 september 2013 en de uitbreiding van de operationele activiteiten op 2 januari 2014. [bedrijf 17] heeft de als agio gestorte contanten voor een ander doel aangewend dan de verwerving van de aandelen in [bedrijf 6] BV. Zowel artikel 131, vijfde lid, Wet Vpb als het Besluit missen daardoor toepassing, zo vervolgt verweerder. 68. Ten aanzien van de voor de uitzondering van artikel 13l, vijfde lid, Wet Vpb benodigde feiten geldt dat eiseres deze dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken. Eiseres heeft de door verweerder naar voren gebrachte feiten niet betwist en overigens in afwijking daarvan ook geen feiten aannemelijk gemaakt. Dit brengt mee dat de rechtbank er vanuit gaat dat: de verkrijging van de belangen in onder meer [bedrijf 24] sro en [bedrijf 25] SA in de loop van 2011 heeft plaatsgevonden, derhalve meer dan twaalf maanden voorafgaand aan agiostorting 2; en de verwerving van de aandelen in [bedrijf 6] BV door [bedrijf 17] op 2 januari 2014 is gefinancierd met een lening verstrekt door [bedrijf 18] aan [bedrijf 17] . 69. Gelet op deze feiten kan er, gelijk het standpunt van verweerder, met betrekking tot verwerving van de belangen in [bedrijf 24] sro en [bedrijf 25] SA in 2011 en [bedrijf 6] BV in 2014 geen deel van de verkrijgingsprijs buiten aanmerking worden gelaten op de voet van artikel 13l, vijfde lid, Wet Vpb. 70. Daarvoor is bij de verkrijging van de belangen in [bedrijf 24] sro en [bedrijf 25] SA immers op de voet van artikel 13l, vijfde lid, Wet Vpb vereist dat deze uitbreiding moet hebben plaatsgevonden binnen twaalf maanden voor- of nadat het eigen vermogen is ingebracht in [bedrijf 17] . Agiostorting 2 was op of omstreeks 30 september 2013, en dat is buiten de termijn van twaalf maanden. Voor toepassing van het Besluit is naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen plaats. De bij agiostorting 2 door [bedrijf 17] verkregen liquide middelen zijn niet aan te merken als een reorganisatie als bedoeld in het Besluit, zodat de daarin opgenomen uitzondering (artikel 5 Besluit) toepassing mist. Artikel 2 Besluit is bij de totstandkoming als volgt toegelicht in de Nota van Toelichting: “De inbreng van aandelen is geregeld in artikel 2, onderdeel a. In artikel 2, onderdeel b, kan het onder meer gaan om een zogeheten bedrijfsfusie, een juridische splitsing dan wel een juridische fusie. De tweede volzin van artikel 2 ziet op de situatie dat er, bijvoorbeeld in het kader van een fusie, geen aandelen worden uitgereikt. Alsdan vindt er een storting van kapitaal plaats in het verkrijgende lichaam die in dit kader gelijk wordt gesteld met een uitreiking van aandelen. Hierdoor kan er eveneens een verkrijgingsprijs worden vastgesteld.” De onderhavige storting in contanten is niet gedaan in het kader van een fusie (althans eiseres heeft dat gesteld noch aannemelijk gemaakt) en is naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk te stellen aan een reorganisatie in de zin van artikel 2, onderdeel b, Besluit. 71. Voor de verwerving van de aandelen in [bedrijf 6] BV geldt dat de op de voet van artikel 13l, vijfde lid, Wet Vpb vereiste relatie tussen agiostorting 2 (en derhalve de verkrijgingsprijs van [bedrijf 17] ) en de operationele uitbreiding ontbreekt. Toepassing van artikel 5 Besluit stuit hierop ook af. Niet aftrekbare deelnemingsrente 72. Het voorgaande leidt tot de volgende berekening van de niet aftrekbare deelnemingsrente (€): 1 januari 2018 31 december 2018 Verkrijgingsprijs 2013: agiostorting l 382.000.000 382.000.000 2013: agiostorting 2 159.055.000 159.055.000 2015: agiostorting 3 3.193.000 3.193.000 2017: terugbetaling agio -45.000.000 -45.000.000 2018: terugbetaling agio 0 -256.000.000 Verkrijgingsprijs 499.248.000 243.248.000 Af: kwalificerend deel 2013: inbreng aandelen [bedrijf 17] 12.000.000 12.000.000 2014: kapitaalst. [bedrijf 2] SA bij oprichting 31.000 31.000 Kwalificerend deel verkrijgingsprijs 12.031.000 12.031.000 Gecorrigeerde verkrijgingsprijs 487.217.000 231.217.000 Het gemiddelde bedrag aan in aanmerking te nemen deelnemingsschulden als bedoeld in artikel 13l, tweede lid, Wet Vpb bedraagt gelet hierop € 359.217.000 en de in die bepaling opgenomen verhoudingsbreuk bedraagt dan: € 359.217.000/€ 545.000.000 (totale geldleningen) = 0,6591. De bovenmatige deelnemingsrente bedraagt € 22.598.000* 0,6591 = € 14.894.341 en de niet aftrekbare deelnemingsrente bedraagt op grond van artikel 13l, eerste lid, Wet Vpb: € 14.894.341 - € 750.000 (drempel) = € 14.144.341. Vertrouwensbeginsel 73. Eiseres heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Eiseres heeft daarbij een beroep gedaan op het arrest van 18 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:BH8148 (het Boekenclubarrest). Daarin is het volgende overwogen in ro. 3.5: “Aldus heeft het Hof miskend dat voor een in rechte te beschermen vertrouwen in gevallen als het onderhavige niet vereist is dat de aangelegenheid bij een boekenonderzoek door de belastingadministratie daadwerkelijk op haar fiscale merites is beoordeeld, doch dat voldoende is dat de belastingplichtige in de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat zulks het geval was. Dit zal zich in het algemeen voordoen, indien de betrokken aangelegenheid verhoudingsgewijs van zodanig belang is dat zij niet aan de aandacht van de met de controle belaste ambtenaren kan zijn ontsnapt, en bovendien de gevolgen voor de belastingheffing van dien aard zijn dat het voor de hand ligt om critische opmerkingen te maken, zo niet tot naheffing over te gaan. Alsdan zal de Inspecteur, door niettemin generlei opmerking te maken en naheffing achterwege te laten, in het algemeen bij de belastingplichtige het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat de wijze waarop deze de betrokken aangelegenheid in fiscaal opzicht heeft behandeld, zijn goedkeuring kan wegdragen.” 74. Ook heeft eiseres verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179. Daarin is opgenomen: “Afgezien van het geval dat de gedragslijn berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Deze indruk is doorgaans niet gewettigd, indien de gedragslijn van de inspecteur voor de belastingheffing in het verleden geen of verhoudingsgewijs geringe gevolgen heeft gehad. Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid.” 75. Eiseres heeft in het kader van het Boekenclubarrest aangevoerd dat verweerder volledig op de hoogte was van de herstructurering in 2015 en dat hij de renteaftrekbeperking van artikel 13l Wet Vpb niet over het hoofd kan hebben gezien. Tijdens het op 20 november 2017 gevoerde bedrijfsgesprek is uitvoerig en zeer gedetailleerd gesproken over onder meer de herstructurering in 2015 en 2016 en de herfinanciering op het niveau van [bedrijf 18] en is gedetailleerd ingegaan op verschillende (vele malen kleinere) kostenposten, waaronder consultancykosten, audit- en accountancykosten op het niveau van de individuele vennootschappen binnen de fiscale eenheid [bedrijf 1] . Ook tijdens dit gesprek heeft verweerder niet gevraagd naar de gevolgen die deze onderwerpen zouden kunnen hebben voor de toepassing van artikel 13l Wet Vpb, terwijl de omvang van de renteaftrek en de gevolgen hiervan van dien aard zijn dat het voor de hand had gelegen dat verweerder hierover vragen had gesteld. Eiseres heeft daarnaast uitvoerig met verweerder gecorrespondeerd over de herstructurering in 2015 en 2016 en de aangifte Vpb 2015 en verschillende kosten uit 2016. De aangifte Vpb 2015 is zeer zorgvuldig onderzocht en verweerder beschikte over alle benodigde informatie voor toepassing van artikel 13l Wet Vpb. Door het nalaten van het maken van enige opmerking over de renteaftrek en door het volgen van de ingediende aangiften Vpb voor de jaren 2015 en 2016 voor wat betreft de renteaftrek, mocht eiseres aannemen dat de renteaftrek dan wel de toepassing van artikel 13l Wet Vpb op haar fiscale merites is beoordeeld. Bij eiseres is aldus het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat verweerder het (in de aangiften Vpb opgenomen) standpunt van eiseres, namelijk dat artikel 13l Wet Vpb niet leidt tot beperking van de renteaftrek, deelde. Weliswaar was anders dan in het Boekenclubarrest geen sprake van een daadwerkelijk boekenonderzoek, maar de uitvoerige correspondentie met verweerder, het bedrijfsgesprek van 20 november 2017 en alle op verzoek van verweerder door eiseres verstrekte documenten moeten als geheel gelijk worden gesteld met een boekenonderzoek, in ieder geval met betrekking tot de toepassing van artikel 13l Wet Vpb, zo vervolgt eiseres. Ook is er volgens eiseres gelet op het voorgaande sprake van bijzonder omstandigheden die bij haar de indruk hebben gewekt dat bij verweerder sprake was van een bewuste standpuntbepaling ten aanzien van de door eiseres in de aangiften Vpb 2015 en 2016 gevolgde gedragslijn bij de toepassing van artikel 13l Wet Vpb. In de aangiften Vpb 2015 en 2016 is geen rente in aftrek beperkt op grond van artikel 13l Wet Vpb, en deze aangiften zijn door verweerder gevolgd. 76. Verweerder bestrijdt dat hij expliciet dan wel impliciet akkoord is gegaan met de wijze waarop eiseres toepassing heeft gegeven aan artikel 13l Wet Vpb. Het arrest uit 1991 ziet volgens verweerder op een essentieel andere situatie, namelijk die waarin de inspecteur tijdens een periodieke controle omzetbelasting heeft nagelaten vragen te stellen over een in het oog springend onderwerp met een aanzienlijk fiscaal belang. In het onderhavige geval is van een dergelijke controle geen sprake geweest, zodat het arrest toepassing mist. Artikel 13l Wet Vpb bevat daarbij een ingewikkelde regeling die niet eerder expliciet of impliciet aan de orde was gebracht, terwijl de feiten en omstandigheden niet een aanwijzing of reden gaven voor toetsing aan deze bepaling, zodat niet kan worden gezegd dat een juiste toepassing van deze bepaling een in het oog springend onderwerp als bedoeld in het arrest was. Het fiscaal belang kon alleen duidelijk worden na een grondig onderzoek, waar de feiten en omstandigheden geen aanleiding voor gaven. Verweerder heeft verder gesteld dat de voor de aangifte 2015 en 2016 opgevraagde en door eiseres verstrekte informatie niet zag op de (potentiële) toepassing van artikel 13l Wet Vpb en dat die informatie ook niet het volledige inzicht verschafte voor een juiste toepassing van deze bepaling. Volgens verweerder spitste de discussie tussen partijen zich in de periode vóór 26 september 2019 zich vooral toe op de waardering van de overgedragen Nederlandse kernactiviteiten aan [bedrijf 2] SA tegen het 10 jarige winstrecht, en in het verlengde daarvan de winstverdeling tussen Nederland en [vestigingsplaats] . Artikel 131 Wet Vpb en de eventuele impact daarvan op de belastingpositie van eiseres is voorafgaand aan de beoordeling van de aanslagregeling 2017 nimmer ter sprake gekomen. 77. De rechtbank stelt vast dat de toepassing van artikel 13l Wet Vpb vóór de aanslagregeling 2017 tussen verweerder en eiseres niet expliciet aan de orde is gesteld en dat verweerder daarover geen expliciete uitlatingen tegenover eiseres heeft gedaan. Pas bij het onderzoek van de aangifte Vpb 2017 en de daarover gestelde vragen en door eiseres gegeven antwoorden (e-mail van 26 september 2019) is dit onderwerp expliciet aan de orde gekomen. Voor wat betreft het beroep op het Boekenclubarrest geldt verder dat bij eiseres geen sprake is geweest van een boekenonderzoek betreffende de ingediende aangiften Vpb 2015 of 2016. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar beroep op het vertrouwensbeginsel de e-mailcorrespondentie tussen 11 mei 2017 en 8 november 2017 overgelegd (zie 28-31) die is voorafgegaan aan het bedrijfsgesprek van 20 november 2017 (zie 32). Naar het oordeel van de rechtbank kan de inhoud van deze correspondentie en het bedrijfsgesprek van 20 november 2017 niet worden gelijkgesteld met de inhoud van een boekenonderzoek betreffende de aangifte Vpb over een bepaald jaar, zoals eiseres heeft bepleit. Uit de correspondentie en het bedrijfsgesprek volgt met name dat verweerder bezig was informatie te vergaren om zich een beeld te vormen ten aanzien van de herstructurering in 2015 en 2016 in zijn algemeenheid en de daarbij gemaakte kosten en is ingegaan op een aantal specifieke punten betreffende de aangifte Vpb 2015. Van een intensieve controle van de aangifte Vpb 2015, zoals eiseres heeft gesteld, blijkt uit deze correspondentie en het bedrijfsgesprek niet. Dat op een aantal specifieke punten vragen zijn gesteld over de aangifte Vpb 2015 en dat vragen zijn gesteld over de herstructurering, waarop eiseres vervolgens heeft geantwoord, is niet gelijk te stellen met een boekenonderzoek. Bij een boekenonderzoek worden immers één of meer aangiften uitdrukkelijk onderzocht op aanvaardbaarheid en worden de bevindingen door de inspecteur in een rapport neergelegd, waarbij bepaalde onderwerpen daadwerkelijk en definitief op hun fiscale merites worden beoordeeld. Een dergelijke gang van zaken is hier niet aan de orde. In zoverre mist het Boekenclubarrest, dat in het bijzonder gaat over een geval waarin wel een boekenonderzoek plaats had gevonden, toepassing. Dat verweerder in de correspondentie en tijdens het bedrijfsgesprek geen enkele opmerking heeft gemaakt over de toepassing van artikel 13l Wet Vpb of daar vragen over heeft gesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank bij eiseres dan ook redelijkerwijs niet de indruk hebben gewekt dat verweerder akkoord was met de wijze waarop eiseres toepassing heeft gegeven aan artikel 13l Wet Vpb. 78. Dat de aanslagen Vpb 2015 en 2016 voor wat betreft de toepassing van artikel 13l Wet Vpb overeenkomstig de aangiften zijn opgelegd, leidt niet tot een andere conclusie. Omstandigheden die bij eiseres redelijkerwijs de indruk hebben kunnen wekken dat het volgen van de aangiften door verweerder op het punt van de toepassing van artikel 13l Wet Vpb berustte op een bewuste standpuntbepaling, zijn gelet op het hiervoor overwogene ook niet aannemelijk geworden. De stelling van eiseres dat verweerder voor de vaststelling van de aanslagen Vpb 2015 en 2016 over alle benodigde informatie beschikte ten aanzien van de toepassing van artikel 13l Wet Vpb wordt door de rechtbank verworpen. Verweerder heeft deze stelling uitdrukkelijk betwist, en zonder nadere toelichting op de bij verweerder aanwezige gegevens is de aftrekbeperking op grond van artikel 13l Wet Vpb ook niet op te merken en vast te stellen. Nu eiseres de (door haar verdedigde) toepassing van artikel 13l Wet Vpb niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld of deze toepassing op enig ander moment op enigerlei wijze tussen partijen aan de orde is geweest, en gelet op alle overige feiten en omstandigheden, is er geen grond om te oordelen dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. 79. Eiseres stelt verder dat tijdens het sluiten van de VSO 2017 is overeengekomen dat niet meer zal worden teruggekomen op de jaren tot en met 2016 en dat dit impliceert dat alle materiële zaken zijn behandeld en dat daarmee duidelijk was dat de aftrek van de rente niet in geschil was. Zij heeft verwezen naar de passage in 9 opgenomen passage uit paragraaf 5 van de VSO 2017. De door eiseres gestelde overeenkomst is daarin niet opgenomen, noch elders in de VSO 2017. Daarin staat alleen dat de aanslagen vennootschapsbelasting 2013 en 2014 door verweerder om praktische redenen worden geregeld conform de ingediende aangiften en is expliciet bepaald dat geen sprake is van bewuste standpuntbepaling voor wat betreft andere fiscale items. Voor de jaren 2013 en 2014 speelde de renteaftrekbeperking van artikel 13l Wet Vpb overigens nog niet en vast staat dat pas na het sluiten van de VSO 2017 de toepassing van artikel 13l Wet Vpb door verweerder ter sprake is gebracht. Aangezien verweerder de door eiseres gestelde overeenkomst betwist en bij gebreke van enige andere onderbouwing, moet de stelling van eiseres worden verworpen. 80. Eiseres voert in het kader van het vertrouwensbeginsel tot slot nog aan dat zij, indien zij ten tijde van de onderhandelingen over de VSO 2017 bekend was geweest met de onderhavige rentecorrectie door verweerder, zij het compromis zoals vastgelegd in de VSO 2017 niet had geaccepteerd. De rechtbank merkt op dat de klacht niet ziet op gewekt vertrouwen ten aanzien van de renteaftrek voor de onderhavige aanslag, maar op de (totstandkoming van
- de)VSO 2017. Aangezien de (totstandkoming van
- de)VSO 2017 niet voorligt in deze procedure, kan de klacht niet slagen en gaat de rechtbank hieraan voorbij. 81. Voor zover eiseres zich in het algemeen overigens nog heeft beroepen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het geval de rechtbank haar niet of niet geheel volgt in de door haar voorgestane renteaftrek, is die beroepsgrond op geen enkele wijze gemotiveerd, zodat de rechtbank die afwijst. Belastingrente 82. Eiseres heeft in haar nader stuk, met (de enkele) verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361, het standpunt ingenomen dat voor zover de belastingrente is berekend naar een hoogte van 8% of hoger, dit percentage onverbindend is. Eiseres stelt zich hierbij kennelijk op het standpunt dat de belastingrente van 8% wegens strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel dient te worden verminderd. 83. Tot 1 oktober 2020 was het belastingrentepercentage geregeld in artikel 30hb, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Het percentage voor de Vpb was hierbij gelijkgesteld aan de wettelijke rente voor handelstransacties, met een minimumpercentage van 8. Dit percentage is in verband met de COVID-19-crisis voor (onder meer) de Vpb met ingang van 1 juni 2020 verlaagd naar 0,01 (brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 maart 2020, CE-AEP/20077147). De verlaging was aanvankelijk beoogd voor een periode van drie maanden. In de memorie van toelichting bij de Verzamelspoedwet COVID-19 (Kamerstukken II 2019–2020, 35 457, nr. 3, blz. 7) is hierover onder andere het volgende opgemerkt: “Zoals aangekondigd is de verlaging van de belasting- en invorderingsrente een tijdelijke maatregel. Het is de bedoeling dat de lagere percentages gedurende drie maanden van kracht blijven. Ook de budgettaire gevolgen (zie hieronder) zijn gebaseerd op een drie maanden geldende verlaging naar 0,01%. Het uitgangspunt van het kabinet is dat de percentages ná deze drie maanden weer op de onder het oude regime geldende percentages van 4% en 8% worden gesteld. In de genoemde brief van 17 maart 2020 heeft het kabinet echter ook aangegeven dat afhankelijk van de ontwikkelingen rondom de COVID-19-crisis noodzakelijke en passende (fiscale) vervolgmaatregelen zullen worden getroffen indien de situatie daartoe noopt. Om enige mate van flexibiliteit te bewaren ten aanzien van het moment waarop de rentepercentages worden verhoogd, wordt voorgesteld te bepalen dat de vaststelling van de rentepercentages vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen moment bij algemene maatregel van bestuur plaatsvindt. Vanaf dat moment worden de voor de belastingrente geldende percentages dus niet langer in de AWR opgenomen, maar in een algemene maatregel van bestuur.” 84. Met ingang van 1 oktober 2020 is het belastingrentepercentage op grond van een delegatiebepaling in (het gewijzigde) artikel 30hb Awr een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage. In het op deze delegatiebepaling gebaseerde Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) is het percentage met ingang van 1 oktober 2020 bepaald op de wettelijke rente voor handelstransacties met een ondergrens van aanvankelijk 4% (tot 31 december 2021) en daarna weer 8%. 85. De onderhavige belastingrente heeft betrekking op de periode l juli 2019 tot en met 24 december 2022. In de hier van belang zijnde periode golden aldus de volgende belastingrentepercentages: Periode Belastingrente Regelgeving 1 juli 2019 - 30 mei 2020 8% artikel 30hb, lid 2, Awr 1 juni 2020 - 30 september 2020 0,01% artikel 30hb, lid 2, Awr 1 oktober 2020 - 31 december 2021 4% artikel 1, onderdeel b, Bbi 1 januari 2022 - 24 december 2022 8% artikel 1, onderdeel b, Bbi 86. Voor wat betreft de belastingrente van 8% die aan eiseres is berekend in de periode vanaf 1 juli 2019 tot en met 30 mei 2020, geldt dat deze berust op artikel 30hb, tweede lid, Awr. De Awr is een wet in formele zin. Een bepaling van een zodanige wet wordt slechts buiten toepassing gelaten wegens strijdigheid met een fundamenteel rechtsbeginsel indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om voor de belastingrente voor de Vpb aan te sluiten bij de wettelijke rente voor handelstransacties en daarbij een ondergrens van 8% te hanteren (TK 2013-2014, 33 755, nr. 3, blz. 2 en verder). Het minimumpercentage van 8 is niet dusdanig hoog dat kan worden gezegd dat sprake is van strijdigheid met een fundamenteel rechtsbeginsel, ook al is dat minimumpercentage uitsluitend ingevoerd vanwege budgettaire motieven. De wetgever heeft het percentage bovendien (tijdelijk) omlaag bijgesteld toen de maatschappelijke ontwikkelingen daartoe aanleiding gaven. Verder geldt het minimumpercentage ook bij het vergoeden van belastingrente. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte om af te wijken van de wettelijke bepaling van artikel 30hb, tweede lid, Awr. 87. Voor wat betreft de belastingrente van 8% die aan eiseres is berekend in de periode vanaf 1 januari 2022 tot en met 24 december 2022, geldt het volgende. De rechtbank stelt voorop dat het relevante belastingrentepercentage op grond van artikel 30hb Awr, zoals dat met ingang van 1 oktober 2020 luidt, bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld (in het Bbi). Het uitgangspunt is dat aan de staatsecretaris hierbij beleidsruimte toekomt en dat de rechter zich terughoudend opstelt bij de beoordeling van de vraag of de staatssecretaris in redelijkheid tot vaststelling van het besluit heeft kunnen komen (vgl. HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1360). Ten aanzien van artikel 1, onderdeel b, Bbi is geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel dan wel een algemeen rechtsbeginsel of een onredelijke of willekeurige heffing die de delegerende formele wetgever niet voor ogen kan hebben gestaan. Het was van meet af aan duidelijk dat het belastingrentepercentage na een tijdelijke verlaging in verband met de COVID-19-crisis weer zou worden vastgesteld overeenkomstig het daarvoor geldende artikel 30hb, tweede lid, Awr. Bovendien was ook duidelijk dat het onder het oude regime geldende minimumpercentage van 8 weer zou gaan gelden (brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 maart 2020 en Memorie van Toelichting bij de Verzamelwet COVID-19). Bij de invoering van het Bbi is dan ook uitvoering gegeven aan hetgeen de wetgever heeft beoogd. Het minimumpercentage van 8 is, zoals hiervoor overwogen niet dusdanig hoog dat de besluitgever (die de bedoeling van de wetgever heeft gevolgd) daarmee buiten zijn ruime beoordelingsmarge is getreden, waarbij mede wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in onderdeel 86. 88. Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank eiseres dus niet in haar stelling dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. De belastingrente wordt wel verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag. Slotsom 89. Het beroep dient gegrond te worden verklaard, gelet op de verlaging van de verkrijgingsprijs van de aandelen [bedrijf 17] in verband met de uitkering van € 45.000.000 in 2017. Dit leidt tot een niet aftrekbare deelnemingsrente van € 14.144.341, in plaats van € 16.010.543 zoals bij uitspraak op bezwaar is bepaald. Het belastbaar bedrag wordt als gevolg hiervan verminderd tot € 24.421.241. Voor het overige is het beroep ongegrond. Proceskosten 90. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in verband met het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.628 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 2 wegens het gewicht van de zaak). De kosten van het bezwaar zijn door verweerder al bij uitspraak op bezwaar toegekend. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar behoudens de beslissing betreffende de vergoeding van de bezwaarkosten; vermindert de aanslag Vpb 2018 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 24.421.241; vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig; bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.628; en draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, voorzitter, mr. J. Snitker en mr. G.H. de Soeten, leden in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).