← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:6609

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: 11600650 \ AO VERZ 25-26 (rvk) Beschikking van 18 juni 2025 in de zaak van 1de besloten vennootschap Tandartspraktijk Drechterland B.V., te Venhuizen,

  1. [verzoekster sub 2], te [woonplaats] verzoekende partijen, verwerende partijen in het tegenverzoek, hierna te noemen: Drechterland en [verzoekster sub 2] , gemachtigde: mr. A. Tel, tegen [verweerder] , te [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. B. van Kasteel. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat er geen redelijke grond is voor ontbinding. 1De procedure 1.
  2. Drechterland en [verzoekster sub 2] hebben een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend. 1.
  3. Op 21 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verweerder] heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. 2De feiten 2.
  4. Drechterland is een tandartspraktijk, waar -naast [verweerder] en de eigenaresse, mevrouw [verzoekster sub 2] - 8 werknemers werkzaam zijn. Mevrouw [verzoekster sub 2] is sinds 1 januari 2019 eigenaresse van de tandartspraktijk; zij heeft de praktijk overgenomen van de heer [naam] . 2.
  5. [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1970 , is sinds 19 april 1999 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Drechterland. De functie van [verweerder] is mondhygiënist met een loon van € 859,95 bruto per maand. Naast dit vaste salaris heeft [verweerder] recht op een variabel salaris, afhankelijk van de omzet die hij behaalt. 2.
  6. Aanvankelijk bedroeg de duur van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] 14 uur per week. Drechterland heeft, met toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [verweerder] tegen 30 mei 2021 opgezegd onder aanbieding van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor 8 uur per week en uitbetaling van de (partiële) transitievergoeding. 2.
  7. Vervolgens is [verweerder] een procedure tegen Drechterland begonnen met als inzet een hogere transitievergoeding en de vaststelling dat het door hem in 2019 verdiende variabele loon ook zijn vaste loon zou worden. Zijn vorderingen zijn zowel door de rechtbank als door het Hof Amsterdam afgewezen. 2.
  8. Op 28 mei 2021 heeft [verweerder] zich ziekgemeld en sindsdien heeft hij geen werkzaamheden meer verricht voor Drechterland. [verweerder] is op 16 september 2021 voor het eerst bij de bedrijfsarts geweest en op 16 maart 2023 voor het laatst. 2.
  9. Op 8 maart 2023 heeft [verweerder] een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen. In de beslissing van het UWV van 14 juli 2023 staat dat ‘uit het oordeel van onze arts blijkt dat [verweerder] per eerste WIA dag niet ziek is en dus ook niet arbeidsongeschikt is’. [verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Het UWV heeft op 20 november 2024 beslist op het bezwaar van [verweerder] en geoordeeld dat Drechterland niet voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van [verweerder] , maar ook dat er geen loonsanctie opgelegd kan worden omdat het einde van de wachttijd is bereikt. 2.
  10. [verweerder] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en UWV heeft op 18 februari 2025 een gewijzigde beslissing op het bezwaar genomen. Daarin staat dat [verweerder] per 2 juni 2023 geschikt is voor maatgevende arbeid en dus geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het oordeel dat Drechterland onvoldoende heeft gedaan aan re-integratie blijft in stand. 3Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.
  11. Drechterland verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege andere omstandigheden die maken dat van de werkgever niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Drechterland heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] , na 14 juli 2023, de dag dat het UWV heeft geoordeeld dat hij niet arbeidsongeschikt is, hardnekkig heeft geweigerd zijn werkzaamheden te hervatten. Dat is ernstig verwijtbaar en maakt dat er een redelijke grond is om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden, zonder toekenning van een transitievergoeding. Daarnaast is de arbeidsovereenkomst inhoudsloos geworden – [verweerder] verricht geen werkzaamheden meer en Drechterland is, na het verstrijken van de twee jaarstermijn, niet meer gehouden het loon door te betalen. Ook dat vormt een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. 3.
  12. [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert aan – samengevat – dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van zijn kant. [verweerder] is, ook na het verlopen van de twee jaarstermijn, nog steeds arbeidsongeschikt en dat is de reden dat hij zijn werkzaamheden niet heeft hervat. [verweerder] heeft zich niet onbereikbaar gehouden – Drechterland heeft van haar kant nooit contact met hem gezocht. 3.
  13. [verweerder] voert ook aan dat er geen sprake is van andere gronden die maken dat van Drechterland niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. [verweerder] heeft zich niet onbereikbaar gehouden voor Drechterland en hij herhaalt dat hij arbeidsongeschikt was en dat dat de reden was dat hij zijn werkzaamheden niet heeft hervat. 3.
  14. [verweerder] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt veroordeling van Drechterland tot betaling van de transitievergoeding, voor het geval de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter wordt ontbonden. 4De beoordeling van het verzoek Rectificatie partijnaam 4.
  15. Het verzoekschrift is ingediend door de besloten vennootschap Drechterland B.V. Op de zitting is besproken dat die naam niet geheel juist is. De correcte naam van de besloten vennootschap is Tandartspraktijk Drechterland B.V. Deze rectificatie is in de kop van deze beschikking doorgevoerd. [verzoekster sub 2] wordt ook aangemerkt als verzoeker 4.
  16. [verweerder] heeft in zijn verweerschrift opgemerkt dat [verzoekster sub 2] per 1 januari 2019 de praktijk heeft overgenomen en vanaf dat moment dus ook als zijn werkgever aangemerkt moet worden. Met Drechterland heeft hij geen arbeidsovereenkomst, terwijl Drechterland wel het verzoek heeft ingediend. Mogelijk is Drechterland door overdracht van de onderneming van [verzoekster sub 2] werkgever van [verweerder] geworden, maar [verzoekster sub 2] heeft hem daar nooit van op de hoogte gebracht. [verweerder] verzoekt om duidelijkheid op dit punt. Op de zitting heeft [verzoekster sub 2] toegelicht dat het klopt dat zij destijds de praktijk heeft overgenomen en daarmee werkgever is geworden. [verzoekster sub 2] heeft daaraan toegevoegd dat zij, naast Drechterland , werkgever van [verweerder] is gebleven en dat de gewijzigde rechtsvorm daar niet aan afdoet. De kantonrechter zal zowel [verzoekster sub 2] als Drechterland als werkgever aanmerken en zij zullen ook beiden als verzoeker aangemerkt worden. De kop van deze beschikking is hieraan aangepast. Ontbinding arbeidsovereenkomst? 4.
  17. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 4.
  18. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 4.
  19. De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht. Verwijtbaar handelen [verweerder] 4.
  20. Drechterland stelt dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] omdat [verweerder] na het oordeel van de verzekeringsarts van het UWV dat hij arbeidsgeschikt is, niets van zich heeft laten horen en heeft geweigerd zijn werkzaamheden (weer) uit te voeren. [verweerder] heeft dat gemotiveerd betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij arbeidsongeschikt is ten aanzien van de bedongen arbeid bij Drechterland , dat hij niet is opgeroepen door Drechterland om zijn werkzaamheden te hervatten en dat hij ook niet is opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts om zijn arbeidsongeschiktheid nader te beoordelen. 4.
  21. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat er inderdaad moet worden uitgegaan van ziekte of gebrek bij [verweerder] . Dit oordeel wordt gebaseerd op de rapportages van de bedrijfsarts en de medische rapportage behorende bij de gewijzigde beslissing op bezwaar van het UWV van 18 februari
  22. 4.
  23. De bedrijfsarts heeft in zijn rapportage van 16 september 2021 geoordeeld dat [verweerder] is uitgevallen voor zijn werkzaamheden in verband met medische klachten en beperkingen. In de rapportage van de bedrijfsarts van 16 maart 2023 staat dat de klachten en beperkingen van [verweerder] onveranderd zijn en dat er nog steeds sprake is van een arbeidsconflict. 4.
  24. In de medische rapportage in de beroepsprocedure bij het UWV schrijft de verzekeringsarts onder ‘5 Beschouwing’: ‘Alles overwegende dient er per einde wachttijd wel te worden uitgegaan van ziekte of gebrek. Er zijn beperkingen, waarbij de door de bedrijfsarts aangegeven IZP plausibel wordt geacht. Dit betreft geen marginale belastbaarheid; op basis van het IZP waren er wel degelijk re-integratiemogelijkheden, zoals ook met betrekking tot het 2e spoor is geadviseerd.’ 4.
  25. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van de rapportages van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts worden vastgesteld dat er bij [verweerder] wel sprake was van ziekte of gebrek. Anders dan Drechterland stelt, betekent de vaststelling in de medische rapportage van de verzekeringsarts dat er ‘geen marginale belastbaarheid is’, niet dat [verweerder] arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werkzaamheden. Het gaat er immers om of [verweerder] geschikt is voor de eigen werkzaamheden en ten aanzien daarvan concludeert de verzekeringsarts dat er wel sprake is van ziekte of gebrek. Daaruit leidt de kantonrechter af dat [verweerder] arbeidsongeschikt is voor het verrichten van de bedongen arbeid bij Drechterland . Drechterland wijst er op dat [verweerder] niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering omdat het UWV die aanvraag heeft afgewezen omdat [verweerder] arbeidsgeschikt is voor maatgevende arbeid. De kantonrechter volgt Drechterland hierin niet. De toets die het UWV aanlegt in het kader van de WIA is een andere. In dat kader wordt de arbeidsongeschiktheid bepaald aan de hand van de vergelijking tussen het maatmanloon en de restverdiencapaciteit, terwijl bij de beoordeling of sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 7:679 lid 3 BW van belang is of de werknemer geschikt is om de bedongen arbeid bij de eigen werkgever te verrichten. 4.
  26. Het voorgaande betekent dat het feit dat geen uitvoering wordt gegeven aan de arbeidsovereenkomst niet aan [verweerder] verweten kan worden, hij is immers arbeidsongeschikt. 4.
  27. Verder is van belang dat [verweerder] na einde wachttijd niet is opgeroepen door Drechterland om te komen werken en dat hij ook niet is opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts om zijn arbeidsongeschiktheid nader te beoordelen. 4.
  28. De conclusie is dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten aan de kant van [verweerder] . Op deze grondslag kan het ontbindingsverzoek dan ook niet worden toegewezen. Andere omstandigheden (h-grond) 4.
  29. Voor het geval er geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , stelt Drechterland dat er sprake is van andere omstandigheden (de h-grond) die rechtvaardigen dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, de arbeidsovereenkomst is namelijk inhoudsloos geworden. [verweerder] voert zijn werkzaamheden niet meer uit en Drechterland betaalt geen loon meer uit. Drechterland baseert deze ontbindingsgrond op dezelfde feiten en omstandigheden als die ten grondslag zijn gelegd aan het verwijtbaar handelen van [verweerder] , namelijk dat [verweerder] niets van zich laat horen en niet meer komt werken, terwijl hij volledig arbeidsgeschikt is. Omdat dit, zoals hiervoor is overwogen, niet is komen vast te staan, kunnen deze omstandigheden niet met een beroep op de h-grond alsnog een redelijke grond opleveren. Ook op die grond kan het ontbindingsverzoek niet worden toegewezen. Eindconclusie 4.
  30. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden. Proceskosten 4.
  31. De proceskosten komen voor rekening van Drechterland en [verzoekster sub 2] , omdat zij ongelijk krijgen. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 5De beoordeling van het tegenverzoek 5.
  32. Omdat de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, is de voorwaarde waaronder het tegenverzoek tot betaling van de transitievergoeding is ingesteld, niet vervuld. Dat betekent dat het tegenverzoek niet verder zal worden behandeld. 6De beslissing De kantonrechter 6.
  33. wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af, 6.
  34. veroordeelt Drechterland en [verzoekster sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Drechterland en [verzoekster sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend, 6.
  35. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, Deze beschikking is gegeven door mr. S.W.S. Kiliç en in het openbaar uitgesproken op 18 juni
  36. Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 7:669 lid 1 BW. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.