RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 11506620 \ CV EXPL 25-277 (rvk) Vonnis van 18 juni 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. B. van Kasteel, tegen 1 [gedaagde] , te [plaats 2] ,
- de besloten vennootschap Tandartspraktijk Drechterland B.V., te Venhuizen, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: Drechterland , gemachtigde: mr. A. Tel. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 maart 2025 - het bericht van 15 mei 2025 met productie(s) van [eiser]- de mondelinge behandeling van 21 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2De feiten 2.
- Drechterland is een tandartspraktijk, waar -naast [eiser] en de eigenaresse, mevrouw [gedaagde] -8 werknemers werkzaam zijn. Mevrouw [gedaagde] is sinds 1 januari 2019 eigenaresse van de tandartspraktijk. 2.
- [eiser] , geboren [geboortedatum] , is sinds 19 april 1999 in dienst bij Drechterland . De functie van [eiser] is mondhygiënist, met een loon van € 859,95 bruto per maand. Naast dit vaste salaris heeft [eiser] recht op een variabel salaris, afhankelijk van de omzet die hij behaalt. 2.
- Aanvankelijk bedroeg de duur van de arbeidsovereenkomst van [eiser] 14 uur per week. Drechterland heeft, met toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [eiser] tegen 30 mei 2021 opgezegd onder aanbieding van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor 8 uur per week en uitbetaling van een (partiële) transitievergoeding. 2.
- Vervolgens is [eiser] een procedure tegen Drechterland begonnen, met als inzet een hogere transitievergoeding en de vaststelling dat het door hem in 2019 verdiende variabele loon ook zijn vaste loon zou worden. Zijn vorderingen zijn zowel door de rechtbank als door het Hof Amsterdam afgewezen. 2.
- Op 28 mei 2021 heeft [eiser] zich ziekgemeld en sindsdien heeft hij geen werkzaamheden meer verricht voor Drechterland . 2.
- Op 28 mei 2023 is de loondoorbetalingsverplichting van Drechterland geëindigd. 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert - samengevat – hoofdelijke veroordeling van Drechterland tot betaling van € 10.659,12 aan loon en wettelijke verhoging. [eiser] vordert ook dat Drechterland deugdelijke bruto/netto-specificaties van het loon afgeeft. 3.
- [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat Drechterland vanaf 2020 het variabele loon onjuist heeft berekend, met als gevolg dat hij te weinig variabel loon, te vermeerderen met vakantietoeslag, heeft ontvangen. De onjuistheid zit hem er volgens [eiser] onder andere in dat Drechterland uitgaat van onjuiste berekeningen van de fictieve omzet bij ziektedagen, waardoor de bonus onjuist, te laag, is berekend. Ook zit er een fout in de berekening van de post werkgeverslasten over de bonus van
- 3.
- Over de jaren 2020 en 2021 gaat het om € 3.096,38 bruto inclusief vakantietoeslag. Over het jaar 2022 gaat het om een bedrag van € 2.813,42 bruto en over 2023 een bedrag van € 1.196,28 bruto. In totaal is Drechterland dus nog een bedrag van € 7.016,08 bruto inclusief vakantietoeslag verschuldigd. Vanwege de te late betaling is Drechterland de wettelijke verhoging verschuldigd over het achterstallige loon. [eiser] maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente. [eiser] heeft ook recht op afgifte van loonspecificaties. 3.
- Drechterland voert verweer. Drechterland concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.
- Drechterland voert het volgende aan. De kantonrechter, en in hoger beroep het Hof, hebben al beslist over de loonaanspraken van [eiser] – en deze afgewezen. [eiser] kan niet nogmaals dezelfde vordering, maar dan op andere grondslagen instellen. [eiser] is in zijn herhaalde vordering niet-ontvankelijk. [eiser] heeft ook het bekende verweer van Drechterland niet in de dagvaarding opgenomen en hij heeft niet toegelicht met berekeningen hoe hij tot de gevorderde bedragen komt. Dit levert een schending van de substantiëringsplicht en de waarheidsplicht op. Ook hierom is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, althans moeten deze afgewezen worden. Voor het geval het voorgaande niet gevolgd wordt, verzoekt Drechterland dat de kantonrechter een nadere termijn stelt voor repliek en dupliek, zodat [eiser] alsnog zijn vordering cijfermatig kan onderbouwen, want op dit moment is het voor Drechterland niet mogelijk adequaat verweer te voeren. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Gezag van gewijsde 4.
- Drechterland beroept zich op het gezag van gewijsde van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De kantonrechter is van oordeel dat dit beroep niet opgaat. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht. 4.
- Artikel 236 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat in het latere geding gevorderd wordt hetzelfde is als in het eerdere geding. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande zo’n geschilpunt, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust. Het gezag van gewijsde kan er echter niet aan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden. 4.
- De vorderingen die [eiser] in de eerdere procedures heeft ingesteld, zijn gebaseerd op een andere grondslag, namelijk dat de omvang van de arbeidsovereenkomst (wekelijkse duur) anders was dan het contractueel overeengekomen aantal uren. In deze procedure vordert [eiser] bedragen aan achterstallig variabel loon, uitgaande van een arbeidsomvang van 8 uren per week. [eiser] stelt in dit verband dat Drechterland bij de berekening van het variabele loon is uitgegaan van onjuiste fictieve omzetten en dat er ook andere fouten bij de berekening van het variabele loon zijn gemaakt. De grondslag van de vordering is hiermee een andere dan die in de voorgaande procedures. Om die reden slaagt het beroep van Drechterland op het gezag van gewijsde van de uitspraak van het Hof niet. De vordering zal inhoudelijk beoordeeld worden. Substantiëringsplicht 4.
- [eiser] heeft het bekende verweer van Drechterland niet opgenomen in de dagvaarding. Dit is in strijd met de substantiëringsplicht uit artikel 111 lid 3 Rv. De kantonrechter zal daaraan het gevolg verbinden dat [eiser] , ondanks dat Drechterland de gevorderde bedragen niet inhoudelijk heeft betwist, nader zal dienen te concretiseren welke gegevens hij voor zijn loonvordering tot uitgangspunt heeft genomen. [eiser] zal in de gelegenheid gesteld worden om bij akte zijn loonvordering nader toe te lichten, met name op het punt van de fictieve omzet per dag, het daarop gebaseerde vakantiegeld, het bedrag aan ‘correctie omzet’ van € 4.356,80 over 2020 en de post werkgeverlasten bij de vakantietoeslag over de bonus van
- 4.
- Vervolgens zal Drechterland in de gelegenheid worden gesteld om bij akte op de gevorderde bedragen te reageren. 4.
- De kantonrechter wijst partijen er nadrukkelijk op dat het de bedoeling is dat zij uitsluitend nog een toelichting en een reactie geven op de loonvordering, op de punten zoals hiervoor onder 4.4 vermeld en dat het niet de bedoeling is dat er nader verweer wordt gevoerd op eventuele andere geschilpunten. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 16 juli 2025 voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 4.4., waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen, 5.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en in het openbaar uitgesproken op 18 juni
- Hof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8464 en Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667