RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/079891-25 (P) Uitspraakdatum: 28 mei 2025 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 mei 2025 in de zaak tegen: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Colombia), thans gedetineerd in P.I. Ter Apel. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Rademacher en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.F. Herrera Villagómez, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 14 maart 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadvrouw heeft bepleit dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.2 Bewijsmotivering De verdachte is op 14 maart 2025 met een vlucht vanuit Colombia op Schiphol aangekomen. Na aankomst is de bagage van de verdachte onderzocht. In de dubbele bodem van zijn koffer is een hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er drugs in zijn koffer zat. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat een passagier bekend is met de inhoud van zijn bagage en daarvoor verantwoordelijk is. Van dat uitgangspunt wordt alleen afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de passagier niet met die inhoud bekend was of had behoren te zijn en dus het (voorwaardelijk) opzet op de invoer ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake is en overweegt daartoe als volgt. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn koffer, kort voorafgaand aan zijn vertrek uit Colombia, heeft gekregen van een vriend, [naam A] . Hij had ruzie met [naam A] vanwege een openstaande schuld. Op het moment dat hij [naam A] vertelde dat hij een reis zou gaan maken, heeft [naam A] hem deze koffer aangeboden ter verrekening van de openstaande schuld. De verdachte heeft de koffer thuis ingepakt met behulp van zijn vrouw. De verdachte heeft verklaard dat hij de koffer niet zelf heeft opgetild en geen onderzoek heeft verricht aan de koffer. Op het moment dat de verdachte in China zou aankomen, zou hij contact moeten opnemen met [naam A] en dan contactgegevens van een persoon krijgen. Door de koffer en de inhoud daarvan niet te onderwerpen aan een grondig onderzoek of op andere wijze nader onderzoek te doen naar de gang van zaken rondom (de verkrijging van) de koffer en de inhoud daarvan, terwijl daartoe gelet op voornoemde omstandigheden alle aanleiding voor was, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn koffer verdovende middelen zou bevatten. In het bijzonder acht de rechtbank daarbij van belang dat de verdachte is gaan reizen met een koffer van een vriend met wie hij ruzie had en met wie hij vervolgens, na aankomst in China, wederom contact moest opnemen, dit alles zonder nadere vragen te stellen of onderzoek te doen naar de inhoud van de koffer. Daarbij komt dat het een feit van algemene bekendheid is dat vanuit Zuid-Amerikaanse landen per vliegtuig veel verdovende middelen naar andere landen worden gesmokkeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte opzet (in voorwaardelijke vorm) heeft gehad op de invoer van cocaïne in Nederland. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 14 maart 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) af te wijken en een gevangenisstraf op te leggen van twaalf maanden met aftrek van voorarrest. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte een blanco strafblad heeft en kampt met gezondheidsproblemen, welke sinds zijn detentie zijn verergerd. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2.011,3 gram cocaïne. Harddrugs, waaronder cocaïne, bevatten voor de gezondheid van gebruikers zeer schadelijke stoffen. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Ook om die reden worden forse straffen opgelegd voor de invoer van harddrugs. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 14 mei 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. De op te leggen straf Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank enkel oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor de invoer van harddrugs. De LOVS-oriëntatiepunten vermelden voor de invoer van tussen de 2.000 en 3.000 gram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 tot 30 maanden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals naar voren gekomen ter terechtzitting, waaronder zijn medische situatie, aanleiding om in het voordeel enigszins af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten en van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden moet worden opgelegd. 7Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: - 2 en 10 van de Opiumwet. 8Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven; verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij; bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert; verklaart de verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden; bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rigter, voorzitter, mr. G.M.G. Hink en mr. G. Elst, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 mei 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.