Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/2783 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.B.M. Swart), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag Belasting van personenauto's en motorrij wielen (Bpm) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025 te Haarlem. Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Overwegingen Feiten
- Eiser heeft een aangifte Bpm ingediend ter zake van een personenauto met het voertuigidentificatienummer [[...]] (hierna: de auto). De aangifte bevat de volgende gegevens: Merk en type: [merk] CO₂-uitstoot: 332 gr/km Brandstof: benzine Datum goedkeuring RDW 22-06-2022 Datum eerste toelating: 30-04-2014 Netto catalogusprijs basisuitvoering: € 38.039 Accessoires en opties: € 822 Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties: € 38.861 Datum Bruto Bpm 28-02-2014 Bruto Bpm voor een gebruikt motorrijtuig: € 77.211 Historische nieuwprijs op datum 1e toelating: € 82.995 Handelsinkoopwaarde: € 750 Te betalen Bpm: € 694 Datum ondertekening: 06-05-2022
- Eiser heeft de verschuldigde Bpm berekend aan de hand van een taxatierapport dat op 29 april 2022 is opgemaakt door [naam 4] van [bedrijf] te [gemeente] . Dit taxatierapport bevat onder meer de volgende gegevens: Afgelezen kilometerstand: 66.042 CO₂-uitstoot: 332 gr/km Historische Nederlandse nieuwprijs: € 82.995 (tussentijdse) Bruto Bpm: € 77.211 Handelsinkoopwaarde voor correctie: € 14.324 Correctie conform schadecalculatie: € 18.086 Handelsinkoopwaarde na correctie: € 750 Inspectiedatum: 25-4-2022 Inspectiemoment: 13:45 – 14:15
- Per brief van 28 september 2022 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de verschuldigde Bpm € 9.524 bedraagt, terwijl € 694 is aangegeven. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het taxatierapport van eiser niet kon dienen omdat het was opgemaakt bijna twee maanden vóór de goedkeuring door de RDW en de afschrijving daarom moest worden berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Verweerder deelde mee dat hij voornemens was voor het verschil van € 8.830 een naheffingsaanslag op te leggen. Mocht eiser het daarmee niet eens zijn, dan kon hij daarop binnen drie weken reageren. Omdat een reactie van eiser uitbleef heeft verweerder hem met dagtekening 18 november 2022 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
- Per brief van 8 december 2022, bij verweerder ontvangen op 14 december 2022, heeft eiser tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Per brief van 28 februari 2024 heeft verweerder eiser laten weten dat hij voornemens was het bezwaar af te wijzen maar dat eiser nog de gelegenheid kreeg zijn bezwaar mondeling toe te lichten. Op 13 maart 2024 is eiser door verweerder gehoord. Daarvan is een verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort.
- Op 28 maart 2024 heeft verweerder uitspraak op het bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
- Op 8 mei 2024 heeft eiser langs digitale weg beroep ingesteld. Per bericht van 8 juli 2024 heeft eiser het beroep gemotiveerd. Geschil
- In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij is meer specifiek in geschil of gebruik gemaakt kan worden van het taxatierapport, of rekening moet worden gehouden met schade aan de auto en of verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het motiveringsbeginsel heeft gehandeld.
- Eiser stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte, althans naar een te hoog bedrag, is opgelegd en heeft daarvoor – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. ₋ Er moet acht worden geslagen op het taxatierapport. Dit is opgemaakt kort voor het aanvragen van de keuring door de RDW. Door de coronapandemie werd buiten de termijn van 30 dagen een keuring toegewezen. ₋ Er is ten onrechte geen rekening gehouden met de schade aan de auto. ₋ Na de keuring bij de RDW is niet met de auto gereden en zijn er geen reparaties verricht. Er is een offerte van € 10.000 voor herstelwerkzaamheden. ₋ De bestreden beschikking is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en is onvoldoende gemotiveerd.
- Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, vernietiging van de naheffingsaanslag.
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet te hoog is en heeft daarvoor – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. ₋ Het taxatierapport kan niet worden gebruikt omdat niet aan de daaraan te stellen wettelijke voorwaarden is voldaan. Zo is het taxatierapport ruim twee maanden vóór de keuring bij de RDW opgemaakt. ₋ Het taxatierapport is niet deugdelijk omdat het niet mogelijk is al hetgeen in het taxatierapport is vermeld binnen een half uur vast te stellen. ₋ De bewijslast voor de schade ligt bij eiser en eiser heeft het gestelde schadebedrag niet aannemelijk gemaakt. Met de door eiser gestelde schade zou de RDW de auto niet hebben goedgekeurd en tot in beroep heeft eiser geen reparatienota’s overgelegd. ₋ De auto is voor € 19.500 gekocht en het is niet aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde daar zoveel van afwijkt. ₋ Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.
- Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil
- De hoogte van de Bpm naar rato van de CO₂-uitstoot, zoals bepaald in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet Bpm), is tussen partijen kennelijk niet in geschil. Het geschil spitst zich toe op de vermindering van de Bpm die is bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm. Omdat het gaat om een verlaging van de belastinggrondslag, ligt de bewijslast daarvoor bij eiser.
- Op grond van artikel 8, derde lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling Bpm) moet het bij de aangifte ingediende taxatierapport zijn opgemaakt ten hoogste een maand voor het verschuldigd worden van de Bpm.
- Vaststaat dat het door eiser ingediende taxatierapport ruim twee maanden vóór de keuring bij de RDW is opgemaakt. Op grond van de hierboven aangehaalde bepaling kan het taxatierapport dus niet worden gebruikt bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm. Eiser heeft aangevoerd dat het taxatierapport ten tijde van de RDW-keuring ouder was dan 30 dagen omdat de RDW door de coronapandemie niet eerder tot een keuring kon overgaan. Eiser vindt daarom dat het taxatierapport wel moet worden gebruikt, ook omdat volgens eiser de auto ten tijde van de RDW-keuring in de dezelfde staat was als bij de taxatie. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Naar verweerder heeft gesteld en de rechtbank aannemelijk acht, is hierover navraag gedaan bij de RDW en daar was van wat eiser stelt niets terug te vinden. Bovendien had eiser, toen duidelijk werd dat de keuring bij de RDW niet eerder dan op een bepaalde datum zou plaatsvinden, de auto opnieuw kunnen laten taxeren en had hij alsnog een taxatierapport kunnen indienen dat aan de wettelijke eisen en voorwaarden voldeed.
- Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de vermindering van de Bpm moet worden vastgesteld aan de hand van de tabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm. Dat de naheffingsaanslag in zoverre op onjuiste wijze is vastgesteld is gesteld noch gebleken.
- Met inachtneming van het bovenstaande behoeft hetgeen partijen verder over en weer hebben aangevoerd over de in aanmerking te nemen schade en de handelsinkoopwaarde geen beoordeling meer.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Uit hetgeen is vermeld in 3 en 4 komt voldoende duidelijk naar voren dat verweerder bij het vaststellen van de naheffingsaanslag en het doen van uitspraak op bezwaar de daarvoor nodige kennis en relevante feiten heeft vergaard. Daarbij werd eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag en kreeg hij ook de gelegenheid zijn bezwaar mondeling toe te lichten. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de uitspraak op bezwaar voldoende duidelijk naar voren waarom het bezwaar werd afgewezen. De uitspraak op bezwaar is daarmee voldoende gemotiveerd. Dat eiser het met de door verweerder gebezigde gronden het kennelijk niet eens is of die onvolledig acht, maakt dit niet anders.
- Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april
- griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de datum van verzending; een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).