RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer / rekestnummer: 11658040 \ AO VERZ 25-58 (HB) Beschikking van 3 juli 2025 in de zaak van de stichting STICHTING ZORGCENTRA MEERLANDEN, te Haarlemmermeer, verzoekende partij, hierna te noemen: Meerlanden, gemachtigde: mr. J. Eerbeek, tegen [verweerder] , te [plaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. J.M. Klaassen De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. De door de werknemer verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. 1De procedure 1.1. Meerlanden heeft op 18 april 2025 een verzoekschrift (met producties) ingediend. [verweerder] heeft daarop gereageerd bij verweerschrift (met producties). 1.2. Op 5 juni 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vóór de mondelinge behandeling hebben partijen ieder bij brief van 3 juni 2025 nog een productie toegezonden. Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. 2Feiten 2.1. [verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1987, is op 15 oktober 2020 bij Meerlanden in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst geldt inmiddels voor onbepaalde tijd. De arbeidsduur bedraagt 28 uur per week. 2.2. De functie van [verweerder] is verzorgende IG. Zij werkt in het Zorgcentrum De Meerstede binnen het team Parkinson. Daarnaast verricht zij enige werkzaamheden die niet onder haar taakomschrijving vallen. 2.3. In de functiebeschrijving van verzorgende IG staat onder meer, dat de verzorgende IG samenwerkt met collega’s en stagiaires en dat zij over sociale vaardigheden zoals tact en inlevingsvermogen beschikt. 2.4. Het salaris van [verweerder] bedraagt € 2.596,18 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering. 2.5. De CAO voor Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (hierna: de CAO) is op de arbeidsovereenkomst van toepassing. 2.6. Naar aanleiding van door Meerlanden gesignaleerde knelpunten in de communicatie en samenwerking, heeft begin april 2022 een gesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene 1] (Hoofd Zorg en Welzijn van Meerlanden), [verweerder] en collega [betrokkene 2] . [verweerder] is boos uit dat gesprek weggelopen. 2.7. Vervolgens heeft op 4 april 2022 een gesprek tussen [betrokkene 1] , [verweerder] en [betrokkene 3] (toenmalig HR adviseur van Meerlanden) plaatsgevonden. In het verslag van dat gesprek staat, dat collega’s hebben aangegeven dat zij knelpunten ervaren in de communicatie en samenwerking met [verweerder] . Meerlanden heeft in dat gesprek benoemd dat [verweerder] : - vaak een eigen kijk heeft op situaties en daarbij geen oog heeft voor het perspectief van een ander; - roddelt over collega’s in bijzijn van cliënten; - niet kan omgaan met feedback (met name kijkt naar het gedrag van anderen en niet naar haar eigen rol); - onvoldoende aanvoelt met wie je welke informatie bespreekt of deelt en haar eigen conclusies trekt; - betrokken is bij meerdere conflictsituaties. [verweerder] heeft in het gesprek aangegeven dat zij niet gelukkig is op haar werkplek en zich niet veilig voelt binnen haar team. Partijen hebben afgesproken dat [verweerder] : - coaching/scholing ontvangt om de samenwerking met collega’s te verbeteren; - rechtstreeks feedback aan collega’s geeft; - zich professioneel gaat opstellen en niet meer in negatieve zin spreekt over collega’s in bijzijn van andere collega’s en cliënten; - gaat nadenken over wat nodig is om op een positieve manier op de afdeling te blijven werken; - gaat bekijken of er een andere afdeling is waar zij beter op haar plek zou zitten. 2.8. Op 13 april 2022 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. In het verslag van dat gesprek staat (onder meer) dat [verweerder] een positieve stap heeft gezet om de samenwerking met collega’s te verbeteren en dat zij daarbij graag hulp wil hebben. Ook heeft [verweerder] in dat gesprek haar leerdoelen benoemd (openstaan voor feedback en op een opbouwende manier feedback geven, inleven in de ander en versterken van zelfvertrouwen). Meerlanden heeft in dat gesprek aangeboden een intake en vier coachgesprekken te vergoeden. Ook is in dat gesprek benoemd dat het werken op een andere afdeling nu geen passende stap lijkt te zijn. 2.9. Op 19 april 2022 hebben [verweerder] en [betrokkene 2] gesproken over de problemen hun samenwerking, in aanwezigheid van [betrokkene 3]. 2.10. In de daarop volgende maanden heeft een coaching traject van 5 gesprekken plaatsgevonden. Dat coachingstraject is in een gesprek op 8 september 2022 geëvalueerd. In het daarvan opgemaakte gespreksverslag staat, dat Meerlanden een positieve verandering bij [verweerder] heeft gezien en dat zij ook uit het team positieve berichten heeft vernomen. [verweerder] geeft aan dat zij veel heeft geleerd maar ook knelpunten ervaart, waaronder een negatieve sfeer in het team. Zij wil graag naar een ander team. Het frustreert haar dat zij niet te horen krijgt of daar mogelijkheden voor zijn. Meerlanden geeft aan dat binnen het team ook positieve stappen worden gemaakt en dat er momenteel geen vacatures binnen de andere teams zijn die aansluiten op de beschikbaarheid van [verweerder] . Meerlanden belooft alerter te zijn op vragen en mails van [verweerder] . 2.11. In de periode van 3 november 2022 tot 17 april 2023 is [verweerder] afwezig geweest wegens arbeidsongeschiktheid en (zwangerschaps)verlof. 2.12. Op 10 juni 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , haar nieuwe leidinggevende ([betrokkene 4]) en [betrokkene 3]. Uit het daarvan opgemaakte verslag blijkt dat in dat gesprek aan de orde is gesteld dat [verweerder] : - regelmatig roddelt; - ongenuanceerd spreekt door bij negatieve kwalificaties woorden te gebruiken als ‘nooit’, ‘altijd’, ‘iedereen’. - in bijzijn van een familielid van een cliënt negatieve uitlatingen heeft gedaan over de wijze waarop collega’s met die client omgaan. Met [verweerder] wordt afgesproken dat zij: - niet meer roddelt, maar een positieve/opbouwende werkhouding aanneemt; - geen overdrijvingen meer gebruikt; - geen signalen meer aanneemt uit het team als deze niet eerst zijn uitgesproken richting de persoon die het betreft. Meerlanden geeft in het gesprek aan dat [verweerder] als VIG-er inhoudelijk sterk is, maar dat er ontwikkelpunten zijn op het vlak van communicatie en samenwerking. Ondanks die ontwikkelpunten stelt zij [verweerder] in staat om een opleiding tot EVV-er (Eerst Verantwoordelijke Verpleegkundige) te starten om haar ‘energie en vertrouwen’ te geven. Meerlanden verwacht wel dat [verweerder] ‘de gemaakte afspraken nakomt en alert blijft op haar wijze van communiceren’. 2.13. In augustus en september 2024 heeft [verweerder] twee maal een punctie aan haar knie ondergaan wegens cystes. 2.14. Op 15 of 16 oktober 2024 heeft weer een gesprek tussen [verweerder] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3] plaatsgevonden, naar aanleiding van binnengekomen signalen over de communicatiestijl van [verweerder] en een aanvaring met [betrokkene 2] . In het daarvan opgemaakte gespreksverslag staat (onder meer) dat [verweerder] zich ervan bewust is dat zij, wanneer zij onder druk staat, niet altijd een juiste communicatiestijl heeft, soms bot of negatief reageert en soms terugvalt op negatief gedrag. Partijen spreken af dat [verweerder] : - op een respectvolle/professionele manier met collega’s omgaat; - geen negatieve uitlatingen doet over collega’s; - op een opbouwende manier feedback geeft en kiest voor positief taalgebruik; Ook wordt afgesproken dat aan praktijkbegeleider [betrokkene 5] zal worden gevraagd [verweerder] extra begeleiding te geven. 2.15. Op 24 oktober 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3] naar aanleiding van een incident tussen [betrokkene 2] en [verweerder] . In het verslag van dat gesprek staat dat [verweerder] en [betrokkene 2] elkaar soms ervaren als intimiderend, dominant, negatief en moeilijk om mee samen te werken. Afgesproken wordt onder meer dat zij niet meer tegelijkertijd zullen werken. [verweerder] wordt (evenals [betrokkene 2] ) verzocht geen negatieve uitlatingen te doen en rechtstreeks opbouwende kritiek te leveren. Bij e-mail van 1 november 2024 heeft [verweerder] aan [betrokkene 4] laten weten dat in het gespreksverslag bepaalde punten ontbreken (maar die punten hebben geen betrekking op het bovenstaande). 2.16. Op 5 november 2024 heeft [verweerder] een e-mail aan [betrokkene 4] gestuurd waarin zij haar zorgen uit over de behandeling van patiënten door collega’s [betrokkene 8] en Wangela. [betrokkene 4] heeft haar daarvoor bedankt. Op 20 november 2024 heeft [verweerder] nogmaals zorgen geuit over de behandeling van patiënten door [betrokkene 8]. 2.17. Op 28 november 2024 hebben [verweerder] , haar nieuwe (interim) leidinggevende [betrokkene 6] en [betrokkene 7] (HRM) een gesprek gevoerd. In het verslag van dat gesprek staat, dat [verweerder] voor dat gesprek is uitgenodigd in verband met vele ‘rode vlaggen’ over onder meer kwaadwillend roddelen over collega’s. [betrokkene 7] benoemt in dat gesprek dat het traject met [verweerder] al twee jaar loopt en dat de klachten over haar houding, gedrag en communicatie steeds terugkerend zijn. [verweerder] geeft aan dat zij de klachten van collega [betrokkene 8] erkent, de rest niet. [betrokkene 6] merkt op dat [verweerder] alles vanuit negatieve insteek benadert, waarop [verweerder] aangeeft dat ze niet weet wat ze kan veranderen. [betrokkene 6] vraagt zich af of het niet verstandig is om ergens anders met een schone lei te beginnen. Hij geeft aan dat een grens is bereikt in die twee jaar ‘daar wat acceptabel is in houding/gedrag/communicatie’. In het gesprek wordt [verweerder] vrijgesteld van werkzaamheden om na te denken over hoe nu verder. 2.18. Bij e-mail van 2 december 2024 heeft [verweerder] zich ziekgemeld. [betrokkene 6] heeft bij e-mails van diezelfde datum meegedeeld dat die ziekmelding niet wordt geaccepteerd, dat de afspraak voor een gesprek op 3 december 2024 blijft staan en dat dat gesprek niet vrijblijvend is. 2.19. Op 3 december 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en haar vader enerzijds en [betrokkene 6] en [betrokkene 3] anderzijds. Tijdens dat gesprek heeft [betrokkene 6] meegedeeld dat het vertrouwen in [verweerder] weg is. Daarbij heeft hij een gedragspatroon benoemd van negatieve uitlatingen, roddelgedrag en uitvallen tegen collega’s, dat door [verweerder] - ondanks coaching - niet is doorbroken. [betrokkene 6] heeft aangegeven dat sprake is van een verstoorde relatie tussen [verweerder] en het team, dat collega’s zich onveilig/onprettig voelen als zij met [verweerder] moeten samenwerken en dat de relatie te beschadigd is om deze voort te zetten. [verweerder] heeft zich daartegen verdedigd. In het gesprek heeft Meerlanden [verweerder] voorgesteld om via een vaststellingsovereenkomst het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen, maar [verweerder] is daar niet mee akkoord gegaan. 2.20. Op [geboortedatum] 2024 heeft [verweerder] de bedrijfsarts bezocht. In het verslag van dat bezoek staat dat [verweerder] spanningsklachten ervaart. Volgens de bedrijfsarts berusten deze niet op ziekte, maar zijn deze een normale reactie op een gerezen werk gerelateerde situatie. De bedrijfsarts adviseert om een time out van enkele dagen in acht te nemen en om daarna een gesprek te voeren onder leiding van een onafhankelijke externe gesprekspartner, bijvoorbeeld een mediator. 2.21. Op 27 januari 2025 heeft een gesprek onder leiding van een mediator plaatsgevonden. Dat gesprek heeft niet tot een oplossing geleid. 2.22. Op 4 februari 2025 heeft [verweerder] weer de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts oordeelt dat [verweerder] nog steeds spanningsklachten heeft, maar dat deze dusdanig zijn toegenomen dat hij haar nu wel als ziek beoordeelt. Die spanningsklachten zijn zowel werk- als niet werk gerelateerd. 2.23. Op 25 februari 2025 heeft een kennismakingsgesprek tussen [verweerder] en haar nieuwe leidinggevende [betrokkene 9] plaatsgevonden. [betrokkene 9] heeft [verweerder] toen voorgesteld te re-integreren bij Meerwende in Badhoevedorp. [verweerder] heeft daarop aangegeven dat dit niet haalbaar is, omdat zij vanwege haar thuissituatie bij Meerstede in [plaats] wil blijven. Er hebben tot nu toe geen re-integratie activiteiten plaatsgevonden. 2.24. Op 4 maart 2025 heeft de gemachtigde van Meerlanden contact gezocht met [verweerder] om tot een minnelijke regeling te komen. Dat is niet gelukt. 2.25. Op 27 maart 2025 heeft [verweerder] weer de bedrijfsarts bezocht. In het verslag van dat bezoek staat dat de bedrijfsarts [verweerder] voorlopig niet in staat acht haar eigen of andere werkzaamheden te hervatten. Hij adviseert de ziekmelding per heden te beëindigen, maar [verweerder] vrij te stellen van werk tot aan een te houden driegesprek onder leiding van een externe, onafhankelijk derde over de vraag: re-integreren of uit elkaar? Dat driegesprek heeft niet plaatsgevonden. 2.26. Op 16 mei 2025 is [verweerder] weer bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft toen geoordeeld dat sprake is van beperkingen in dynamisch handelen en statische houdingen en van werkgerelateerde problemen. De bedrijfsarts verwacht dat [verweerder] pas over meerdere maanden haar eigen werk of ander werk kan verrichten. 3Het verzoek 3.1. Meerlanden verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden - naar zij ter zitting heeft verduidelijkt - primair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (de ‘g-grond’), subsidiair vanwege disfunctioneren (de ‘d-grond’), meer subsidiair vanwege een combinatie van die omstandigheden (de ‘i-grond’). 3.2. Meerlanden legt aan het verzoek ten grondslag – kort weergegeven – dat sprake is van een jarenlange, toenemende problematiek in de communicatie van en de samenwerking met [verweerder] . Ondanks gesprekken, een coachingstraject, begeleiding door de praktijkbegeleider en een mediationtraject is het niet gelukt die problematiek op te lossen. Hierdoor is (primair) de arbeidsrelatie onherstelbaar verstoord geraakt. Subsidiair is sprake van disfunctioneren en meer subsidiair van een combinatie van die omstandigheden, zodanig dat van Meerlanden in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 3.3. Vanwege de aard van de problematiek ligt herplaatsing van [verweerder] niet in de rede. 3.4. Op het standpunt van Meerlanden zal – voor zover nodig - onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan. 4Het verweer 4.1. [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt (primair) dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. 4.2. [verweerder] voert hiertoe - samengevat – (primair) aan dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Subsidiair is er geen redelijke grond voor ontbinding en heeft Meerlanden niet aan haar herplaatsingsverplichting voldaan. Voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat de arbeidsverhouding is verstoord, voert [verweerder] (meer subsidiair) aan dat die verstoring in overwegende mate is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Meerlanden. 4.3. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] (subsidiair) om toekenning van een transitievergoeding en om een extra vergoeding in geval van ontbinding op de ‘i-grond’. Ook maakt zij aanspraak op een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Meerlanden. 4.4. Op het standpunt van [verweerder] zal – voor zover nodig - onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan. 5De beoordeling van het verzoek Wettelijk toetsingskader 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 5.2. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verder mag er geen opzegverbod aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staan. Geen opzegverbod dat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat 5.3. [verweerder] heeft (primair) als verweer aangevoerd, dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden ontbonden omdat zij sinds 2 december 2024 ziek is. De kantonrechter verwerpt dat verweer. 5.4. De bedrijfsarts heeft namelijk op 27 maart 2025 geadviseerd de ziekmelding met ingang van die datum te beëindigen. In het verslag van het daarop volgende bezoek aan de bedrijfsarts van 16 mei 2025 staat als eerste ziektedag 16 mei 2025 vermeld. Hierom moet het ervoor worden gehouden dat er op de datum van indiening van het ontbindingsverzoek (18 april 2025) geen opzegverbod van kracht was. 5.5. Maar ook als er vanuit wordt gegaan dat [verweerder] wel vanaf 2 december 2024 onafgebroken ziek is geweest, staat het opzegverbod niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van [verweerder] . De aan dat verzoek ten grondslag gelegde problemen in de communicatie en samenwerking (sinds 2022) hebben zich immers vóór die ziekmelding voorgedaan en zijn aan de orde gesteld in gesprekken die voor het overgrote deel (op het gesprek van 3 december 2024
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.