← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:8060

beslissing RECHTBANK NOORD-HOLLAND Wrakingskamer zaaknummer / rekestnummer: C/15/367322 / HA RK 25-96 Beslissing van 16 juli 2025 Op het verzoek tot wraking ingediend door: [verzoekster] , gevestigd te New Jersey (Verenigde Staten van Amerika), verzoekster, advocaat mr. R.W. de Pater te Breda. Het verzoek is gericht tegen: mr. W.S.J. THIJS, hierna te noemen: de rechter. 1Procesverloop 1.

  1. Verzoeker heeft na een korte schorsing van de behandeling van een verzoek tot onderhandse verkoop op 11 juli 2025 ter zitting mondeling de wraking verzocht van de rechter in het bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem, aanhangige verzoek met zaaknummer/ rekestnummer C/15/366316 / KG RK 25-440, hierna te noemen: de hoofdzaak. Verzoeker is belanghebbende in de hoofdzaak. Verzoekster in de hoofdzaak is [naam] (hierna: [naam] ) 1.
  2. De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft op 14 juli 2025 schriftelijk op het verzoek gereageerd. 1.
  3. Bij brief van eveneens 14 juli 2025 heeft de advocaat van verzoeker het verzoek nader onderbouwd en inhoudelijk gereageerd op de reactie van de rechter. 1.
  4. Verzoeker en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op de openbare zitting van de wrakingskamer van 15 juli
  5. De advocaat van verzoeker heeft aangegeven verhinderd te zijn en dat hij noch verzoeker bij de benadeling van het wrakingsverzoek aanwezig zouden zijn. Namens [naam] heeft diens advocaat (mr. J. Meuleman) bij e-mail van 15 juli 2025 medegedeeld vanwege vakantie niet bij de wrakingszitting aanwezig te kunnen zijn. De rechter heeft in zijn voornoemde reactie aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen maar te volstaan met de gegeven schriftelijke toelichting. 1.
  6. Bij afwezigheid van alle partijen heeft geen zitting plaatsgevonden, maar heeft de wrakingskamer op de stukken beslist. 2De feiten 2.
  7. De hoofdzaak betreft een door [naam] gedaan verzoek tot onderhandse verkoop van een aan verzoeker in eigendom behorend registergoed te Zandvoort. 2.
  8. Tijdens de mondelinge behandeling van voornoemd verzoek op 11 juli 2025 heeft de griffier de rechter erop gewezen dat de aanzegging van de executie al eerder telefonisch bij de advocaat van [naam] , mr. Meuleman, is opgevraagd. Dat exploot zou worden nagestuurd, maar de rechter heeft tijdens de zitting geconstateerd dat dat niet was gebeurd. 2.
  9. Na een verzoek daartoe van mr. Meuleman heeft de rechter de zitting geschorst teneinde mr. Meuleman in de gelegenheid te stellen zijn secretaresse te bellen. 2.
  10. Na hervatting van de zitting heeft mr. Meuleman verklaard dat de aanzegging van de executie is geschied bij exploot van 30 april 2025 aan verzoeker op het adres van de notaris en aan de heer [trustee] , trustee ten opzichte van verzoeker, is betekend in persoon. Voorts heeft mr. Meuleman aangegeven de exploten ook digitaal beschikbaar te hebben. 3Het standpunt van verzoeker 3.
  11. Het wrakingsverzoek is opgenomen in een door de griffier opgesteld proces-verbaal van de hoofdzaak van 11 juli 2025, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “(…) Ik heb u horen zeggen dat de rechtbank na het indienen van het verzoekschrift contact heeft gehad met verzoeker [rechtbank: [naam] ] zonder verweerder [rechtbank: verzoeker [tot wraking] daarvan in kennis te stellen. Dat maakt dat wij geen vertrouwen meer hebben in de rechtbank. Daarom wraken wij u op de volgende wrakingsgronden: [verzoekster] wraakt de rechtbank vanwege de schijn van vooringenomenheid. Voorafgaand aan de behandeling van de zaak is door de rechtbank contact opgenomen met [ [naam] ] zonder [verzoeker] daarvan op de hoogte te stellen. De rechtbank heeft [ [naam] ] verzocht een gebrek in het verzoekschrift te herstellen, welk gebrek tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen voor vandaag en ter zitting geeft u wederom de mogelijkheid om tijdens een schorsing de executieaanzegging alsnog in te dienen. Hierdoor wordt [verzoeker] in zijn rechten aangetast, en is de schijn van vooringenomenheid geschapen.” 3.
  12. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de advocaat van verzoeker daaraan toegevoegd dat hij in de hoofdzaak de onbevoegdheid van de rechtbank heeft aangevoerd en dat de rechter – hoewel hij zich over de bevoegdheid nog niet heeft uitgelaten –door aan dit verweer voorbij te gaan “het zaadje [heeft] geplant voor het ongenoegen bij” verzoeker. Naar aanleiding van het verweer van de rechter heeft verzoeker voorts opgemerkt dat in het verzoekschrift geen producties ontbreken en dat de rechtbank “actief de verzoekende partij [heeft] bijgestaan om een leemte in het verzoekschrift te herstellen”, waarmee de schijn van vooringenomenheid een gegeven is, omdat rechters in civiele procedures weliswaar een leidende rol hebben, “maar ook een zekere mate van lijdelijkheid in acht moeten nemen”. Dat laatste heeft de rechter niet gedaan door actief onderzoek te verrichten en (enkel) [naam] instructies te geven buiten verzoeker om. Zeker wanneer het exploot met aanzegging van de executie voor de beoordeling niet noodzakelijk is, valt niet in te zien waarom de rechtbank buiten de zitting om contact heeft opgenomen met een van partijen, aldus verzoeker. 4Het verweer van de rechter 4.
  13. De rechter heeft niet berust in het verzoek tot wraking en heeft – samengevat –aangevoerd dat in overeenstemming met het procesreglement de griffier telefonisch het exploot van de executieaanzegging heeft opgevraagd, waaruit op geen enkele wijze (de objectieve schijn van) vooringenomenheid van de rechter kan worden afgeleid. Het exploot had de rechtbank voorafgaande aan de mondelinge behandeling van de hoofdzaak niet ontvangen. Na een korte schorsing van die zitting heeft mr. Meuleman toegelicht dat de executie bij exploot was aangezegd aan verzoeker en aan de andere schuldenaar, de heer S. Koenigswarter, en dat het exploot aan de heer [trustee] in persoon is betekend. De exploten zou mr. Meulman digitaal beschikbaar hebben op zijn telefoon, maar de rechter heeft mr. Meuleman niet in de gelegenheid gesteld om de exploten op deze wijze in het geding te brengen, zodat dit onderdeel van de wrakingsgrond in zoverre feitelijk onjuist is. Ook uit de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling kan op geen enkele wijze (de objectieve schijn van) vooringenomenheid van de rechter als voorzieningenrechter worden afgeleid. Het gaat hier om (de beoordeling van) handelingen die volledig in overeenstemming zijn met het procesreglement en die voornamelijk voorafgaande aan de zitting hebben plaatsgevonden. 5De beoordeling 5.
  14. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend. 5.
  15. Verzoeker heeft in verband met de objectieve toets geen feiten of omstandigheden aangevoerd die grond geven om te vrezen dat de rechter partijdig zou zijn. De rechtbank zal hierna beoordelen of de feiten of omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd over de persoonlijke instelling van de rechter tijdens de zitting van 11 juli 2025 een zwaarwegende aanwijzing vormen dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). 5.
  16. Het verzoek in de hoofdzaak betreft een verzoek om verlof tot onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 3:268 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 548 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op dit verzoek is (nog) van toepassing het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter, versie januari 2025 (hierna: het Procesreglement). In paragraaf 1.4.3 van het Procesreglement is het volgende opgenomen: 1.4.3 Bijvoeging stukken Bij het verzoekschrift worden de stukken gevoegd waarop de verzoeker zich beroept. Dit zijn in ieder geval de stukken die zijn genoemd in het algemene deel en het van toepassing zijnde bijzondere deel van dit reglement. De rechter kan om toezending van aanvullende stukken verzoeken. In artikel 4.3.9 van het Procesreglement is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: 4.3.9 Verlof onderhandse verkoop (artikel 3:268 BW en artikel 548 Rv) (…) Bij te voegen stukken: een volledig (ondertekende) koopakte (artikel 548 lid 2 Rv); kopieën van alle gedane biedingen, dan wel een verklaring van de behandelend notaris dat geen biedingen zijn gedaan (artikel 548 lid 2 Rv); een lijst van de in artikel 544 Rv bedoelde belanghebbenden (hypotheekgever, schuldenaar en degenen wier recht of beslag uit de registers blijkt en wier recht door de executoriale verkoop zal tenietgaan of vervallen); een kadastraal en hypothecair uittreksel met betrekking tot de onroerende zaak en de daarop gelegde beslagen, allebei niet ouder dan één week; een recent taxatierapport (niet ouder dan zes maanden en niet van latere datum dan de eerste onderhandse bieding en in beginsel geen geveltaxatie) met betrekking tot de onderhandse verkoopwaarde en de executiewaarde van de onroerende zaak; een kopie van de hypotheekakte. 5.
  17. Volgens verzoeker is de rechter partijdig omdat de rechter niet ‘actief op zoek mocht gaan’ naar feiten en had de rechter – omdat in het verzoekschrift in de hoofdzaak volgens verzoeker met geen enkel woord wordt gesproken over het bestaan van een exploot waarin de executie is aangezegd – ook geen telefonisch contact met Frings mogen opnemen zonder medeweten van of communicatie met verzoeker. Dat standpunt deelt de wrakingskamer niet. Op grond van de laatste volzin van paragraaf 1.4.3 van het Procesreglement kan de voorzieningenrechter om toezending van aanvullende stukken verzoeken. Dat is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Bovendien is het in het kader van de behandeling van een verzoek tot verlof tot onderhandse verkoop niet onzorgvuldig dat de rechter nagaat of de executie op de voorgeschreven wijze is aangevangen. Uit het feit dat de rechter om die stukken heeft gevraagd en hij (andere) partijen – eerst – op zitting daarvan mededeling heeft gedaan, kan daarom niet de conclusie worden getrokken dat hij vooringenomen of partijdig is. 5.
  18. Het standpunt van verzoeker dat de rechter ter zitting zou hebben beslist over de toelating van nadere stukken door mr. Meuleman en daarom vooringenomen zou zijn, mist feitelijke grondslag. Uit het proces-verbaal van 11 juli 2025 volgt immers dat mr. Meuleman na hervatting van de zitting in de hoofdzaak slechts heeft medegedeeld de aanzegging van de executie beschikbaar te hebben (“Ik heb ze hier digitaal”), maar niet dat de rechter op het moment van de wraking al een beslissing had genomen over de toelating van een dergelijk stuk tot het dossier, nog daargelaten of het alsnog in het geding laten brengen van dat stuk de conclusie wettigt dat de rechter partijdig zou zijn. 5.
  19. Het vorenstaande leidt ertoe dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen. 6De beslissing De wrakingskamer van de rechtbank 6.
  20. wijst het verzoek tot wraking van de rechter af, 6.
  21. beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en Frings een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden, 6.
  22. beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. J.H.A.C. Everaerts en mr. L.M. Kos, leden van de wrakingskamer, en in tegenwoordigheid van mr. S.M.P. Langeveld, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 juli
  23. griffier voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. Conc.: 936

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.