RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/3420 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: J.A. Hoffs), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (gemachtigde: mr. Y. Kliphuis). Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor een bedrijfswoning buiten behandeling te stellen omdat de aanvraag niet compleet was. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe aan dat de verzochte gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, omdat de bedrijfswoning volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag buiten behandeling mocht stellen. Eerder is door de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) het oordeel gegeven dat de aanduiding met een ster op de plankaart, waar een bedrijfswoning is toegestaan, alleen geldt voor het onder de ster gelegen perceel. De beroepsgrond van eiser geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
- Eiser heeft op 28 juli 2023 een aanvraag ingediend voor het legaliseren van zijn bedrijfswoning boven zijn bedrijf aan [adres 1] op bedrijventerrein [naam bedrijventerrein] in [plaats] . De aanvraag ziet op de activiteit bouwen. 2.
- Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Krommenie-Oost’ en de bedrijfswoning ligt in de bestemming ‘Bedrijven’ met code BIIa. 2.
- Bij brief van 15 augustus 2023 heeft het college aan eiser kenbaar gemaakt dat zijn aanvraag ook ziet op de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. Daarnaast stelt het college dat de aanvraag niet voldoet aan de voorschriften uit de Regeling omgevingsrecht om de aanvraag in behandeling te nemen. Eiser heeft een termijn gekregen om de ontbrekende documenten aan te leveren. Per brief van 30 augustus 2023 heeft eiser gereageerd. 2.
- Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit van 16 oktober 2023 buiten behandeling gesteld omdat eiser volgens het college de gevraagde aanvullende gegevens niet in voldoende mate heeft ingediend. Hier heeft eiser bezwaar tegen gemaakt. 2.
- Met het bestreden besluit van 13 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het college gebleven bij de beslissing om de aanvraag buiten behandeling te stellen. 2.
- Eiser heeft op 20 juni 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, vergezeld door [naam 1] (medebewoner van bedrijventerrein [naam bedrijventerrein] ), en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 2] en [naam 3] . 2.
- De gemachtigde van eiser heeft op de zitting een pleitnota voorgedragen en deze met bijlagen en een proceskostenformulier overgelegd. Beoordeling door de rechtbank Standpunt van eiser in beroep
- Eiser voert – samengevat – aan dat zijn aanvraag compleet was, zodat het college die in behandeling had moeten nemen. Eiser hoefde geen documenten over de goede ruimtelijke ordening in te dienen omdat de aanvraag voldoet aan het bestemmingsplan. Het bestemmingsvlak waar de bedrijfswoning in ligt, is voorzien van een ster, wat aanduidt dat een bedrijfswoning is toegestaan. De overwegingen in de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, over een ander deel van het plangebied waar vier naast elkaar gelegen bedrijfswoningen met vier sterren zijn aangeduid, zijn niet gebaseerd op het systeem van het ruimtelijke ordeningsrecht. In de Regeling standaarden ruimtelijke ordening is bepaald dat de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. De SVBP bevat normen die van toepassing zijn op de vormgeving en inrichting van bestemmingsplannen met het doel om deze op vergelijkbare wijze op te bouwen en weer te geven. Voor de digitale verbeelding wordt gebruik gemaakt van een ondergrond. Echter maakt deze ondergrond geen deel uit van het bestemmingsplan zelf. De planwetgever heeft verzuimd om de bouwaanduiding voor het gebied waar de uitspraak van de Afdeling over gaat, de vier sterren aan de Vermaningsstraat, conform de SVBP geometrisch te begrenzen. In het gebied aan de [adres 2] en het [adres 1] zijn meerdere bedrijfswoningen aanwezig binnen één geometrisch afgebakend vlak die niet elk als zodanig met een ster zijn aangeduid, maar voor het gehele vlak is één ster afgebeeld. Daarom is de uitspraak van de Afdeling niet van toepassing op dit deel van de verbeelding van het plangebied. Een bedrijfswoning op [adres 1] is dus toegestaan, ook al staat de ster niet exact boven dat perceel op de ondergrond van de plankaart. De milieuzonering van omliggende bedrijven of eventuele maatregelen ter bescherming van de bedrijfsvoering zijn voor het legaliseren van de bedrijfswoning dus niet van toepassing. Daarover had eiser dus geen documenten hoeven aanleveren. Standpunt van het college
- Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de aanvraag buiten behandeling mocht worden gesteld. Geconstateerd is dat de aanvraag niet compleet was. De volgende gegevens ontbraken: een situatietekening met maatvoering; de milieuzonering voor de omliggende bedrijven; eventuele maatregelen en beperkingen voor de omliggende bedrijven. De Afdeling heeft in de uitspraak van 4 november 2020 al uitgemaakt dat de plaatsaanduiding van de ster voor een bedrijfswoning in het bestemmingsplan alleen geldt voor het specifieke, onderliggende perceel, zoals dat op de ondergrond van de plankaart is te zien. Het perceel [adres 1] heeft niet de aanduiding met een ster. Aldaar is een bedrijfswoning dus niet toegestaan. Voor de beoordeling of het college medewerking kan verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan, moet het college kijken naar de bedrijfszonering van het bedrijf [naam bedrijf] (een schroothandel gespecialiseerd in de recycling van oud ijzer en non-ferrometalen), gelegen achter de bedrijfswoning. Van belang is of eventuele maatregelen ter bescherming van de bedrijfsvoering (moeten) worden genomen. Eiser heeft de hiervoor gevraagde gegevens niet ingediend. Daarbij zijn duidelijke tekeningen met de maatvoering ook niet ingediend. Mocht de aanvraag buiten behandeling worden gesteld? 5.
- Bij de rechtbank ligt de vraag of het college de aanvraag van eiser met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling mocht stellen. 5.
- In artikel 4:5, eerste lid, van de Awb is bepaald: “Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien: de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.” 5.
- In artikel 21, eerste lid, aanhef en onder i, van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart als ‘Bedrijven’ bestemde gronden aangewezen voor dienstwoningen voor zover dit op de plankaart is aangegeven. Volgens de legenda behorende bij de plankaart betekent de aanduiding met een ster: bedrijfswoning toegestaan. 5.
- De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling in de uitspraak van 4 november 2020 heeft geoordeeld over het toepassingsbereik van de aanduiding met een ster op de plankaart, waarmee de locatie wordt aangegeven waar een bedrijfswoning is toegestaan. De Afdeling oordeelt als volgt: “2.
- […] De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op het perceel geen bedrijfswoning is toegestaan omdat dit niet op de plankaart is aangegeven. De Afdeling ziet, anders dan [appellant] betoogt, geen aanleiding voor het oordeel dat de aanduiding met een ster op de plankaart van toepassing is op het gehele plandeel met de bestemming BIIb. Hiervoor acht de Afdeling van belang dat elders in het plangebied, bijvoorbeeld ter hoogte van de Vermaningsstraat, vier sterren naast elkaar staan binnen dezelfde bestemming BIIIc. Dit duidt erop dat binnen het bestemmingsplan de plaatsaanduiding voor een bedrijfswoning alleen geldt voor het specifieke, onderliggende perceel, zoals dat op de ondergrond van de plankaart is te zien en zoals door het college ter zitting ook is bevestigd, en niet voor het gehele bouwvlak of bestemmingsvlak. Om die reden geldt de aanduiding met een ster op de [adres 2] alleen voor dat perceel. Het perceel van [appellant] heeft dan ook geen aanduiding bedrijfswoning en een bedrijfswoning is daarom niet toegestaan. […]” 5.
- De rechtbank stelt verder voorop dat eiser eerder een aanvraag heeft gedaan om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een woning aan [adres 1] in [plaats] . Het betreft dezelfde locatie en dezelfde bedrijfswoning als waar dit beroep over gaat. De aanvraag is afgewezen omdat bij de afwijking van het bestemmingsplan (een bedrijfswoning is daar volgens het college niet toegestaan) geen sprake was van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 december 2021 (HAA 21/885) als volgt geoordeeld: “3.
- Zoals de Afdeling in de uitspraak van 4 november 2020 heeft overwogen is er geen aanleiding voor het oordeel dat de aanduiding met een ster op de plankaart van toepassing is op het gehele plandeel met de bestemming Bedrijven. Hiervoor is van belang dat elders in het plangebied, bijvoorbeeld ter hoogte van de Vermaningsstraat, vier sterren naast elkaar staan binnen dezelfde bestemming BIIIC. Dit duidt erop dat binnen het bestemmingsplan de plaatsaanduiding voor een bedrijfswoning alleen geldt voor het specifieke, onderliggende perceel, zoals dat op de ondergrond van de plankaart is te zien en zoals door verweerder ter zitting ook is bevestigd, en niet voor het gehele bouwvlak of bestemmingsvlak. Om die reden geldt de aanduiding met een ster op de [adres 2] alleen voor dat perceel. Het perceel van eiser heeft dan ook geen aanduiding bedrijfswoning en een bedrijfswoning is daarom niet toegestaan. Hetgeen de gemachtigde van eiser ter zitting heeft betoogd over hoe bestemmingsplannen volgens hem worden gemaakt en moeten worden gelezen, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. […]” Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, zodat de afwijzing van de eerdere aanvraag voor het legaliseren van de bedrijfswoning onherroepelijk is. 5.
- Het beroep beperkt zich – gelet op het voorgaande – tot de vraag of de rechtbank op grond van de beroepsgrond van eiser aanleiding ziet voor een ander oordeel dan de Afdeling en de rechtbank over de betekenis van de ster op de plankaart ter hoogte van de [adres 2] voor het perceel van eiser aan [adres 1] . De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief. Eiser heeft in zijn beroepschrift gewezen op de SVBP uit 2012, waarvan de eerste versie in 2009 in werking trad in het kader van de digitalisering van bestemmingsplannen. Deze vergelijking gaat echter niet op omdat het bestemmingsplan is vastgesteld in 1998 en dus voordat de SVBP in werking is getreden. Niet is gebleken dat in 1998 een soortgelijke standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen gold. Verder voert eiser in essentie aan dat de lezing van de Afdeling niet spoort met de gebruikelijke wijze waarop plankaarten worden getekend. De gemachtigde heeft op de zitting laten zien hoe volgens hem de verschillende stappen in het tekenproces eruitzien, waarbij hij ook heeft gewezen op passages uit boeken over bestemmingsplannen. Dit betreft in wezen geen nieuw argument ten opzichte van de eerdere rechtbankprocedure. Om deze redenen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat een bedrijfswoning aan [adres 1] conform het bestemmingsplan is toegestaan. Het college heeft eiser dus in redelijkheid kunnen verzoeken om zijn aanvraag aan te vullen met stukken die zien op de milieuzonering als aspect van een goede ruimtelijke ordening. Vast staat dat eiser die stukken niet heeft ingediend. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting toegelicht dat deze stukken – vanwege het hiervoor genoemde standpunt van eiser – bewust niet zijn aangeleverd. Gelet hierop en hetgeen is bepaald in artikel 4:5 van de Awb mocht het college de aanvraag buiten behandeling stellen. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het besluit van het college om de aanvraag niet in behandeling te nemen, in stand blijft. Dit betekent ook dat er geen aanleiding is om het griffierecht en door eiser gemaakte proceskosten door het college te laten vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2.12 van de Wabo. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. ECLI:NL:RVS:2020:
- Artikel 4, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, samen met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2008.